Parenteel van Agillus van EGMONT
Agillus van EGMONT Koning van het Friese Rijk.
Gehuwd met
Edeltrudem van ENGILANT.
Radbodus II / I van EGMONT 1e Heer van Egmond van vóór 737 tot 792, geboren
voor 720.
Volgens Woutersz. schreef hij voordat hij 20 jaar was, een boek in het Latijn over de kinderen der mensheid*c) dat hij St. Adalbert liet lezen en die het vervolgens naar Dagobertus, Koning van Engilant stuurde. Dat moet dus vóór 740 gebeurd zijn (ovl. Adalbert). Hieruit volgt dat Radbodus II/I vóór 740-20= 720 geboren moet zijn.
Radbodus II/I werd door zijn vader Agillus (ovl. 737) tot eerste Heer van Egmond benoemd. Radbodus II/I moet bij deze benoeming (dus vóór 737), minimaal 16 jaar oud geweest zijn. Hieruit volgt dat hij vóór 737-16=721 geboren moet zijn.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren VIIc. ende XCII. starf heer Rabbout deerste 'heer van Egmont. den XVIIIen. dach in Jannuario. doe hij XXX. Jaeren geregeert hadde.[Woutersz. fol. 1V (54) + 17]
Vrij vertaald: Rabbout stierf 18 Jan. 792 en regeerde 30 jaar (dus vanaf 762).
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. De gevlochten baard met kwastje.
2. De dekmantel. Een dergelijke mantel, bestaande uit losse stroken diende ervoor om zonnewarmte op het metalen harnas af te weren. In de heraldiek zien we deze dekmantels rondom het wapenschild gedrappeerd (de mantel was veelal in twee (huis-) kleuren uitgevoerd. Uit praktische overweging zal de buitenzijde een lichte (hittewerende) en de binnenzijde een contrasterende (donkere) kleur hebben gehad. De mantel is hier groen.
3. De sjerp. Waar deze toe diende is mij onbekend.
4. Drie zo genaamde gemmen (mantelspelden). Echt nodig waren ze niet. Het waren statussymbolen uit de burgerdracht.
5. Het zwaard is duidelijk een tweehandszwaard met een rijk versierde schede. Iets gekromd.
6. Het hoofddeksel is een (lederen) muts mogelijk gevoerd met hermelijn. Op de omhoogstaande klep een ovalen broche met een edelsteen. Dergelijke broches zien we in de heraldiek om de hals van de helm. Het waren evenals de gemmen statussymbolen.
7. Enkelpuntssporen.
Hertog van Frisiae Occidentalis, v.a. 749 [Vlg. Woutersz. ovl. 792. Regeert 30 jr, dus vanaf 762; Vlg. van de Schelling ovl. 792. Regeert 25 jr, dus vanaf 767; Vlg. Hamconius ovl. 792. Regeert vanaf 749] tot 754 Koning van het Friese Rijk.
1e Heer van Egmond van vóór 737 tot 792.
Geboorte:
Volgens Woutersz. schreef hij voordat hij 20 jaar was, een boek in het Latijn over de kinderen der mensheid*c) dat hij St. Adalbert liet lezen en die het vervolgens naar Dagobertus, Koning van Engilant stuurde. Dat moet dus vóór 740 gebeurd zijn (ovl. Adalbert). Hieruit volgt dat Radbodus II/I vóór 740-20= 720 geboren moet zijn.
Radbodus II/I werd door zijn vader Agillus (ovl. 737) tot eerste Heer van Egmond benoemd. Radbodus II/I moet bij deze benoeming (dus vóór 737), minimaal 16 jaar oud geweest zijn. Hieruit volgt dat hij vóór 737-16=721 geboren moet zijn.
van der Schelling
Radbout zoon van Adgillus VIe Koning van Vriesland kleijn-zoon van Radbout de Veeerste Heer van 't Landschap, Land, en Heerlijkheid van Egmond, in het Nedervriesland, troude Vr. Amaea, Dochter van den Koning van Hongarie, bij de welke hij drie kinderen gehad heeft, Garbrant, Wollebrant en Maria Koningin van Zweden. Hij was een braaf en grootmoedig Prins, en zeer geleerd door de leere van S. Adelbert zijn leermeester, op wiens aandrang hij afstand deed van het Koningrijk van Vriesland, het welke Pipijn Hertog van Brabant [Met Pipijn, Hertog van Brabant wordt hier Pippijn III (751-768) bedoeld. Vlg. Hovaeus in 739], na dat hij 't zelve overwonnen had, hem aanbood. Hij stigte de Dorpen Warmenhuijsen, Huijsduijnen, Limmen en Schorel. Hij stierf door een val van 't paard den 28 Januarij 792. Hij legt te Rijnegom, waar van daar de plaats nog genaamt word Radbouts Kerkhof. Hij heeft geregeert 25 jaaren [Dus vanaf 767].
Woutersz blz. 18 R+V.
Rabodus, by 't leven van Coning Agillus synen vader gemaect die eerste Heer van Haec munda (dat men nu hiet Egmont), was een goodsvruchtich man, wys ende geleert, want hy was onder sint Aelbert den heyligen Confessoer ende die eerste Archidiaken ofte Domproost van Utrecht syn meyster tot dier geleertheyt gecomen eer hy twintich jaeren oudt was, dat hy een boeck in latyn gemaeckt ende geschreven hadde van die kinderen der menschen. Welcke boeck heeft sint Aelbert gelesen ende heeft hem alsoe behaecht dat hyt den Coning van Engilant Dagobertus overgesonnen heeft om te lesen ende alst die Coning gelesen hadde, soe seer is hy daer af verwondert geweest dat hy god geloeft ende gedanct heeft dat hy hem alsulcken dochters soen gegeven hadde; ende die Coning heeft daer nae Rabodus synen neef comen besoecken tot Egmont mit groeter staet ende is aldaer gebleven drie maenden lang. Dese Rabodus nam te wyve Amorron, des Conings dochter van Ungarien, die seer schoen was, by den welken Rabodus twe soenen, Garbrant ende Wulbrant, gewonnen heeft ende een dochter, die nae te man nam die Coning van Swedenryck. Int jaer ons heeren vijc ende viertich, daechs nae sint Jan Baptisten geboerten (2 juni 740), in die somer starf tot Egmond Sint Aelbert die heyligen confeszoer,*3) en *4) die Rabodus seer beschreyde ende begraefde hem (want hy dat voer syn doot begheert hadde) op een heymelicke plaets. Ende hier nae heeft Rabodus doen timmeren twe dorpen, te weten Warmenhuysen ende Huysdunen*6), ende heeft twe andere vervallen dorpen, te weten Limmen ende Rell doen repareren. Maer want Rabodus een geleert man was ende die geleertheit seer beminde, soe stichte hy int dorp van Rell een schole, waeromme dat Dorp genoempt werde Scoelrell, dat te vorens hiete Rell. Ende corts daer nae ist geboert dat hy op een tyt quam te paerde te byt berchsghen op die hoeve ende brac by naest den hals ende hy warde op syn huys tot Rynegum gebracht ende starf corts daer nae ende worde begraven by syn huys op die plaetse die men noempt tot noch toe Radboutskerckhof*5) Int jaer ons heren vijc twe ende tnegentich (792), ende syn huysvrou starf van rouwe int selfde jaer ende is begraven by haer lieve man.
_____
*3): Als Marcelmus schryft in syn boeck.
*4): De naamsdag van Aelbert is 25 juni. Vlg. WP 741.
*5): Rabouts Kerckhof int viercant is gelegen tusschen Egmont Binnen ende Egmont op die Hoeve, mer is naeder Egmont Binnen dan Egmont op die Hoeve ende heeft beleghen aen die westsyde den heer-wech ende aen de oest-syde die plaetse daer hier voertyts thuys van Rynegom ghestaen heeft ende dese voerschreven plaetse van thuys van Rynegom heeft belegen aen de oestsyde den crommendyck ofte den hoghendyck ende aen die westsyde Rabouts-kerckhof voerszeyd.
*6): Dit is de eerste vermelding.
Woutersz. noemt Rabodus, die tijdens het leven van zijn vader Koning Agillus (vanaf 725-ovl.) door deze geïnstalleerd werd als eerste Heer van Haeck-munda.
Heer van Haeck-munda moeten we niet interpreteren als Heer van het dorp met deze naam.
Verder lezen we dat Rabodus een leerling was van St. Aelbert*1) en vóór zijn twintigjarige leeftijd een boek schreef, dat St. Aelbert, nadat hij dit had gelezen, ter lezing doorgaf aan Dagobertus, Coning van Engilant.*2) Koning Dagobertus van Engilant was zo zeer onder de indruk van dit boek, dat hij God dankte "dat hy hem alsulcken dochters soen gegeven hadde". De Engelse Koning was dus vereerd met het feit dat hij zijn dochter aan de Friese Koning Adgillus had uitgehuwelijkt wat de goede betrekkingen tussen beide vorstenhuizen zeker ten goede kwam.
Huwelijken tussen vooraanstaanden werden in die tijd voornamelijk gesloten uit zakelijke motieven. De huwelijken van de Friese Koning en zijn kinderen zullen hierop geen uitzondering geweest zijn.
Dat de Engelse Koning een bezoek brengt aan Egmond hoeft niet te verbazen. Wel dat hij drie maanden in Egmond verbleef. Een Koning diende in die tijd een goede reden en betrouwbare dienaren te hebben om zo lang van huis te kunnen zijn.
Radbodus (II/I) huwt volgens Woutersz. met Amorron, een dochter van de Koning van Hongarije. Hoe hij in aanraking kwam met een vrouw uit een ver land is onduidelijk.
Naar mijn mening zal de Friese koningszoon niet uit zichzelf naar Hongarije zijn gegaan. Er zijn dan twee mogelijkheden.
Radbodus (II/I) en Amorron verkeerden aan het Hof van de Frankische Koning / Keizer. Het was in die tijd gebruikelijk dat jonge edelen enige tijd voor hun opvoeding aan dit Hof verbleven.
Radbodus (II/I) kan haar ook ontmoet hebben tijdens een Frankische veldtocht.
Veel Friese Edelen namen deel aan zowel Romeinse als Frankische oorlogsexpedities.
van der Schelling noemt bij de Heraut Radbout een zoon van Adgillus, een kleinzoon van Radbout de Ve, Koning van Vriesland. Dit komt dus overeen met Woutersz.. Gondebold en Radbout waren zijn zonen. Zijn erfdeel was Nedervriesland waarin Egmond was gelegen. Beide zonen, deel uitmakend van het gevolg van Karel de Grote sneuvelden in de strijd tegen de Saracenen.
Bij Radbout (II/I) noemt van der Schelling Radbout zoon van Adgillus Ve, Koning van Vriesland, kleinzoon van Radbout de Ve, eerste Heer van 't Landschap, Land en Heerlijkheid van Egmond.
Gondobaldus, de oudere broer van Radbodus II/I, volgde in ?? zijn vader op als Koning van het Friese Rijk.
Radbodus II/I werd dus aangesteld als gezaghebber over een belangrijk deelgebied "Neder (= West) Frisiae" en kreeg in dit gebied een eigen goed toegewezen; het Graafschap Kennum (alhoewel niet als zodanig aangegeven) met als hoofdplaats Haeck-munda (Egmond).
Verder geeft van der Schelling aan dat Radbout II/I een leerling was van St. Adalbert (ovl. 740), op wiens aandrang hij afstand deed van het Koninkrijk Vriesland "dat de Frankische Koning Pippijn, Hertog van Brabant (751-ovl. 768), nadat hij 't zelve overwonnen had hem aanbood".
Radbodus II/I sterft in 792 te Egmond en wordt te Rijnegom op het Radboutskerckhof begraven na een regering van 25 jaar (dus vanaf 767).
_____
*1): Adalbert de monnik was een Engelse koningszoon.
Hij stierf in ± 741 (dat is 13 jaar vóór de moord op Bonifatius). Hij werd te Egmond in een Frankisch Castellum begraven.
In de 10e eeuw werd zijn stoffelijk overschot getransleerd naar de Abdij van Egmond (toen nog een klein eenvoudig klooster).
Eveneens in de 10e eeuw wordt de Vitae van Adalbert voor het eerst geschreven in opdracht van Bisschop Egbert van Trier, een broer van Graaf Arnulf.
*2): Dagobertus is mogelijk identiek aan de vader of grootvader van Egbert 802-ovl. 839, Koning van West Saxen (Wessex), die vóór 802 lange tijd aan het Hof van Karel de Grote verbleef.
Het Brusselse handschrift 1857 noemt Agillus, zoon van Radbout die in 724 zijn kinderloze broer Poppo opvolgt in Boven Friesland. Hij woonde in Neder Friesland in Ramegon (Rinnegom) waar hij in 736 stierf. Hij werd te Utrecht begraven.
Het Brusselse handschrift 18307 noemt Adgillus II rex Frisie septimus.
"Successit patri suo anno Domini 723. Quum primus hic regum Frisie Christi fidem Frisorum manu in auxilium Carolo Martello contra Saracenos contendit, ibique parta ingenti victoria anno 730 pro fide feliciter occubuit, Turonique sepultus et inter divos relatus est".
Verder: Gondebaldus rex Frisie octavus. "Successit patri suo anno Domini 737. Condita a patre Adgillo, circa Veronam Frisie occidentalis metropolim, civitate Alcmaria, ipse a castr Dockenburgito Dockominium oppidum extruxit, in quo sanctus Bonifacius magnus ille Germanie Friseque apostolus cum sociis quinquaginta et uno anno 755 martyrio coronatus est. Rex autem ipse suppetias 8000 Frisonum Carolo Magno contra Saracenos in Hispania ducens, cum Rolando aliisque Christianorum ducibus in Roncivalle occubuit".
En: Radbodus II rex Frisie ultimus.
Voegen we de gegevens uit het voorgaande samen dan zien we dat Radbodus II/I in 737 zijn broer Gondobald opvolgde. Mogelijk tot 754 (moord op Bonifatius).
De Franken bezetten het Friese Rijk. Pippijn III de Korte, Koning van het Frankische Rijk van 751 tot ovl. 768 biedt Radbodus II/I de Friese Koningstroon (in leen) aan. Radbodus II/I weigert. De 25 regeringsjaren die van der Schelling noemt zijn mogelijk de jaren dat Radbodus II/I Leenman (van de Frankische Koning) van Kennum was.
Opvallend is dat de oudste zoon van Adgillus II niet naar zijn vader Radbodus I werd vernoemd. Het alterneren van namen was in die tijd gebruikelijk. We mogen dus veronderstellen dat Gondobaldus en Radbodus een oudere, jong overleden broer gehad hebben, eveneens met de naam Radbodus.
Genoemde Gondobaldus die in 737 sneuvelde, was niet kinderloos. Van hem zijn drie kinderen bekend:
1 Gondobaldus II. Hij sneuvelt in 778 in Spanje. Opvallend is dat hij in 737 niet als opvolger van zijn vader genoemd wordt.
2 Johannes. Hij vertrekt naar Ethiopië. Bij Hamconius komen we het merkwaardige verhaal tegen dat hij daar predikte en een volksstam stichtte.
3 Tekla. Zij huwt met Hajo Camminga. Opmerkelijk is ook hier dat Gondobald geen oudste zoon met de naam Adgillus had. Dat Radbodus II/I in 754 niet persoonlijk betrokken was bij de moord op Bonifatius wordt door de verschillende bronnen onderschreven.
Radbodus II/I ziet echter wel in dat dit voorval een wraakaktie van zijn Leenheer zou kunnen opleveren. Hij vlucht via Saksen naar zijn familie in Jutland. Wat er daarna is gebeurd blijft onduidelijk.
1 Hij keert niet terug.
2 Hij keert terug en vestigt zich te Egmond.
Woutersz. schrijft dat Radbodus I (679-ovl. 720) vier kinderen had.
1 Popponem. Gestorven zonder kinderen.
2 Agillum. Hij volgde zijn vader als Koning op.
3 Ronouellam. De moeder van Frederik, Bisschop van Utrecht.
4 Teudosindam. Zij huwde in 697 een "groet prince" genaamd Rimoaldus.
Rimoaldus is, zoals andere bronnen aangeven, dezelfde als Grimoald, zoon van Pippijn II van Herstal. Hij wordt in 695 genoemd als Stadhouder/Hertog van het Frankische Rijk. Hij ovl. 714. Hij moet in 695 dus minimaal 18 jaar oud geweest zijn waaruit volgt dat hij vóór 677 geboren moet zijn.
Hij werd in 714 (oud 714-677 = minimaal 37 jr.) te Luik door een Fries vermoord. Grimoald was de enige nog in leven zijnde wettige zoon van Pippijn II. Na zijn overlijden volgt Karel Martel, een bastaardzoon van Pippijn II, als Stadhouder van het Frankische Rijk op.
We kunnen slechts gissen in hoeverre Karel de hand heeft gehad in de moord op Grimoald.
Theodesinda moet in 697 minimaal 4 jaar oud geweest zijn om uitgehuwelijkt te kunnen worden. Grimoald was toen minimaal 20 jaar oud.
Radbodus I moet dus vóór 697-4 =693 gehuwd zijn.
Haar broer Adgillus II volgt in 720 zijn vader op. Gezien zijn naam was hij de oudste zoon.
Radbodus had negen kinderen waaronder vier zonen. Daaruit volgt dat Adgillus II vóór 720-16 (volwassen)-4=700 geboren moet zijn.
Poppo beschouw ik als een jongere of aangehuwde zoon. Mogelijk was hij Hertog in West Frisiae en is hij identiek aan Eggo, de gastheer van missionaris Adalbert in Egmond.
Adgillus II stierf in 736. Hij werd dus minimaal 36 jaar oud. Hij had vijf kinderen waaronder drie zonen. Hij moet dus vóór 736-16 (volwassen)-3= 718 gehuwd zijn.
Gondobald I (2e zoon, zie het voorgaande) volgde in 736 op. Hij stierf in 749.
Merkwaardig is dat hij dan opgevolgd wordt door zijn broer Radbodus II/I.
Gondobald I moet dus vóór 718 geboren zijn.
Het is ook mogelijk dat Gondobald II (geboren vóór 734) zijn vader opvolgde als Koning van het Friese Rijk en dat Radbodus II/I in die tijd Hertog van West Frisiae was. Gondobaldus II sneuvelt in 778 in Spanje. Mogelijk volgde Radbodus II/I op dat moment op als pretendent van de Friese troon.
Radbodus II/I was in 749 minimaal 16 jaar oud. Hij moet dus tussen 720 en 733 geboren zijn (mogelijk in 725).
Toen hij in 749 zijn oudere broer opvolgde was hij dus 24 jaar oud.
In 754, bij de moord op Bonifatius, was hij 29 jaar oud.
Hieruit volgt dat hij in 792 op 67 jarige leeftijd stierf.
De schrijver van dit boek is de stellige mening toegedaan dat waarde gehecht kan worden aan de veronderstelling dat een oud Fries Koningsgeslacht gedurende een lange periode de Noordelijke Gebieden onder haar regering heeft gehad. Radbodus II/I zou één der laatste telgen van dit Geslacht zijn geweest.
Geschiedschrijvers echter zijn over het algemeen van mening dat een en ander op een mythe berust.
Met de summiere informatie die ons is overgeleverd aangaande dit Vorstengeslacht tonen de Kroniekschrijvers uit vervlogen tijden aan dat zij wel degelijk over bronnen beschikten die het bestaan van dit legendarische Geslacht (kunnen) staven.
Dit laatste wordt door de hedendaagse geschiedschrijver niet betwist, echter, over het algemeen is men toch van mening dat "hard bewijsmateriaal" ontbreekt.
Aan de hand van rekensommetjes in combinatie met ontwikkelingen in die tijd
waarvan men overtuigd is dat deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, heb ik getracht mijn opvattingen aangaande dit onderwerp te onderbouwen.
Overleden
28 januari 792 Rinnegom.
Vlg. Hovaeus ovl. 790. Ten gevolge van een val van een paard.
Begraven
Rinnegom op het Radboutkerkhof, zoon van
Agillus van EGMONT Koning van het Friese Rijk (zie
I) en
Edeltrudem van ENGILANT.
Gehuwd met
Amaea (Amorron/Ammaria) van HONGARIJE.
Overleden
na 28 januari 792.
Vlg. Hovaeus ovl. 790 na haar man.
Begraven
Rinnegom, op het Radboutkerkhof, dochter van
NN Koning van HONGARIJE,
Heussen en Emmius stellen: Koning van de Hunnen. Brussel 1857 noemt Pannoye. Dit is de Romeinse benaming voor Hongarije (zie Winkler-Prins).
1.

Garbrant van EGMONT
Garbrant 2e Heer van Egmont van 792 tot 845.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren VIIIc. ende XLV. den Xen dach In Maerte starf heer Garbrant heer van Egmont, heer Rabbouts zoon. ende erffde de heerlicheijt van Egmont op zijn broeder Wolbrant. doe hij LIII. Jaere geregeert hadde.[Woutersz. fol. 2 (55) + 18V].
Vrij vertaald: Garbrant stierf 10 Maart 845 en regeerde 53 jaar. Zijn broer Wolbrant volgt hem op.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Bisschopsmuts met bont gevoerd en met een sjerp er omheen gebonden.
2. Draagt over een maliënkolder een wapenrok met stroken. Rood- goud garnituur.
3. Om de hals een sieraad of ordeteken.
4. Op beide schouders mantelspelden of gemmen.
5. Sterk gekromd zwaard met een haakvormig gevest.
6. Tweepuntssporen.
van der Schelling
Garbrant de Ie zoon van Radbout de Ie tweede Heer van Egmond, was een braaf, dapper, Godvrugtig en deugdzaam Prins, Hij troude niet, en liet de Heerlijkheid aan zijn Broeder, Wollebrant, Hij stierf den 10e Maart int jaar 845 en leijt begraven naast zijn Vader, Hij regeerde 53 jaaren.
Woutersz blz. 18V.
Garbrant ward nae syn vader Rabodus doot die twede heer tot Egmont ende was een vreedsaem man ende kuys van leven ende nam syn leven geen huysvrou mar leefde in reynicheit. Ende in sinen tyt quamen over die Deenen ende die Noormannen ende bedorven hollant te grond toe, mer tot Egmont en dorsten sy niet comen, want daer warde van alle man gesien een Engel in die lucht mit
een bloet swaert in zyn hant, Egmont beschermende, ende op die tyt waeren veel menschen die dit sint Aelbert toe schreven. Ende hy starf int jaer ons heeren viijc ende xlv opten tienden dach in maerte (10 maart 845) ende is by sinen vader Rabodus begraven, ende die Heerlicheit van Egmont starf op zyn broeder Wolbrant die veel jongher was dan hy.
Overleden
10 maart 845 Egmond.
Vlg Hovaeus is hij op 3 maart 840 overleden.
Begraven
Rinegom,
naast zijn vader.
Hij was niet gehuwd en werd opgevolgd door zijn broer Wolbrant I.
Maria (Anthonette van EGMOND.
Gehuwd met
NN Koning van ZWEDEN.
Wolbrant van EGMONT 3e Heer van Egmont van 845 tot 868, geboren
voor 780.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren VIIIc. ende LXVIII. den XIen. dach In Decembri starf heer Wolbrant In een strijde dootgeslagen tuijschen den franschoisen ende bartonen. doe hij geregeert hadde XXIII. Jaeren.[Woutersz. fol. 2V (56) + 18V].
Vrij vertaald: Wolbrant sneuvelde 11 Dec. 868 en regeerde 23 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Dit is een van de weinige tekeningen waarop een helm te zien is. Het
neerklapbare vizier is vreemd weergegeven.
2. Het kinstuk met lamellen.
3. De driehoekige vesiering op de borst.
4. Markante dekmantel om de arm.
5. Opgeheven zwaard. Daarmee werd mogelijk aangegeven dat deze Heer sneuvelde.
6. Onder het harnas een schubachtige wapenrok.
7. Maliën in de knieholtes.
8. Soepele schoenen.
9. Het schild niet als gebruikelijk gedragen, maar getoond heeft 7 i.p.v. de gebruikelijke 6 gouden kepers. Is dit een vergissing of is dit opzettelijk gedaan.
van der Schelling
Wollebrant de Ie. jongste Zoon van Radbout de Ie. derde Heer van Egmond, trouwde Vrow Alijd Dochter des Hertogs van Zaxen, bij welke hij had vier kinderen: Roelant die stierf inden slag tegen Dirk Graaf van Holland in 864, Radbout, Tekla, welke troude met de Heer van Arkel, en Cecilia met de Heer van Wassenaar. Hij was een dapper en onverzaagd Prins; Hij was Heer van een derde deel van Holland, tegen den Heer van Arkel, en van Wassenaar.
Hij verkreeg een groote overwinninge tegen Dirk die gemaakt is Graaf van Holland, waar van de zwaarigheijd bemiddelt is door een Vrede, op het gezag van Karel de Kale Keijzer en Koning van Vrankrijk, met voordelige voorwaarden, onder anderen, van aan de zijde van de voorn. Dirk te stichten
een Abdije van Religieusen tot Egmond, om te bidden voor de zielen van zijnen oudsten zoon, en van de Heer van Arkel en Wassenaar, gesneuvelt inde voorgaande Slag, en van aan zig te houden, nevens Egmond, de naastgelege Dorpen, en andere voorwaarden. Hij stierf op den Vierdag van ...
Woutersz blz. 18V+ 19 R+V en 20R.
Wolbrant warde nae syn broeder Heer Garbrants doot die derde heer tot Egmont, ende hy was een cloeck schoen man. Hij nam te wuve vrou Alydt, des Hartoghen dochter van Saxen, daer hy by wan twe soenen, Rolant ende Rabodus, ende twe dochteren. Teclam ende Ceciliam. Op deser tyt was Hollant te gronde toe bedorven van den Deenen ende Noormannen. Ende het heeft heer Wolbrant seer gedeert ende verdroten dat Hollant te gronde toe bedorven was ende die heer van Arkel ende die heer die Burchgraef van Leyden (die men oeck noemden heer van Waszenaer) seer jong waren ende hulp ende raet daer omme van doen hadden. Dus heeft hy die heer van Arkel gegeven Teclam syn dochter ende die heer den Burchgraef van Leyden Ceciliam, die schoener was, ende voertaen hebben sy Hollant in drie gedeelt, dat die Heer van Egmont hebben ende besitten soude die noortsyde van Haerlem af tot Vrieslant toe, daer nu seven steden in syn behalven alle die dorpen. Die heer van Arkel soude hebben ende besitten die oostsyde tot Utrecht toe ende die heer den Burchgraef van Leyden soude hebben ende besitten die suytsyde tot Dordrecht toe, genoempt Rynlant. Maer die keyser van Romen Carolus Caluus dit horende is hier inne seer vertoernt geweest ende heeftet graefschap van Hollant ende Seelant ende die Heerlicheit van Vrieslant gegeven een Eelman genoempt Dirck van syn geslachte ende vanden huyse van Aquitanien ende ter stondt is hy mit groet gewelt gecomen mitten selfden Eelman ende heeft Seelant ingenomen ende daer nae is hy gecomen in Hollant mar Heer Wolbrant, Heer tot Egmont, verhoerende Keysers coempts is hem mit alle beyde syn swaghers ende mit beyde syn soenen te gemoet gecomen ende sy hebben seer gevochten, maer die heer van Egmont heeft den slach verloren, want Keysers heer was te machtich. Want daer inne waren vier Hartogen, seven Graven ende Baronen sonder getal. In dese slach syn geslagen die Heer van Arkel, die Burchgraef van Leyden, den Heer van valckenburch des Burchgraven brueder voerszeyd ende Rolant des heren van Egmonts outste soen, ende Heer Wolbrant selfs siende dat hem ende de synen die slach verloren was, is mit syn jongste soen Rabodus ende ses hondert vrome cloecke mannen tot Egmont gevlucht; ende die Graef Dirick mit den keyser heeft hollant ter stondt onder hem gebrocht, mer tot Egmont en dorsten sy niet comen, want sy heer Wolbrants cracht eens besocht hadden. Mer Hartoch Otto van Saxen horende dat syn swagher heer Wolbrant seer benaut was, heeft hy hem gesonden drie duysent lantsknecht, die Heer Wolbrant seer blydelicken ontfangen heeft, ende heeft daer by vergaert een deel Vriesen ende is die grave Dirick (die nu die keyser vertoghen was) weder te velde gecomen in't dorp (dat doe ter tyt Bever hiete) ende sy hebben daer crachtilicken ende vromelicken gevochten van smargens te vier urren tot savonts te negen urren tue; ende dat geroop der mannen ende der menschen, dat geluydt ende clanck der trompetten ende dat neyen der paarden mochtmen over vier mylen hoeren. Doen heeft hem heer Wolbrant mit syn soen Rabodus soe vroemlichen geweert ende gevochten dat hy victorie gecreghen heeft ende heeft den Graef sonder ophouden ut den landen verdreven. Die Graaf siende dat hy die slach verloer, heeft hy geroepen mit luyder stemme: Wyck, Wyck, Wyck! ende hier om hiet dit dorp Beverwyck, dat te vorens hiete Bever. Dese groete wonderlichte victorie is geschiet int jaer ons heeren viiJc ende Ixiiij (3 mei 864) op't heylige Cruys dach in Mey, waeromme dat die inwoenders van Beverwyck tot noch toe in een teyken ende memorie van dese groete wonderlicke victorie op die selfde heylich Cruys dach groete solemniteyt of ommegang houden. Die Graef dus verdreven wesende is gevlucht tot den keyser Carolus Caluus. die welcke als hy dit gehoert heeft, weder omme in Hollant mit die graef synen neeff gecomen is ende alle gelegentheit des saecke wel doertast ende ondersocht hadde, heeft hy aen die heer van Egmont vriendelicke brieven geschreven, beteykende hem dach ende plaetse, te weten in een dorpe genoempt Bevervoert, om te spreken van een vriendelick accorde tuszchen hem ende die graef synen neef. Ende die heer van Egmont ontvangen hebbende dese vriendelicke brieven, is totter voerszeyde plaetse gecomen ende heeft den keyser Carolus Caluus vriendelicke aldaer ontvangen. Ende nae veel woorden die tuszchen haer beyden vielen, heeft die keyser Carolus Caluus den saeck ganselicken aen hem selen genomen ende heeft een utsprake gedaen in deser manieren: Angesien dat ick Carolus Caluus, keyser van Romen, ut myn keyserlicke miltheyt heb gegeven ende gegont Dirick van Aquitanien mynen neef dat Graefschap van Hollant, Seelant ende Vrieslandt, ende aengesien dat ick bevinne dat sommige heeren ende bysonder die Heer van Egmont, die Burchgraaf van Leyden, heer van Waszenaer, ende die Heer van Arkel daer groet recht in hebben, dat welcken onse voervaderen Puppyn van Harstel, Hartoge van Brabant ende Coning van Vrancryck ende Carolus Martellus hier voertyts geapprobeert hebben, Alsoe begheer ick mede mit dese edele heeren een ewige pays ende vrede te maecken in deser manieren: in den eersten sal die Heer van Egmont behouden ende besitten Egmont mit die thien naeste dorpen omleggende, die Heer van Arkel sal behouden ende besitten dat lant van Arkel, ende die Burchgraaf van Leyden sal behouden Leyden mit Rijnlant, ende hier boven sal myn neef, die grave van Hollant voerszeyd, geven ende schenken den Heer van Egmont voerszeyt ses duysent vransche cronen ende sal noch op syne costen funderen ende doen timmeren een cloester ofte abdie tot Egmont om ten ewigen dagen te bidden voer die sielen van Rolant die outste soen van den heer van Egmont, van die heer van Arkel ende van die Burchgraef van Leyden, die getrouwt hadden die twe dochteren vanden voerszeyden heer van Egmont ende inden stryt doot geslagen waren. Ende als graef Dirick dese uytspraeck ofte souen gehoert heeft ende niet wel en behaechde, heeft hy geseyt: dats een felle soen, ende daer om warde dit dorp genoempt Fellesoen dat te vorens hiete Bevervoert, mer wert gemeenlicken nu genoempt Velsen.*2) Als dit nu aldus geschiet was ende die Keyser Carolus Caluus noch in't lant was, soe synder haestelicke brieven gecomen ut Vrancrijck, te kennen gevende hoe dat die Vransoysen seer bedorven ende gemolesteert waren van den Berthonen, die by nae heel Vrancryck ingewonnen ende gebrant hadden; dus is die Keyser Carolus Caluus seer versaecht geweest ende heeft heer Wolbrant van Egmont seer vriendelicken gebeden dat hy mit hem wilde daerwaerts trecken, wel wetende dat hy een vroem crysch heer was: dwelk die heer van Egmont seer vriendelicken gedaen heeft, ende is mit den keyser opgetrocken ende heeft die Berthonen mit groete heercracht ut Vrancryck gedreven, waerom die Keyser Carolus Caluus hem seer lief hadde, ende hy heeft syn soen Rabodus tot een prys syn dochter Lucretia xv (15) jaeren out wesende, tot een huysvrou gegeven ende die bruyloeft worde mit groeter state in Vrancryck gehouden: ende hier nae heeft die Keyser heer Wolbrant van Egmont boven al syn heeren verheven ende geeert ende hilde hem nae dese victorie vier jaeren lang*1) int coninglicke hof, dat welcke sommige heeren seer mishaechde ende leyden laghen om desen getrouwen heer van Egmont te verraden. Dus ist geboert int jaer ons heren viijc ende lxviij (868) den xjden (11e) dach in december dat dese verraders syn gecomen snachs te xj (11) urren in die camer daer dese getrouwen heer Wolbrant sliep ende hebben hem daer jammerlicken in syn bedde vermoort, als sy mit hem van den selfden avont goede siere gemaeckt hadden. Die Keyser Carolus Caluus dit verhoerende is seer verstoort geweest, ende heeft dese verraders doen vangen, ende heeft se levent doen branden, ende dede dese getrouwe heer tot sinte Dionys, niet varde van Parys, mit groete state begraven ende syn hart werde tot Egmont gesonden ende werde begraven by syn voervaders. Ende Vrou Alydt starf sander jaer daer nae ende is opten iiijden (4e) dach van April by haer mans hardt op Raboutskerckhof begraven.
_____
*1): Hieruit volgt dat Radbout II in 864 huwde met Lucretia.
*2): Hovaeus vermeldt dat Graaf Dirk hiervan op Alderkinderendach 864 te 's-Gravensande een bezegelde brief liet maken.
Overleden
11 december 868 St. Denis (vermoord), begraven
St. Denis.
Vlg. Hovaeus 17 december 868
Zijn hart werd overgebracht naar Egmond.
Zoon van
Radbodus II / I van EGMONT 1e Heer van Egmond van vóór 737 tot 792 (zie
II) en
Amaea (Amorron/Ammaria) van HONGARIJE.
Gehuwd
voor 852 met
Aleyd van SAKSEN.
Overleden
4 april 869, dochter van
Otto Hertog van SAKSEN,
Otto, Hertog v. Saksen is mogelijk Otto, de zoon van Liudolf (uit een Frankisch geslacht). Vanaf 860 1e Hertog van Saksen ovl. 866. Otto huwde met een dochter van Lodewijk de Duitser en ovl. 912. Zijn zoon Hendrik I de Vogelaar werd in 919 Duits Koning tot ovl. 936.
Roelant.
Overleden
voor 864,
jong.
Tekla Vlg. Hovaeus Cleta.
Gehuwd met
NN van ARKEL Heer van Arkel.
Cecilia.
Gehuwd met
NN van WASSENAER Heer van Wassenaer.
Radbout II ("de Leeuw van Egmont") van EGMONT 4e Heer van Egmont van 868 tot 919,
4e Heer van Egmont*a) van 868 tot 919. Brussel 1857 noemt hem de laatste Koning van Friesland.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren IXc. ende XIX. den IIIIen. dach in Augusto starf heer Rabbout heere van Egmont. Wolbrants zoon. doe hij LI. Jaeren geregeert hadde.[Woutersz. fol. 3 (57) + 20].
Vrij vertaald: Rabbout stierf 04 Aug. 919 en regeerde 51 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Afgeplatte rijk versierde puntmuts met tulbandachtige rand en een afhangende lap.
2. Maliënkolder die ook de kin omsluit.
3. Goed te zien is hoe een harnas aan de wapenrok bevestigd werd.
4. Wapenrok onder het harnas met de kepers van Egmont (rood/geel).
5. Op de linkerborst een sieraad en op de rechterborst een veel eenvoudiger mantelspeld.
6. Opgerolde mouwen.
7. Geen zwaard maar een hellebaard.
8. Maliën in de knieholten.
9. Puntsporen.
10: De eerste met een hellebaard.
van der Schelling
Radbout de IIe van dien Naam Zoon van Wollebrant de Ie. vierde Heer van Egmond, troude om de verdiensten van zijn Vader de schoone Lukretia Dochter van den Keijzer en Koning van Vrankrijk Karel de Kale, bij welke hij had een Zoon Dodo. Hij was een deftig, dapper, en wijs Prins. Hij verkreeg
groote achting in de Oorlogen van Italie, int gevolg van den Keijzer zijn Schoonvader, alwaar hij om zijne heldedaaden genaamt wierd "De Leeuw van Egmond".
Hij stief den 4 Augustij vant jaar 919 en legt in de Abdije van Egmond, daar hij de lighamen van zijne Voorzaten had doen overbrengen, begraven, hebbende 51 jaaren met room geregeert.
Woutersz blz. 20 R+V.
Rabout, den tweden van dier naem, warde die vierde heer tot Egmont ende hadde vercregen doer syns vaders vroemheit ende getrouheit tot een huysvrou die schoene Lucretia, des keysers Carolus Caluus dochter (als voerszeyd is). Dese Rabout was een vroem, wys ende devoet man. Hy dede afbreken dat
oude huys tot Rinnegom ende dede een ander veel schoender maken ende groeter op die Hoeve, ende sette aldaer dat hof van Egmont, daer alle syn ondersaeten te recht souden comen alst van doen ware. Ende int jaer viijc. ende lxxx (880) is dese heer mit die keyser Carolus Caluus in Italien gereyst om te ontvangen die keyserlicke croen, want hem die Romeinen noch voer gheen keyser en wilden ontfangen. Daer heeft hem heer Rabout van Egmont soe vroemelicken ende wyslick gehadt dat alle die Romeynen den Keyser ontvangen hebben dit allen eeren ende heer Rabout van Egmont om syn wysheid ende vroemheid werde daer genoempt den Egmontsche Leuwe*1). Ende als die Keyser Carolus Caluus van den Pauws Joannes die negenste van dier naeme tot Romen seer triumphetelicke gecroont was, is hy nae Duytslant getrocken ende heer Rabout van Egmont is getrocken nae Egmont toe by syn huysvrou Lucretia, die hy seer lief hadde. Ende int jaer ons heeren viijc. ende lxxxiiij (884) starf syn huysvrou Lucretia van kinde ende dat kindt bleef te lyve, ende dede daerom dat kindt noemen Dodo, want die moeder van hem gestorven was. Ende hy heeft mit groete rouwe syn lieve huysvrou tot
Egmont in die Abdie doen begraven aen die noortsyde van die kerck voert weduwen outaet. Int jaer ons heeren lxc. ende twe (902) heeft heer Rabout doen nemen synder voervaderen gebeenten ende reliquien van Rabouts kerckhof ende deedse begraven in die Abdie by syn lieve huysvrou. Ende int jaer ixc. ende xix (919) den vierden dach in augusto is hy mede gestorven achterlatende Dodo syn eenigen soen doe hy Lviij (58)*2) jaeren geregeert hadde ende is begraven by syn lieve huysvrou.
_____
*1): Hovaeus noemt Hollandtsen Leeuw.
*2): Hovaeus noemt 51 jaar.
Brussel 18307.
Radbode, seigneur d'Egmont, mourut l'an 919 et fut enterree en l'eglise de Sainct-Adelbert, et espousa Lucretia de France (fille de Charles II, roy de France, et de Richilde, fille du comte Beuves), de laquelle il procrea Dodo, qui suit.
Overleden
4 augustus 919 Egmond, begraven
Egmond Binnen,
t.p.v. de latere Abdij. Vlg. Brussel 18307 in de kerk van St. Adelbert.
Zoon van
Wolbrant van EGMONT 3e Heer van Egmont van 845 tot 868 (zie
III) en
Aleyd van SAKSEN.
Gehuwd
864.
Zij was toen 15 jaar. Echtgenote is
Lucretia van FRANKRIJK, geboren
circa 849.
Overleden
884,
in het kraambed (het kind blijft leven).
Dochter van
Keizer Karel de KALE Koning van Frankrijk en
Ermentrudis.
Dodo I van EGMONT 5e Heer van Egmont van 919 tot 977, geboren
884.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren IXc. ende LXXVII. den XXIen. In Meij starf heer Dodo heer van Egmont. heer Rabbouts zoon, doe hij LVIII. Jaeren geregeert hadde.[Woutersz. fol. 3V (58) + 20V].
Vrij vertaald: Dodo stierf 21 Mei 977 en regeerde 58 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. De afgeplatte puntmuts kennelijk met bont gevoerd en met ruime omslag voorzien van drie juwelen.
2. Onder het harnas een wapenrok met stroken (groen onderkleed).
3. Om de armen rijk versierde banden.
4. Twee borstsieraden.
5. De knieholte wordt beschermd door maliën.
6. Tweehands vrijwel recht zwaard.
7. Stersporen.
van der Schelling
Dodo de Ie zoon van Radbout de IIe. de vijfde Heer van Egmond, troude Vrouw Kornelia Dochter van den Hertog van Brunswijk, bij dewelke hij gehad heeft een zoon Walengier, en een Dogter Anthonia, die de vrouw wierd van den Heer van Leerkendam. Hij was een wijs, strijdbaar en mildaadig Prins. Hij verbond zich tegen de Zarasenen waar door hij verkreeg groote eer en glorie. Hij verliet deze wereld den 21 Meij 977. na een regeeringe van 28 jaaren*1), en hij legt begraven in de Abdije.
_____
*1): 28 jaaren moet een schrijffout zijn. Radbout de IIe stierf in 919. Dodo I in 977. Dit is dus 58 jaar. De fout zit al in het Franstalige afschrift.
Woutersz blz. 20V.
Dodo van dier naem deerste, wert nae syns vaders doot die vyfde heer tot Egmont. Hij was een cloeck stadigh man van coninglicke manieren, groet van stature, milt van gheven. Hij dede tot Egmont alle die wildernisze
afbreken ende dede by syn hof een ander wildernisse planten, daer men nu in sien mach alle manieren van voghelen. Hy dede oeck maken achter 't busche een vaert om nae Alcmaer te varen. Ende hy nam nae tot een huysvrou Cornelia des hartoghen dochter van Bruyswyck, daer hy an wan een soen, genoempt Walengier. Ende dese heer Dodo is mit veel edele christen heeren mede op getrokken om te bevichten die Saracenen, daer hy groete pryse, eer, ende victorie gehadt heeft. Ende weder thuys gecomen wesende is hy gestorven tot Egmont int jaer ons heeren ixc. ende lxxvij den xxj dach in Mey (21 mei 977), als hy lviij (58) jaer mit groeter eeren geregeert hadde, ende is begraven in die Abdie tot Egmont. Ende syn huysvrou Cornelia is vyff jaer nae hem gestorven ende is by hem begraven in die Abdie voerszeyd.
Brussel 18307.
Dodo, seigneur d'Egmont. Il mourut l'an 977 le 20 jour de may, et gist avec sa femme Cornelia de Brunsvic au cloistre d'Egmont, et procrea d'ell Walgerus, qui suit.
Overleden
21 mei 977.
Hovaeus noemt 999, begraven.
Klooster van Egmond, zoon van
Radbout II ("de Leeuw van Egmont") van EGMONT 4e Heer van Egmont van 868 tot 919 (zie
IV) en
Lucretia van FRANKRIJK.
Gehuwd met
Kornelia van BRUNSWIJK.
Overleden
982.
Vlg. Hovaeus op St. Thomasdag, dochter van
NN Hertog van BRUNSWIJK.
Anthonia.
Gehuwd met
NN van LEERKENDAM.
Walengier I van EGMONT (Willem) 6e Heer van Egmont van 977 tot 1016.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren M ende XVI. starf heer Walengier heer van Egmont heer Dodoes zoon den IIen. dach in Jannuario. doe hij XXXIX. Jaer geregeert hadde.[Woutersz. fol. 4 (59) + 20V].
Vrij vertaald: Walengier stierf 2 Januari 1016 en regeerde 39 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. De gevlochten baard met op het eind een bolletje.
2. De puntmuts met tulbandachtige rand.
3. Het gewatteerde jack. Rood onderkleed.
4. Het sieraad op de rechterborst.
5. Mogelijk draagt hij handschoenen.
6. De hijsring op de borst.
7.Geen zwaard maar een hellebaard.
8 Driepuntssporen.
van der Schelling
Walengier eerste zoon van Dodo de Ie de zesde Heer van Egmond troude voor zijn eerste vrouw Katharina Dochter van den Hertog van Glocester, bij welke hij had een zoon Ghibert, welke een kerkvader wierd om het kwaad gedrag van zijne moeder, die daar van de straf betaalde met hare dood, op het feijt, waar op hij haar betrapte. En tot zijn tweede vrow Helena Dochter van de Markgraaf van Brandenburg, bij welke hij won een zoon Dodo, Hij was zeer strijdbaar, en een braaf Prins, en zeer mildaadig aan den Armen. Hij sloeg en verdreef de Vriezen dikwils, en stierf den 2 Januarij 1016 na dat hij geregeert had 39 jaaren, en legt begraven in de Abdije.
Woutersz blz. 21V+R.
Walengier, die eerste van die naem, heer Dodo soen, worde gehult die seste heer tot Egmont. Hy was een cloeck, vroem man ende hadde te wyve Katerina, des hartoghen dochter van Clocester*1) ut Engilant, daer hy by wan een soen genoempt Ghysbert. Ende hy dede thien huysen timmeren tot Egmont op- Zee, ende sette daer inne fine schamele luyden, die hy die huysen gaf op dese conditie als sy die thiende van den visch die sy utter zee vingen, geven souden die Abdie van Egmont, want hy die Abdie seer lief hadde. Ende gaf mede die Abdie die thienden van Egmont-Binnen van alle coorn. Voert soe
timmerde hy mede by die zee een cleyn cappelliken in die eere van sint Agniet. Dese heer heeft eerst viantschap gecreghen teghen die Vriesen om dat sy rebelleerden teghens Arnulphus, die derde graef van Hollant, hoeren heer, ende hy stond die graef van Hollant seer trouwelicken bij in allen periculen. Het geschiede int Jaer ons heren ixc ende xciij (993) dat de Vriesen in Hollant quamen ende verwoesten 'tlant seer, waer dat Arnulphus die graef mit veel volx ende bysonder die trouwe heer tot Egmont Walengier haer gewelt te moet gecomen is, mer die graef verloer den stryt alsoe dat hy daer geslaghen is geweest voer syn vaders lant ende heer Walengier van Egmont heeft des graven dode lichaem genoemen ende heeftet mit groeter eeren tot Egmont in die Abdie begraven ende hy is wederom getooghen ende heeft mit weynich volx die Vriesen verdreven ut Hollant. Dese heer Walengier was oeck een seer milt man en liberael by sonder over den armen ende hadde altoes syn boorse in syn hant als hy ter kercken reedt. Soe ist op een tyt geboert dat hy soude ryden ter kerke ende hadde syn boorse vergheten, dus is hy wederom ghereden om syn boorse, ende comende in syn camer om syn boorse te halen, soe heeft hy gesien dat syn huysvrou te doen hadde mit een eelman genoempt Pieter van Renesze, want sy een oncuyse vrou was ende hadde langhe tyt in overspul geleeft, daer haer man, die edele heer, niet of en wist. Als hy dan haestelich in syn camer gecomen is ende
gesien heeft leggende by malcander, soe heeft hy ter stond syn swaert ut getoghen ende heeftse alle beyde doersteken, dat een deerlick ding was van een hartoghen dochter ende lietse begraven voer int bosch. Ende dit geschiede int Jaer ons heeren M ende iiij (1004) op sinte Laurentius dach, (27 augustus) ende syn soen Ghysbert die hy by haer ghewonnen hadde, worde Domproost van Utrecht, want hy niet gehengen en wilde dat hy heer van
Egmont soude wesen, om dit leelicke feyt syns moeders die edele stam van Egmont niet besmetten en soude. waer om hy nae nam tot een andere huysvrou die schoene Helena, des Marcgraven dochter van Brandenburch. daer hy by gewonnen heeft een soen, die hy dede noemen nae syn vader Dodo, die nae hem
heer tot Egmont worde. Ende hy starf int jaer ons heeren M ende xvi. den ij dach in Januario (2 januari 1016) doe hy xxxix (39) jaer geregiert hadde, ende is in die Abdie tot Egmont begraven; ende vrou Helena leefde nae hem elf jaer, ende is by hem begraven.
_____
*1): Hovaeus noemt Leycester.
Brussel 18307.
Walgerus, seigneur d'Egmont.Il fonda a Egmont la chapelle de Saincte-Agnes. Il mourut l'an 1039. Il espousa en premieres nopces Catharina, fille du duc de Glocestre. Il espousa en secondes nopces Helena, fille du marquis de Brandenbourg. Il laissa Dodo, qui suit.
Overleden.
Over de juiste sterfdatum verschillen de kronieken van mening. Woutersz. en v. Alkemade geven 2 januari 1016 aan. Het Brusselse handschrift 18307 noemt 1039.
Zoon van
Dodo I van EGMONT 5e Heer van Egmont van 919 tot 977 (zie
V) en
Kornelia van BRUNSWIJK.
Gehuwd (1) met
Katharina van CLOCHESTER.
Zij pleegt overspel met Pieter van Renesze.
Overleden
27 augustus 1004, begraven
Egmond aan den Hoef,
in het bos samen met Pieter van Renesze, dochter van
NN Hertog van CLOCHESTER,
Clochester was een Engels Graafschap. De Romeinen bouwden er Glevum, het latere Castra Claudia. In 681 werd daar de St. Petrus Abdij gesticht.
Gehuwd (2) met
Helena van BRANDENBURG.
Overleden
22 juli 1027.
Bont noemt 1047.
Begraven
Abdij van Egmond, dochter van
NN Markgraaf van BRANDENBURG,
De eerste Markgraaf van Brandenburg was Gero, aangesteld door Keizer Otto I (936/973).
Ghibert van EGMOND,
Kerkvader (Domproost) te Utrecht.
Dodo II van EGMONT 7e Heer van Egmont van 1016 tot 1074, geboren
na 1004.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren M. ende LXXIIII. starf heer Dodo heere van Egmont heer
Walengiers zoon den Xen. dach in Martio. doe hij LVIII. Jaer geregeert hadde.[Woutersz. fol. 4V (60) + 21]
Vrij vertaald: Dodo stierf 10 Maart 1074 en regeerde 58 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Het enorme borstsieraad.
2. De driehoekige versiering op de borst.
3. Gem op de linkerschouder.
4. De ring op de rechterborst.
5. Een hellebaard, géén zwaard.
6. Maliënkolder zichtbaar om de hals, onder de armen in punten onder het harnas.
7. De sjerp.
8. Puntsporen.
9. Twee veren en een sieraad op de hoed.
van der Schelling
Dodo de IIe, Zoon van Walengier de Ie, zevende Heer van Egmond, troude
Jonkvrouwe Apollonia, Dochter van den Hertog van Limborg, bij welke hij heeft gehad een zoon Berwout, en twee Dochters. Perinne in den egt verbonden aan de Graaf van Kormond, en Oktrude, die de vrou wierd van de Heer van Lomerveld. Hij was een braaf en strijdbaar Prins, altoos overwinnaar tegen de Vriesen, Hij is al zeer jong aan zijn Schouder gekwetst geweest in een veldslag, dien zijn Vrou Moeder als een Amasone in mans klederen gewonnen heeft tegen de Vriesen. Hij stierf den 10 Maart vant jaar 1074. na dat hij geregeert hadde 58 jaaren, en legt begraven inde Abdije.
Woutersz blz. 21R+V.
Dodo, die twede van van dier naem, worde die sevende heer tot Egmont. Ende want hy noch seer jong was, soe regierde syn vrou moeder mit hem alsoe lang als sy leefde (1026). Int jaer ons heeren M ende xxj (1021) quamen over die Vriesen, willende haer wreeken over den jonge Dodo van die spyt die heer Walengier, syn heer vader te voeren gedaen hadde hoer ende hoeren voervaderen. Als dit vrou Helena gehoert heeft, soe heeft sy (als een onversaechde princesse) moet genoemen ende heeft volck vergaert ende is selfs in persoene mit mans clederen gecleet wesende, te paert getoghen ende heeft haer soen Dodo onder haer syde genomen, ende is alsoe die Vriesen te gemoet gecomen ende daer is aen beyde syden seer gevochten ende veel volx verslaghen, mer Vrou Helena heeft die victorie gehadt ende heer Dodo, haer soen, is in syn schoyre ghequest ende hy is nae corteling daer af genesen geweest, ende sy heeft die vianden verdreven. Ende int Jaer ons heeren M. ende xxvi (1026) op sinte Maria Magdalenendach (22 juli) is vrou Helena gestorven ende is by haer man begraven. Ende Heer Dodo nam te wive Appoloniam, des Hartoghen dochter van Limburch*1), daer hy by wan een soen gehieten Barwout. Dese heer Dodo was een dick vierschoten man ende hadde veel oorlogen by sonder teghen die Vriesen. Int jaer ons heeren M. ende Lxxiiij (1074) op den thienden dach van maert (als hy die Heerlicheit van Egmont lviij (58) jaer*2) geregiert hadde) starf hy ende is in die Abdie by syn voervaren begraven; ende vrou Appolonia starf des anderen jaers daer an den eersten dach van september ende is by haer man begraven.
_____
*1): Hovaeus noemt Lauburg.
*2): Hovaeus noemt 28 jaar.
Brussel 18307.
Dodo, second de nom, seigneur d'Egmont, chevalier, mourut l'an 1074 le 10 jour de may et gist a Egmont. Il espousa Appolonia, fille du duc de Limbourg, de laquelle il procrea Beruold, qui suit, Petronelle et Gertrude.
Overleden
10 maart 1074.
Vlg. Br. 18307 op 10 mei 1074. Begraven
Abdij van Egmond.
Op het Gemene Kerkhof vlg. Hovaeus. Zoon van
Walengier I van EGMONT (Willem) 6e Heer van Egmont van 977 tot 1016 (zie
VI) en
Helena van BRANDENBURG.
Gehuwd met
Appolonia van LIMBURG.
Overleden
1 september 1075, begraven
Abdij van Egmond, dochter van
NN Hertog van LIMBURG,
Hovaeus noemt Luneburg.
Perinne (Petronella).
Gehuwd met
NN Graaf van KORMOND Brussel 1857 noemt hem Graaf van Clermont.
Oktrude (Geertruida) van EGMOND.
Gehuwd met
NN van LOMERVELD Heer van Lomerveld.
Hovaeus noemt hem Somerveld
.
Barwout I van EGMONT 8e Heer van Egmont van 1074 tot 1093.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren M ende XCIII. den Xen. dach in Novembri. starf heere Barwout heer van Egmont heer Dodoes zoon. doe hij XIX. Jaer geregeert hadde.[Woutersz. fol. 5 (61) + 21V].
Vrij vertaald: Barwout stierf 10 Nov. 1093 en regeerde 19 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Draagt geen schild maar een soort wapenrol.
2. Hoed met juweel en vier veren.
3. Groot borstsieraad.
4. Twee gemmen.
5. Rijk versierde onderrand van het harnas. Het maliënkolder steekt hier in
punten onderuit.
6. Groen onderkleed met gouden gespen.
7. Dubbelpunts sporen.
8. Nagenoeg recht zwaard met lelievormige knop.
van der Schelling
Barwout de Ie. zoon van Dodo de IIe, agtste Heer van Egmond, troude Vrouwe Eleonora, Dogter van de Graaf van Oostervant, bij wien hij won twee zoonen, Barwout, Heer van Egmond, en Steven de Ve Abd van Egmond, van welke men zeer veele gedenkwaardige schriften vint. De gemelde Barwout was een zeer kloekmoedig, eendrachtig, vreedzaam, mildaadig, en regtvaardig Prins. Hij overleed den Xe November des jaars 1093. na dat hij geheerst hadde 19 jaaren, en legt begraven in de Abdije.
Woutersz blz. 21V.
Barwout, die eerste van dier naem, worde die achste heer van Egmont. Hy hadde te wive Helionora, des graven dochter van Oestervant, daer hy by wan twe soenen, deen hiete Barwout ende dander hiete Stephanus, ende dese Stephanus worde nae die vyftste Abt van Egmont; hy was een fyn man ende seer geleert, hy dede veel costelike boeken schryven, die men noch meesten deel in die Abdie sien mach, ende men vertelt veel van syn doechtelicken werken ende van syn wonderlicke barmharticheyt vint men veel geschreven. Tis geboert op een tyt datter een dief quam in die abdie ende sach drie tonnen butters opt hof legghen, soe heeft hy een cleyn schuytken genomen ende is mit die butter wech gevaren; dit vernemende die kelderwaerder van den selfden abdie heeft den dyf doen vanghen ende heeft hem laeten presenteren den Abt, menende hem alsoe den waerlicken heer over te leveren om te doen hangen: mer die abt siende dat die kelderwaerder seer verstoert was, heeft hem geseit in tegenwoordicheyt van den dief: Mijn lieve broeder, waerom syt ghi aldus verstoert, En hebt ghi noyt u leven teghen God almachtich gesondicht; certeyn wouden wij ons leven wel doersien, wij souden oeck wel bevinden hoe wy dagelix teghen hem sondigen ende begheren altoes genaden, daer om en laet ons niet veroerdelen op dat wy niet veroerdeelt en worden, ende gaet, ick gebiet u, ende geeft desen man drie mudden tarwe toe, want het is quaet butter sonder broet te eten. Noch veel andere wercken van barmharticheit worden van desen Abt gelesen ende hy starf int Jaer xjc. ende v (1105). Mer dese heer Barwout leefde in groete vrede, want hy sonderling gheen oorlogen en hadde, ende hy starf int jaer ons heren M. ende xciij (1093) op sinte Martynsavont (11 november) in den winter doe hy xix (19) jaer geregiert hadde, ende is by Helionoram syn lieve huysvrou begraven (die twe jaer voer hem gestorven was op ten derden dach van Junio) in die Abdie.
Brussel 18307.
Bernould, premier du nom, seigneur d'Egmont, chevalier, mourut l'an 1093 en
l'jour de Saint-Martin en gist a Egmont. Espousa Eleonora, fille du comte
d'Ostrevant, de laquelle il procrea Bernoul, qui suit, et Estinne, prelat d'Egmont.*1).
______
*1): Brussel vermeldt niet het wapen van Eleonora d'Ostrevant.
Overleden
10 november 1093, begraven
Abdij van Egmond, zoon van
Dodo II van EGMONT 7e Heer van Egmont van 1016 tot 1074 (zie
VII) en
Appolonia van LIMBURG.
Gehuwd met
Eleonora van OOSTERVANT.
Overleden
3 juni 1091, begraven
Abdij van Egmond, dochter van
NN Graaf van OOSTERVANT.
Steven,
5e Abt van Egmond.
Steven was van 1057 tot 1105 Abt van Egmond. Hij wordt echter ook genoemd
als Abt van de St. Baafs te Gent in de periode 1071 tot 1076. In die tijd werden Graaf Dirk V en zijn moeder uit Kennum verdreven en verbleven eveneens te Gent.
Mogelijk is hierdoor een goede relatie ontstaan tussen de Abt en het Gravenhuis.[Hof blz. 32].
Overleden
3 januari 1105.
Volgens de Tabula ovl. 3 januari 1106
Steven moet minimaal 1105-1057=48+18=66 jaar geworden zijn.
Barwout Dodensoen van EGMOND.
Omtrent Barwout Dodensoen en Barwout ll bestaat onduidelijkheid
Gezien de naam Barwout Dodensoen zou hij een zoon van Dodo kunnen zijn. Dodo II stierf in 1074 en werd opgevolgd door Barwout I ┼ 1093. Eris dus geen sprake een jongere broer die na het overlijden van een oudere broer dezelfde naam kreeg.
Als Dodo II wel twee gelijknamige zonen had dient zich het volgende probleem aan: Barwout Dodensoen stierf in 1155 en moet dus 1155-1074=81 jaar oud geworden zijn. Een niet onmogelijke, maar wel een dusdanig respectabele leeftijd dat de kroniekschrijvers deze zeker niet onvermeld zouden hebben gelaten.
Na 1129, toen Abt Ascelinus werd vervangen door Abt Wouter, werd hij als een rijk edelman aangesteld als Advocaat van de Abdij van Egmond. De Tabula geeft aan dat hij in 1143 door Bisschop Hartbert van Utrecht als zodanig werd aangesteld (dat kan een latere bevestiging zijn).
Als we ervan uitgaan dat hij al ~1230 door Abt Wouter werd aangesteld, dan moet hij bij deze aanstelling 1130 - 1074 = min. 56 jaar oud geweest zijn.
Dit is niet bepaald een leeftijd om nog als verdediger en zaakwaarnemer van een Abdij aangesteld te worden. Als de oudste zoon al meerderjarig was, is dit nog onwaarschijnlijker.
Hij zou na zijn aanstelling ook begonnen zijn met de bouw van het slot op de Hoef. Dit is mogelijk, maar gezien zijn leeftijd van 56 jaar, plaats ik daar vraagtekens bij.
Om dit te kunnen realiseren kreeg hij van de Abdij het Ver Altrudeland in leen met de zes erop staande pacht opleverende huizen (dit omvatte in die tijd vrijwel de gehele dorpsgemeenschap van Egmond aan de Hoef, een vissersdorp gelegen aan een natuurlijke insteekhaven van het Wgmondermeer). De dichtbij gelegen vluchtburcht (het rondeel) was mogelijk zijn enige bezit te Egmond. Hier bouwde hij zijn kasteel. Dat de Abdij dit dorp in leen gaf aan hun advocaat is niet zo vreemd. De Abdij was zelf niet in staat om dit dorp te beheren. Zij lieten dit liever aan hun leenman over.
Als we ervan uit gaan dat Barwout Dodensoen gezien de sterfdatum niet de zoon van Dodo II geweest kan zijn, dan zijn de volgende opties mogelijk.
1. Genoemde Barwout is niet Barwout Dodensoen maar Barwout, Barwout Dodensoen. Een naamconstructie die we in die tijd vaker tegenkomen (b.v. Johan, Johan Willemsz.). Dit impliceert dat Barwout niet de zoon van Dodo II was, maar van Barwout I.
Nu doet zich het probleem voor dat ook Barwout I ┼ 1093 een zoon had met de naam Barwout; Barwout II ┼ 1114. Ook hier is geen sprake van een jongere broer die na het overlijden van een oudere broer dezelfde naam kreeg.
2. Genoemde Barwout was de zoon van Dodo, een zoon van de eerder genoemde Dodo II.
Vreemd is echter dat de kroniekschrijvers wel de twee dochters (Perinne en Oktrude) van Dodo II vermelden, maar hun broer Dodo, waar Barwoutsoen van afstamt, onvermeld laten.
Ik ga ervan uit dat Barwout Dodensoen een (mogelijke bastaard-) zoon was van Barwout I.
Dodo III is mogelijk een zoon van Barwout Dodensoen. Evenmin is het uitgesloten dat Dodo III een jongere broer was van Aalbert.
Overleden
1155.
Mogelijk Allard van HAARLEM.
Mogelijk Ysbrant van RINNEGOM.
Barwout II van EGMONT 9e Heer van Egmont van 1093 tot 1114.
Deze Barwout II ovl. 1114 wordt nogal eens verwisseld met Barwout Dodensoen, de eerste Advocaat ovl. 1155.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIc. ende XIIII. den eersten dach In Meije wert die Jonge heer Barwout heer van Egmont. heer Barwouts zoon verslaegen van die west vriesen bij Vronen. doen hij geregeert hadde XXI. Jaeren.[Woutersz. fol. 5V (62) + 21V]
Vrij vertaald: Barwout sneuvelde 1 Mei 1114 en regeerde 21 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Geen borstsieraad, wel een soort ordeteken op de linkerborst.
2. Een kinstuk uit maliën.
3. Twee veren op de helm.
4. Een van de weinige Heren die een helm draagt met een neerklapbaar vizier.
5. Rood onderkleed.
6. Stersporen.
7. Opgeheven zwaard.
van der Schelling
Barwout de IIe, zoon van Barwout de Ie, de negende Heer van Egmond, troude vrow Rozemond, Dogter van de Graaf van Vlaanderen, bij wien hij drie zoonen verwekt heeft, Aalbert, en Dodo, gestorven zonder kinderen, nagelaten te hebben*1), en Barwout gesneuvelt nevens zijnen Vader in de veldslag tegen de Vriezen. Hij was een dapper, strijdbaar, Godsdienstig en eerlijk Prins van goeden wandel. Hij is omgebragt in een veldslag tegen de Vriezen, op den eersten van Bloeimaand*2) geregeert hebbende 21 jaaren, en is begraven, in de Abdije.
_____
*1): Dit is een foutje want Dodo en Barwout bleven kinderloos.
*2): Bloeimaand =Mei. Volgens het Franse afschrift in 1114.
Woutersz blz. 21V + 22R.
Barwout, die twede van dier naem, worde nae syn vaders doot die negende heer tot Egmont ende was een seer utgenomen devoet heylich man, gelyck Stephanus, Abt van Egmont, syn brueder was. Dese heer Barwout droech op ut groete devocie die Abdie van Egmont alle syn heerlicheit ende syn gueden van Egmont om te houden van den Abdie te leen voer hem ende syn naecomelingen*3), ende hy was een beschermer ende voerstander vander Abdie van Egmont. Dese guede heer hadde groete discord mit heer Hughe van Watersteyn*4), die dese goede heer ende syne doechdelicke wercken seer benyde. alsoe dat hy begheerde hem te crencken om syn lyf ende goet; soe it geschiet op een tyt dat die heer van Watersteyn toegemaeckt hadde een boes
mensch die dese goede heer Barwout int geven van eenen brief doorsteken soude, mer als Cornelis Wrauwer*5) op die Hoef dit vernomen hadde, heeft hy desen boef verspiet, ende gevangen wesende worde desen boef gepynicht ende heeft geleden hoe dat hy den goeden heer van Egmont soude doer gesteken gehadt hebben, hadde hy gemogen. Mer die goede heer heeft desen boef niet allen vrygelaten mer heeft hem oeck mede vanden hoeft en totten voeten vercleet ende heeft hem noch mede gelts genoech in syn bourse gegeven ende heeft hem weder om laten ryden nae syn heer, die hem seer verwondert heeft van die goeden heer van Egmont ende van syn goetheit, ende heeft ter stonds pays gesocht an die goede heer van Egmont, bekennende syn eyghen schult ende misdaet.Dese goede heer hadde te wyve Rosemunda, die dochter van den graef van Vlaenderen, daer hy by wan drie soenen, Allaert, Dodo ende Werenboldus, die altesamen ridderen waeren van Graef Floris van Hollant geslaghen. Ende die heere Barwout, die goede heer, wert in een stryt verslaghen by 'thuys te Vronen int jaer ons heeren xjc. ende xiiij (1114) op Mey dach doe hy xxi (21) jaer geregeert hadde ende is in die Abdie tot Egmont begraven, ende Vrouwe Rosemunda leefde een half jaer nae haer man ende starf daechs voer alre heylighen avont (31 oktober) ende is by haer man begraven.
Item int jaer xic. ende xxiiij (1124) worden die buurkerck van Egmont-Binnen ghetimmert.
Item int jaer xic. ende xl (1140) starf Jan van Tyden, oudt iijc. ende lxi (361) jaer ende hadde geweest een schiltknaep van den groeten Coning Kaerl van Vranckryc.
_____
*3): Hij droeg dus vrijwillig zijn Heerlijke Rechten en goederen op aan de Abdij onder voorwaarde dat hij en zijn nakomelingen dit in erfelijk leen van de Abdij zouden houden.
Er veranderde dus niet veel, alleen bij uitsterven in mannelijke lijn zouden deze rechten en goederen vervallen aan de Abdij.
Hovaeus schrijft:
"Desen Heer Barwout verkreeg van Graaf Floris van Holland dat hij sijn leen soude mogen versoeken met sijnen Naekomelingen aen den Abt van Egmond".
Keizer Karel de Kale besliste bij de vrede van 864 "in den eersten sal die Heer van Egmont (Wolbrant I) behouden ende besitten Egmont mit die thien naeste dorpen omleggende."
(Zie Wolbrant I).
Het is dus mogelijk dat Wolbrant I zijn oorspronkelijk vrij eigen "Egmond met de 10 omliggende dorpen" in 864 in grafelijk leen kreeg en dat Graaf Floris II (1091/1121) toestemming gaf tot het overdragen van dit leen aan de Abdij.
Een andere mogelijkheid is dat voor het opdragen van een vrij eigen goed aan de Abdij, die tot 1140 een eigenklooster van de Hollandse Graven was, toestemming van de Graaf nodig was.
De laatstgenoemde mogelijkheid is naar mijn mening de meest waarschijnlijke.
*4): Met de Heer van Watersteyn zal de Heer van Waterland bedoeld zijn; Hugo Heer van Waterland (1100).
*5): Vlg. Hovaeus Brouwer.
Brussel 18307.
Bernould, second du nom, seigneur d'Egmond, chevalier, fut tuee par les Frisons l'an 1117 en may. Il espousa Rosemonde, fille du comte de Flandres, de la quelle il procrea Alard, qui suit.
Overleden
1 mei 1114.
Gesneuveld te Vornen. Begraven
Abdij van Egmond,
vlg. Brussel 18307 mei 1117.
Zoon van
Barwout I van EGMONT 8e Heer van Egmont van 1074 tot 1093 (zie
VIII) en
Eleonora van OOSTERVANT.
Gehuwd met
Rozemont van VLAANDEREN Mogelijk een dochter van Robrecht de Vries (1071/1093).
Overleden
31 oktober 1114, begraven
Abdij van Egmond.
Op het Gemene Kerkhof, vlg. Hovaeus. Dochter van
NN Graaf van VLAANDEREN ??
2.

Dodo III van EGMONT
Dodo III (11e) Heer van Egmond (zaakwaarnemer).
Woutersz géén afbeelding. In plaats daarvan een afbeelding uit het Detmoldse p. 126V + 127R.
van der Schelling
Dodo de IIIe, Broeder van Aalbert de Ie was door de Inwoonderen*1) van Egmond verheven en verkooren tot XIe Heer van Egmond, ter oorzake dat de Vrouwe Weduwe van den voorn. Aalbert nog niet was in de kraam gekomen, Hij was een strijdbaar en braaf Prins, 't geen hij toonde in de oorlogen tegen de Vriesen. Hij was een liefhebber van de Godsdienst. Hij troude niet, en liet de Heerlykheid na aan zijn Broeder zoon, zijn wettige erfgenaam, den jongs gebooren, en stierf den 26 November *** na een regeringe van 32 jaaren, en legt begraven in de Abdije.
Woutersz blz. 22V.
Dodo, die derde van dier naem, Broeder van Heer Allaert, warde gelykelicken van die gemeenten van Egmont gehult ende gemaect die xie. (11e) heer tot Egmont, want sy niet en wilden wachten nae des vrouwe Antonette heeren Allaerts huysvrouwen baringe, wel wetende dat sy swaer was van kinde, om dattet int lant seer qalick stond op dier tyt.*2) Dese heer Dodo was een cort dich man ende hadde eenen groeten buyck ende dicke beenen ende was een liefhebber der religie ende een groet vriend vander Abdie van Egmont, Hy hadde oeck eenen stryt teghens die Vriesen, daer Werenboldus synen broeder in verslagen worde int Jaer xic. ende lxviii den twedendach in mey (2 mei 1168) ende op dit selfde iaer heeft hy gehoert dat die vrou Antonette, syn broeders huysvrou, bevallen was tot Bergen in Henegouwen van een ionge soen die Wouter hiete. Waerom dat heer Dodo gheen wyf en nam, op dat die heerlicheyt van Egmont op syn broeders soen weder sterven soude als recht erfgenaem. Dese heer Dodo starf sonder wyf ende kinderen Int iaer xiic.
(1200) op sinte Stevensdach (26 december) seer oudt wesende van daghen.*3) Int Jaer xiic. ende een (1201) starf vrou Antonette van Egmont ende is tot Valencyn begraven ende hoer hart worde tot Egmont gebrocht ende begraven by haer man.
In de marge tekent Woutersz. nog aan: Dese heer Dodo wart hier gherekent in die rechte linie of te stamme der heren van Egmont, want hy een ghehult heer van Egmont was eer ende voer heer Wouter syns broeders soen, geboren was, als die oude cronyken hier nae verhaelt vermelden ende verclaren.
_____
*2): Ook hier zien we dat de gemeenten kennelijk inspraak hadden bij de aanstelling van de Heer. Hier wordt een reden opgegeven. Mogelijk was
geen toestemming van Graaf Floris III (1157-1190) nodig.
*3): Zijn vader Berwout II sneuvelde in 1114. Dodo moet dus vóór 1114 geboren zijn en werd dus minimaal 1201-1114=87 jaar oud.
Detmold L3 nr 429 fol. 127V + 128.
Als berwout die eerst advocaet ghestorven was so woude dodo sijn zoon advocaet van egmont wesen Mer die abbet van egmont die sijn naem was Wijbold seijde daer teghens also dat daer groot strijt om quam. Daer quam die tiende graeff van Hollant die sijn naem was Floris ende maeckte ** een *** als dat nijemant en soude advocaet wesen dan diet van den abbet van egmondt cond verwerven hier na is gestelt dodo vercoren van den abt tot sijn lijff In alle schijn alset sijn vader beseten hadde Do voltimmerde hij dat slot op die hoef en daer na stierf hij int jaer ons here MCC (1200) en liet gheen keijnder achter Mer nae hem wert advocaet Wouter sijn broeders soen als heer alerts soen.
Brussel 6049 fol.123.
Dodo 2s advocatus Egmondensis, filius Berwoldi, senioris, consumavit edificando castrum in manso suo, quod pater eius Berwoldus inseperat. Et vocatur op die Hueff usque in presentem diem. Iste autem Dodo obiit sine libris anno domini mc quinquagestimo (**). Iste Berwoldus advocatus et filius eius non inveniuntur fuisse milites, quia Florentius, 3s comes Hollandiae, non nominat eos milites.
Utrecht Nr. 7a.
Noemt Dodo wel, maar omschrijft hem niet.
Conclusie
Opvallend in het Detmoldse handschrift is het portretje van Dodo. Op het portretje is rechts het Kasteel van Egmond en links een onduidelijke torenspits te zien.
De pet die Dodo draagt heeft geen allure. Niet, zoals bij Allard, versierd met een juweel of zoals bij Wouter, met een veer.
Bijzonder is dat de kroniek van Woutersz. hem beschrijft als een vriend van de Abdij terwijl zijn aantreden als Advocaat wordt gekenmerkt door ruzie over het vermeende erfelijke recht op de positie van Advocaat van de Abdij.
De Graven van Holland, als stichters van de Abdij, waren formeel nog steeds de Advocaten. Dat zij deze functie door een ondergeschikte lieten uitvoeren is duidelijk. De Graaf had wel belangrijker zaken om af te handelen. Dat Abt Wouter een belangrijke lokale edelman als Advocaat aanstelt is begrijpelijk. Hij geeft deze Advocaat een hoeve met zes huizen in leen. Deze Advocaat (Barwout II), begint met de bouw van een versterkt huis op het naastgelegen stukje moerasland. De voltooiing hiervan heeft hij niet meer mee mogen maken (hij stierf in 1155). Zijn opvolger Aalbert zal tijdens zijn 54 jarige regeerperiode het Huis afgebouwd hebben.
Aalbert (Allaert) was kennelijk de oudste zoon en volgde op in de rechten van zijn vader. Dit waren niet alleen de leenrechten die zijn vader van de Abdij had verkregen.
Zijn vader was, toen hij als Advocaat van Egmond werd aangesteld, een rijk edelman. Helaas zijn er geen dokumenten overgeleverd waarin de lokatie van de oorspronkelijke eigendommen van Barwout II aangegeven zijn. In 1114 was nog géén sprake van een Heerlijkheid Egmond. De in leen ontvangen hoeve met zes huizen te Egmond aan de Hoef was onbeduidend. Het zal destijds wel de hele dorpsgemeenschap aan een uitloper van het Egmondermeer omvat hebben.
Een belangrijk edelman uit die tijd vernoemde zich niet naar zo'n onbeduidend gebied.
Voorzover dat nu te overzien is erfde Aalbert de Heerlijke Rechten etc.
Zijn broer Berwout (Werenbout) volgt op in de functie van Advocaat. Hij wordt in 1143 genoemd als "viri clarissimi" (een van de hoogstgeplaatsten) bij de kerkwijding te Egmond. Wanneer we Woutersz. volgen dan sneuvelde hij op 2 mei 1168. Dit was vier maanden nadat zijn broer Aalbert (22 januari 1168) eveneens sneuvelde in een slag tegen de Friezen.
Dodo, als jongste zoon, kwam daardoor op 2 mei 1168 in het bezit van zowel de Heerlijke Rechten van zijn vader als de rechten op de Advocatuur van de Abdij van Egmond.
Dodo diende rekening te houden met de rechten van een nog ongeboren kind van zijn broer Aalbert (geboren ** mei 1168). Deze rechten heeft hij kennelijk gerespecteerd. Dat dit de reden voor zijn ongehuwde status was, is m.i. bezijden de werkelijkheid. Zijn onaantrekkelijke voorkomen zoals Woutersz. dit omschrijft (dikke buik, benen etc.) zal hem eerder parten hebben gespeeld. Dodo is niettemin 87 jaar oud geworden.
Zijn portret echter, geeft deze kenmerken niet weer. Hij wordt zelfs afgebeeld als een aantrekkelijke man.
Meest opvallend aan deze tekening is m.i. het ontbreken van sporen.
Wanneer we de ruzies tussen Advocaten en de Abdij bezien dan komen we tot het volgende.
Berwout Dodenzoen kreeg in 1130 de Advocatuur voor het leven.
Barwout I (zoon van Dodo II) kan dit niet geweest zijn, omdat hij al in 1093 overleed.
Barwout II komt ook niet in aanmerking want hij overleed in 1114.
Toen Berwout Dodenzoen, volgens Detmold, in 1155 overleed, had hij vijf zonen: Dodo, Allert ridder, Dirck, Berwout en Werenbout, die van Egmondt genoemd werden.
Volgens Woutersz. en van der Schelling stierf Barwout II op 1 mei 1114 en liet hij volgens Woutersz. slechts drie zonen na: Allaert, Dodo en Werenboldus.
van der Schelling noemt er ook drie: Aalbert en Dodo gestorven zonder kinderen nagelaten te hebben en Barwout gesneuveld nevens zijn vader in de veldslag tegen de Friezen (1 mei 1114).
Dat Aalbert geen kinderen naliet is onjuist (verschrijving). Zie Aalbert (Allaert I). Hier schrijft van der Schelling zelf dat Aalbert of Allard de Ie zoon was van Barwout de IIe.
Er is dus goede reden om te veronderstellen dat Berwout Dodenzoen een zoon was van Barwout II en géén vijf zonen maar vijf broers had.
Berwout Dodenzoen bezat niet de werkelijke functie van Advocaat. Deze was voorbehouden aan de Graaf van Holland als stichter van de Abdij. Kennelijk had die er in 1130 geen problemen mee dat de Abdij zelf een Advocaat
aanstelde. Tien jaar later draagt Graaf Dirk VI de Abdijen van Rijnsburg en Egmond op aan de Paus van Rome. Daarmee voorkwam hij dat de Bisschop van Utrecht in Egmond het gezag ging uitoefenen.
Op 7 oktober 1143 werd tijdens de kerkwijding de Pauselijke Oorkonde uit 29 februari 1140 in de vorm van een Pauselijk Privilege afgegeven aan de Abt van Egmond. Grondig onderzoek naar deze gebeurtenis zou een goede zaak zijn.
Een volgende belangrijke datum is 3 oktober 1174 en wel 20 jaar na de dood van Berwout Dodenz. De Abdij was het niet eens met de visie van Dodo III die het ambt als erfelijk beschouwde. Tussenkomst van Graaf Floris III resulteerde in een oorkonde*)1 waarin was vastgelegd dat het ambt inderdaad niet erfelijk was, maar dat dit in gezamenlijk overleg tussen de Graaf en de Abt diende te worden toegekend. De toekenning werd op die datum direkt verstrekt aan Dodo III.
Opmerkelijk is dat de Paus kennelijk buiten deze uitspraak is gehouden. De Graaf fungeerde hier als vanouds als Advocaat.
Bij Wouter *****(Hfdst. 38)***** kom ik terug op de voortslepende ruzies tussen de Abdij en haar Advocaten.
_____
*2): Kruisheer nr. 15. Koch OHZ, I, nr. 169.
Overleden
26 november 1200.
Hij was ongehuwd en had geen kinderen. Begraven
Abdij van Egmond.
Vlg. Hovaeus op het Gemene kerkhof.
Werenbout van EGMOND.
Overleden
1 mei 1114 Gesneuveld te Vronen.
Aalbert (Allaert) I van EGMONT 10e Heer van Egmont van 1114 tot 1168, geboren,
tussen 1073 en 1103
*)Stadhouder van Holland voor Graaf Floris II (1091-1121). Hieruit volgt dat hij in 1091 minimaal 18 jaar geweest moet zijn, dus geboren vóór 1073. Of 1121-18=1103.
10e Heer van Egmont van 1114 tot 1168.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIc. ende LXVIII. den XXIIen. dach in Jannuario bleeff heer Allert heer van Egmont, heer Barwouts zoon verslagen In Scaegen van den west vriesen doe hij LXII. Jaer geregeert hadde.[Woutersz. fol. 6 (63) + 22]
Vrij vertaald: Allert sneuvelde 22 januari 1168 en regeerde 62 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1.Draagt een helm met een neerklapbaar vizier. Wat de vreemde uitstulping erop voorstelt, is niet duidelijk. Mogelijk is het een kijkopening.
2. Het metalen kinstuk.
3. Draagt het schild aan een riem om de nek en toont het.
4. Opgeheven zwaard.
5. De wapenrok met stroken wordt hier onder het harnas gedragen. Dit is niet logisch. Groen onderkleed.
6. Gem op rechterschouder.
7. Puntsporen.
van der Schelling
Aalbert of Allard de Ie zoon van Barwout de IIe. tiende Heer van Egmond troude Vrouwe Anthonette Dogter van de Graaf van Henegouwen, bij welke hij verwekt heeft een Zoon Wouter, na 'sVaders dood eerst geboren, Hij was strijdbaar, stout, en een regt Oorlogsheld. Hij versloeg zomtijds de Vriesen, en om zijn dapperheid en deugd is hij gemaakt Stadhouder van Graaf Floris van Holland. Hij is om 't leven gebracht door de Vriesen in de slag van Schagen den 22 van Lowmaand 22 januari 1168 na dat hij geregeert hadde 53 jaaren, en legt begraven in de Abdije.
Woutersz blz. 22R.
Allaert, die eerste van dier naem, heer Barwouts oudste soen worde die thiende heer tot Egmont; hy was een cloeck oerlochs man, ende hadde te wyve Anthonette, des graven dochter van Henegouwen. Dese heer hadde veel bloedige oorlogen tegen die Vriesen, die hy driemael mit syn broeders Dodo ende Werenboldus ut den lande dreeff. Waer om graef Floris van Hollant hem veel te liever hadde ende maecte hem stadthouder van heel Hollant. Mer als dese heer Allaert quam gereden mit veel andere Edelen int Jaer ons heren xic. ende lxviii op den xxijten dach in Januario (22 januari 1168) om die Vriesen te vervolgen over tys, soe brac syn paert int ys by Schagen ende warde aldaer iammerlicken mit veel anderen vermoort, wiens dode lichaem worde tot Egmont in Abdie mit veel anderen Edelen van Graef Floris ende van syn Broeders seer droefelicken begraven, als hy die Heerlicheit van Egmont Lxii (62) iaer geregiert hadde.*1).
_____
*1: Brussel 1857 noemt 54 jaar. 62 jaar komt overeen met vanaf 1106. 54 jaar komt overeen met vanaf 1114, dit is het sterfjaar van Barwout II. Ook Hovaeus noemt 54 jaar.
Detmold L3 nr 429 fol. 128.
Dese heer alert was ridder ghemaect van graeff Floris van Hollant die de tiende graeff was. Hij hadde een zoon die ghenoemt was die quade heer Wouter. En heer alert bleeff verslagen van die Vriesen in een strijt tot Schaghen int jaer ons here MClxviij (1168) en leijt tot Egmondt begraven.
Brussel 6049 fol. 123.
Allardus, filius Berwoldi senioris primi advocati Egmondensis, quia fortis viribus fuit, factus esse creditur miles a comite Florentio Hollandiae tertio. Et*1) cognominabantur Allardus de Egmonda, quia fuit, sicut iam dictum, filius primi advocati Egmondensis. Qui genuit Wolterum, militem de Egmonda, conominatum die quade Wouter. Occidentur autem Allardus de Egmonda miles in Schagen Frisonibus anno domini mclxviiio (1168) et corpus eius transfertur ad monasterium Egmondensem cum ceteris interfetis et ibidem
sepelitur.
Utrecht Nr. 7a.
Dese heer Aellert was ridder gemaeckt van graeff Floris, die tiende graeff van Hollant. Hij hadde een soon, die hiete die quade Heer Wouter. Ende Heer Alert bleef verslegen tot Schagen in den stryt int jaer mclxviii (1168) ende leyt te Egmont begraven.
Walterus. (38)
Gerardus. (39)
Dese heer Gerrit van Egmont ridder sterft int jaer mccxvii (1217) ende laet een soon achter genaemt Wouter van Egmont (40), ende die en was geen ridder.
Brussel 18307.
Alard, seigneur d'Egmond, chevalier, fut tuee par les Frisons pres Schorel l'an 1168 le 13 jour de fevier et gist a Egmond. Il espousa Anthonette fille du comte de Hainaut, de laquelle il procrea Wautier, qui suit.
Groesbeek gaat in Middeleeuwse kastelen van Noord-Holland op blz. 191 e.v. uitvoerig in op deze Allard en diens zoon Ysbrand. Helaas geeft hij niet exact aan uit welke oorkonden hij zijn gegevens haalde. Omdat de hypothese van Groesbeek van groot belang is, neem ik die hier woordelijk over.
Groesbeek
Keren we nu terug naar de familie waartoe de advocaten behoorden: de advocaat Berwout II overleed in 1158 (of 1167) en werd opgevolgd in deze functie door zijn zoon Dodo III, die in 1174 genoemd wordt en in 1200 kinderloos overleed, waarschijnlijk is hij nooit getrouwd geweest.
Een kroniek*1) vertelt ons: "Desen heer Dodo was een kort dik man, ende hadde een grote dikken buijck, met dikke benen" Hij was een vriendelijk man en liefhebber van de Religie "een vriend des convents van Egmond". Hij stierf zeer oud, in het jaar 1200. Deze Dodo III, zo verhaalt ons de kroniek, had een broer Albrecht (lees: Allard) geheten, die in 1168 bij een gevecht te Schoorl tegen de West-Friezen omgekomen was. Na zijn dood werd hem nog een zoon geboren, die Wouter genoemd werd.*2) De moderne genealogieën van Egmond beginnen de stamreeks met deze Wouter. De meest recente (die van Dek) maakt zelfs in het geheel geen melding van zijn voorgeslacht.
We vragen ons echter af of er wel voldoende reden is om de traditionele afstamming te betwijfelen. Opsmuk van de stamboom kan de kroniekschrijver niet beoogd hebben: alles ziet er niet abnormaal uit. Allard van Egmond sneuvelde in 1168 in Schoorl; zijn oudere broer Dodo III was op dat moment heer van Egmond en Advocaat van de abdij. Zijn neef Wouter volgt hem op na Dodo's kinderloze dood. Waarom zouden wij twijfelen aan de juistheid van dit verhaal?
Beginnen wij de stamboom met Wouter I van Egmond door het voorgeslacht af te kappen, dan staan we direct voor de vraag: wie was dan wel de vader van Wouter en hoe heeft deze de advocatie gekregen; vooral rijst deze vraag, als men aanneemt, dat dit een erfelijk leen was. Er is geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat met Wouter van Egmond een ander geslacht zijn intrede in Egmond geweest was, dan hadden de annalen daar ongetwijfeld melding van gemaakt.
Toch moeten we erkennen dat, als we de stamreeks van de Egmond's bezien, er iets aan de hand lijkt te zijn.
a) de naam Allard komt bij de oudere advocaten niet voor.
b) de bewuste Allard van Egmond wordt in geen enkele oorkonde genoemd.
c) de in de 12e eeuw bij de advocaten gebruikelijke voornamen: Berwout, Dodo, Weremboldus komen bij de latere Egmond's helemaal niet meer voor.
Toch is enige voorzichtigheid bij het doen van dergelijke constateringen geboden: In een oorkonde van 28 augustus 1162 vinden we genoemd Dodo (III) advocatus en zijn broers Dirk, Werembout en Berwout.
Dezelfde akte noemt echter ook Adalard, Stephanus, Vastrad de Rinneghem. Deze Adalard zou identiek kunnen zijn met de in 1168 gesneuvelde Allard van Egmond.
In een oorkonde gedateerd tussen 1206- 1226 vinden we een IJsbrand van Egmond en zijn broers Allard en Floris.
Is deze IJsbrand wellicht identiek met heer IJsbrand, ridder van Rinnegom en Egmond, die op 2 oktober 1255 overleed nadat zijn vrouw Riswidis of Rissent geheten, hem op 15 februari 1252 in de dood was voorgegaan.
De genoemde broers moeten dus een voorvader gehad hebben die de voornaam Allard droeg. Het is mogelijk dat we deze Allard terugvinden in Allard van Egmond die in 1168 sneuvelde.
Genoemde heer IJsbrand had drie zoons: Gerrit, Willem en Werenboldus.
Wouter 'de kwade', heer van Egmond, bezat drie zoons: Willem, Wouter en Gerrit.
Tenslotte brengen we in herinnering dat Allard van Egmond die in 1168 sneuvelde, ook een broer Werenboldus had. Dit alles opent de mogelijkheid om aan te nemen dat Wouter 'de kwade' en heer IJsbrand broers geweest zijn.
_____
*1): Woutersz..
*2): zie Dodo III, kroniek van Woutersz.
Overleden
22 januari 1168.
Volgens Brussel 18307 ovl. 13 februari 1168
In slag tegen de Friezen aan de Rekere bij Schoorl. Sneuvelt tezamen met nog 8 andere ridders: Wilhelmus de Vorholte, Baldramus de Harlem, Gerardus Dapifer, Floentius Rust, Bruno de Kasterkem, Gerardus invenis de Monstre, Everardus de Northeke en Simon de Antwerpia. [Fontes Egm. p. 179, de Geer blz. 70, Kluit blz. 119].
Begraven
22 januari 1168 Abdij van Egmond.
Volgens Annales Egmundis tezamen met nog 8 andere ridders.
Vlg. hovaeus begr. op het Gemene kerkhof.
Zoon van
Barwout II van EGMONT 9e Heer van Egmont van 1093 tot 1114 (zie
IX) en
Rozemont van VLAANDEREN Mogelijk een dochter van Robrecht de Vries (1071/1093).
Gehuwd met
Anthonette van HENEGOUWEN,
Mogelijk was zij een dochter van Graaf Herman van Bergen ovl. 1050. Diens weduwe Richildis huwt 2e in 1051 met Boudewijn VI v. Vlaanderen (1039- ovl. 1071). Hij volgt op als Boudewijn I van Henegouwen.
Overleden
1201.
Vlg. Hovaeus op St. Andriesdagh. Begraven
Valencyn in Henegouwen.
Hart in de Abdij van Egmond. Dochter van
NN Graaf van HENEGOUWEN.
Ysbrant, geboren,
vermoedelijk 1230.
Overleden
1255.
Gehuwd met
Riswidis.
Overleden
1252.
Wouter I (Kwade Wouter) van EGMONT 12e Heer van Egmont van 1168 tot 1208, geboren
2 mei 1168 Bergen in Henegouwen.
Werd geboren na het overlijden van zijn vader. Regeert samen met zijn oom Dodo III (ovl. 1200).
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIc. ende VIII. den XIIen. dach in Septembri starff heer Wouter heer van Egmont. heer Allerts zoon. ende hadde dat heijlige graff versocht doe hij XL. Jaer geregeert hadde.[Woutersz. fol. 6V (64) + 22V]
Vrij vertaald: Wouter stierf 12 Sept. 1208 en regeerde 40 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1.Woutersz. omschrijft hem als een lange man met gheluwen baard en krullend haar.
2. Hoed met sieraad en twee veren.
3. Groot borstsieraad.
4. Kromzwaard met eveneens gekromd gevest.
5. Puntsporen.
6. Rood onderkleed.
6. Een modernere schildvorm.
van der Schelling
Wouter de Ie. van dien naam Zoon van Aalbert de Ie. na zijn Vaders dood geboren, de XIIe Heer van Egmond, troude met Klementia Dogter van Henrik Graaf van Gelre, en van Scwade, van Brabant, bij dewelke hij had drie zoonen Willem, Gerard, Aarnout en Helewine de Vrow van Willem, Heer van Leilinge. Hij was zeer strijdbaar in de oorlog en behaalde een groote overwinninge tegen den Graaf van Loon, de Pretendent vant Graafschap van Holland. Hij deed een reijs naar het Heijlige Land en stierf den 12 September in het jaar 1212. na dat hij met zijn Oom Dodo geregeert hadde 44 jaaren, en legt begraven inde groote Kerk van Egmond.*1).
_____
*1): Opvallend is dat hier sprake is van de Groote Kerk in plaats van de
Abdije.
Woutersz blz. 22V+ 23RV.
Wouter, die eerste van dier naem, heer Allaerts soen, worde nae syn vaders doot ende byt leven van heer Dodo syn oom die twalefste heer tot Egmont ende hadde te wyve des graven dochter van Gelre, want et doe noch gheen hartoghen en waren, ende was die suster van Graef Otto van Gelre, ende hiette Clementia. Dese heer Wouter was een wonderlick man, seer haestich ende toernich van naturen, mer goet om te versoenen. Hy was een lang man van staturen ende hadde een gheluwen baert mit een crult hooft ende hy was alsoe haestich dat men hem noemde die quade Wouter. Hy stelde hem terstond teghen den Abt van Egmont, die hy niet anders plach te noemen dan een luysich cappart, noch woude oeck syn leen niet versoecken van den Abt als syn voervaeders plaghen te doen ende ontnam den Abdie die thienden vanden visch t'Egmont op Zee mit noch sommighe andere privilegien van syn voervaders gegheven. Int Jaer ons heren xijc. ende iii (1203) starf graef Dirick, die Elfste graef van Hollant, ende liet gheen soenen achter dan een dochter Ada genoempt. Ende alsoe dese dochter Ada nae haers vaders doot alleen by haer vrou moeders wille ende consent ende teghen die wille ende consent van alle die edelen van Hollant ende Zeelant getrouwt ende genomen hadde te man grave Lodewyc van Loon, dus heeft heer Wouter van Egmont mit Heer Jacob Burchgrave van Leyden ende heer Phillips van Waszenaer, heeren Jacobus Burchgraven broeder, tegen gestaan desen graaf Lodewyc van Loon niet willende hem hebben tot een heer ende grave van Hollant, mer heeft ontboden heer Willem (die men noemde heer sonder lant) broeder van graef Dirick voerszeyd om hem te ontvanghen tot een grave van Hollant.
Mer graef Lodewyc van Loon dit vernemende is graef Willem, die ghekomen was in Zeelant om daer gehult te wesen lantsheer, te gemoete gecomen mit macht van volck, daer seer gevochten is ende graef Lodewyc hadde die victorie ende graef Willem soude mede oeck gevanghen geweest hebben, hadde hy niet verburghen geweest in een pincke op strang onder haringnetten. Als dit aldus geschiet was, soe heeft heer Wouter van Egmont mit die Burchgraef van Leyden ende mit die heer van Waszenaer heel Hollant beset om die graef van Loon uit te keren ende te houden, dat graef Willem seer lief was. Mer die graef van Loon dit vernemende heeft tot hem gecreghen die Biscop van Utrecht, die Hartoge van Brabant ende meer groete heeren ende hebben Hollant seer verwoyst ende die graef van Loon is self tot Egmont gecomen ende en heeft dat dorp noch die Abdie gheen schade gedaan, mer hy heeft heeren Wouter van Egmonts huys verbrandt, waer om die vrome heer Wouter van Egmont seer tornich geweest is ende heeft vrou Ada, des graven van Loons huysvrou gevanghen genomen ende tot Leyden in sekere bewaringe geset ende daer nae heeft hy mit die Burchgraef ende mit die heer van Waszenaer den graef van Loon mit alle syn heeren (die hem te hulp gecomen waren) uyt Hollant mit vechtender handt verdreven, ende heeft graef Willen sonder Lant laten hulden als een recht succeszoer van graef Dirick syn broeder ende is alsoe geworden graef van Hollant ende Zeelant ende heer van Vrieslant, waer af hy heer Wouter van Egmont (die hem daer toe gehulpen hadde) seer bedancte, mer hy heeftet heer Wouter voerszeyt naemaels qualick geloont, als men noch horen sal.
Int Jaer ons heeren xii.c ende v. (1205)*1) sende heer Franco die xi. (11e) Abt van Egmont iii.c (300) mannen te paerde om heer Wouter van Egmont (die in Dirick van Riewycs huys sliep) (want syn eighen huys van die graef van Loon verbrand was) daer te vermoorden, want die abt van quaden raet op gemaeckt was, mer al eer des abts volck quam, heeft Dirick van Riewyck den Edele en vromen heer Wouter van Egmont op ghewreckt vanden bedde opten heylighen karsnacht, hem te kennen gevende all dat hy gehoert hadde. Ter stond is heer Wouter van Egmont op gestaen al haestelick ende syn volck al te samen int harnas gedaen ende is den abts volck teghen gereeden ende sy
hebben seer gevochten op die plaatse, die nu die cryt hiet ende heeft den abts volck geweldelick verjaecht ende hy heeft ut groeter tornicheyt den abts molen ende stallagie, die den graef van Hollant daer hadde, aen brant gesteken, dwelk die abt den graef van Hollant geclaecht heeft. Ende die
graef dit horende heeft al stil geswegen ende int selfde jaer op jaeravont quam hy selve te paerde mit groete menichte van volck ende nam heer Wouter van Egmont seer schandelicken gevangen uten huyse van heer Dirick van Riewyck ridder ende brocht hem gevangen opt huys tot Hemskerck, Twelck een groete ondanckbaerheyt was van den graef Willem van Hollant, want hy niet
gedenckte die doechde die hem van dese edele heer Wouter van Egmont geschiet was.
Als nu heer Wouter aldus gevanghen ende naerstelicken bewaert worde, soe syn gecomen vier Broeders uit een huys tot Egmont, als Jan, Cornelis, Pieter ende Jacob, als schiltboertighe vrome mannen ende syn gecomen op sinte Ponciaansnacht (14 januari) mit bylen, cusen ende codden voert huys te Hemskerck makende in der nacht alsoe groet misbaer ende rumoer dat die wakers opt huys meenden datter die hele werelt voer geleghen hadde ende hebben elx een veynster gesocht om een goet heen comen te vercryghen; dit siende die vier broeders syn altesamen bey nae gelyckelick te venster ingheclommen ende hebben daer vyfthien wakers doot geslaghen ende hebben hoere heer van Egmont losgemaect ende hebben hem inder selfde nacht tot Egmont gebrocht. Ende heer Wouter van Egmont heeft dese vier Broeders eelmannen gemaeckt, gegeven hebbende een ygelick van dese vier broeders eenen naem ofte titel, te weten:
- Jacob heeft hy genoempt Jacob van de Camer, want Jacob alder eerst gesprongen ende gecomen is in die camer daer heer Wouter van Egmont in gevangen lach,
- ende Jan heeft hy genoempt Jan Byl, want hy meest die byl bebruyct hadde, - ende Cornelis heeft hy die naem ofte tytel gegeven Cornelis Clopper, ende dat daerom dat hy seer geclopt hadde,
- ende Pieter noemde hy Pieter Codde, want hy meest die codde of die cuse gebruyct hadde, ende dese familien ofte nacomelingen houden noch elck synen naem ofte tytel.
Als graef Willem dit verhoort heeft, is seer gram geweest ende heeft heer Wouter van Egmont seer lastich geweest, ende die Abt heer Franco (die dit spul gerockent hadde) is int selfde jaer gestorven. Ende heer Wouter voerszeyt heeft syn huys veel schoender gemaeckt dan te voeren was, ende hy wan by syn huysvrou een soen die hy Gerit noemde. Ende hy gaf hem nae tot vreden ende is corts daer aen gestorven int jaer ons heeren xij.c ende viii den xii dach van december (12 december 1208), als hy mit syn oem heer Dodo die heerlicheyt van Egmont xL. (40) jaer geregiert hadde ende is begraven in die buyrkerck tot Egmont ende Clementia starf oick int selfde jaer op sinte Silvesters dach (31 december) ende is by haer man begraven.
_____
*1): Vlg. Hovaeus 1215.
Detmold L3 nr. 429 fol. 128V.
Dese heer Wouter van Egmondt ridder wan bij sijn wijff twe zonen die beijde ridders waren Als heer Willem ende heer Gherit van Egmondt Van dese heer Wouter van Egmondt staet gheschreven in die croniiken van Hollant want hij dede groet hulp graeff Willem van Hollant teghens Lodewijck den graeff van Loon En hij sterff int jaer ons heren M. CC. en viij op die xiij dach in septembri (13 september 1208)
Brussel 6049 fol. 1231.
Walterus de Egmonda, cognominatus die quade Wouter, filius Allardi militis*1), secundi advocati Egmondensis*2), genuit Wilhelmum et Gerardum, milites de Egmonda, qui obiit*3) anno domini mccviiio, xiiia die Septembris (13 september 1208) et sepelitur in Egmonda.
_____
*1): Het Haagse handschrift vermeldt verschillende bijzonderheden over Wouter.
*2H): secundi advocati Egmondensis: filii secundi Berwoldi primi advocati Egmondensis, qui.
*3H): Obit autem Walterus.
Utrecht Nr. 7a. Alleen genoemd bij Aellert.
Brussel 18307.
Wautier, seigneur d'Egmond, chevalier. Il mourut l'an 1208 le 13 jour de septembre et gist a Egmond. Il espousa Clementia, fille du comte de Gueldres, de laquelle il procrea
1. Guillaume, qui suit.
2. Gerard d'Egmond, (etc)
3. Hetwige Egmond, espousa Guillaume de Teylingen, chevalier (fils de Hugue Teylingen et de la fille de Daniel Meerwede). Il mourut l'an 1244*4).
_____
*4): Het aangegeven wapen van Willem van Teylingen is een klimmende leeuw
met daaroverheen een lambel.
Dek
Hij komt voor onder de "homines comitis" bij het vredesverdrag met Brabant van 3 november 1200. Hij schonk met Antonius de Gelman het goed Albrantswaart in het land van Putten aan de abdij Ter Does (Ter Duinen), hetgeen in 1201 werd bevestigd door graaf Dirk VII van Holland. Als partijgenoot van graaf Willem I vocht hij in de Loonse oorlog (1204-1205) aan het hoofd der Kennemers, samen met Banjaert, de heer van Sint Aagtenkerke te Beverwijk. Zijn kasteel op de Hoef werd in die tijd door de vijand verwoest, het is later weer opgebouwd. Op 7 juni 1573 werd het door Sonoy geheel afgebrand, in verband met de Spaanse aanval op de stad Alkmaar.
Er leefden ten tijde van Wouter I meerdere leden van het Geslacht van Egmont met de voornaam Wouter. Het is dus zaak de éne Wouter niet met de andere(n) te verwisselen.
Overleden
13 september 1208 op 40-jarige leeftijd.
In 1836 werden bij het opruimen van de ruïnes van de Buurkerk drie sarcofagen aangetroffen. [Jrb. Alkmr. 1968 blz. 122].
Zoon van
Aalbert (Allaert) I van EGMONT 10e Heer van Egmont van 1114 tot 1168 (zie
X) en
Anthonette van HENEGOUWEN,
Mogelijk was zij een dochter van Graaf Herman van Bergen ovl. 1050. Diens weduwe Richildis huwt 2e in 1051 met Boudewijn VI v. Vlaanderen (1039- ovl. 1071). Hij volgt op als Boudewijn I van Henegouwen.
Gehuwd.
Stel geboorte van Wouter 1168+16=1184 met
Klementona (Mabelia) van GELRE,
Volgens Gumbert Hendrik II van Gelre en Agnes van Arnstein.
Dek noemt alleen Mabilia.
Overleden
31 december 1208, begraven
Buurkerk, Egmond Binnen, dochter van
Hendrik Graaf van GELRE (? 1141-1182) en
Schwade van BRABANT.
Wouter II 14e (Heer) van Egmont van 1217 tot 1234.
Vlg. Dek trad hij in 1221 te Antwerpen op als getuige van Graaf Willem I en
stierf hij vóór 23 juni 1223. Mogelijk is hij een en dezelfde persoon als Wouter die in februari 1221 getuige is bij de huwelijksgift die Hertog Hendrik van Brabant doet t.b.v. het huwelijk van zijn dochter met Conrardus Eper. [RA Brussel Chartres de Brabant nr. 21, Bergh OH I - 283, Bijdr. en Meded. Hist. Gen. 34 blz. 487].
Overleden
voor 23 juli 1223.
Aarnout.
Niet genoemd door Dek*a)
*a) Volgens Egmondonorum Bockenberg p. 27 (1589), was Wouter I de vader van
Abt Hendrik I (1226/30). Deze schenkt december 1226 de Advocatuur over de Abdij in Erfelijk Leen aan Willem I. [Zie Hfdst. 41]!!!!!
Hij wordt ook genoemd als (Schild)knaap van Abt Hendrik v. Egmont.
Of de Abt v. Egmont er een schildknaap op na hield is onbekend. Knape is wel de titel voor een niet geridderde leenman.
Halewine.
Gehuwd met
Willem van TEYLINGEN Heer van Leilinge (Teylingen).
Overleden
1244, zoon van
Hugo van TEYLINGEN en
NN van de MERWEDE.
Sybrant,
Vlg. J. Kok Vaderlandsch woordenboek.
Willem I van EGMONT 15e (13e) Heer van Egmont.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIc. ende XXXIIII. den XVIIen. dach In Meij wert heer Willem heer van Egmont. heer Wouters zoon verslaegen op stadinger lant die doe ongelovich waren. en die paeus hadde tcruijs daerop geheven. ende hij hadde X. Jaer geregeert.[Woutersz. fol. 8 (67) + **]
Vrij vertaald: Willem sneuvelde 17 Mei 1234 en regeerde 10 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Helm met scharnierbaar vizier en kinstuk.
2. Een gem op de borst.
3. Groen onderkleed.
4. Opgeheven zwaard.
5. Puntsporen.
6. Wapenrok van veren.
van der Schelling
Willem eerste Zoon van Wouter de Ie de XIIIe Heer van Egmond, troude tegen de zin van zijn Moeder de schone Jonkvrow Badeloge, Dogter van de Heer van Amstel en Ysselstein, bij welke hij heeft gehad twee kinderen, Gerard en Maria, jong gestorven. Hij was een braaf en strijdbaar Prins. Hij is gedood in het land van Stadingen te Bremen, een gestrafte of martlaar om 't Geloof den 17 Meij 1222. Hij heeft geregeert 10 jaaren, en legt te Egmond in de Kapel van Ste Katharina, door hem gestigt.
Woutersz blz. 24R.
Willem, die eerste van dier naem, die XV. (15) heer tot Egmont ende hy was een cloeck fris man, die anders niet en begheerde dan te oerloghen. Hy nam te wyve Vrou Gadeloech, die seer schoen was, die welcke hy genomen heeft teghen syn moeders wille ende was een dochter van die heer van Aemstel*1) Hy wan by haer een soen genoempt Gerit, die nae hem heer worde. Dese heer Willem was oeck een devoet man ende gaf hem weder onder den abt Lubertus syn oem*3) ende hy worde een vriendt ende beschermer van die Abdie van Egmont. Dese goede heer fundeerde ende dede wyen een capelle voer syn huys van Egmont in die eere van Sinte Catherina int jaer ons heeren xiic. ende xxix. (1229) ende hy dede daer inne alle dage lessen een misze.
Int jaer ons heren xiic. ende xxxiiij. (1234) trock heer Willem van Egmont mit veel edele heeren nae Stadingherlant, want die Stadinghers ongelovich waren ende die Pauws Clemens*4) hadde daer tcruys op gerecht ende daer worde dese edele heer na veel scharmutsinghen int selfde jaer op ten xvii dach in mey (17 mei 1234) verslagen ende syn hart worde tot Egmont gebracht ende worde begraven in die Capelle die hy gefundeert hadde ende hadde x. (10) jaer*2) gheregiert ende vrou Gadeloech starf int jaer xiic. xliiij. den v. dach in mey (5 mei 1244) ende is in die capelle by haer mans hart begraven.
_____
*1): In de marge staat bij Woutersz: Dese heer van Aemstel was mede heer van Iselsteyn, als die cronyken van Hollant verclaren.
*2): Vlg. Hovaeus 12 jaar.
*3): Oem moeten we niet altijd met oom (broer van vader of moeder) vertalen.
*4): Paus in 1234 was Gregorius IX 1227/41. Pausen met de naam Clemens zijn o.a. Clemens III 1187/91. Clemens IV 1262/68.
Brussel 18307.
Guillaume, seigneur d'Egmond, chevalier, il fonda le chapelle sur chateau d'Egmond l'an 1229. Il mourut combattant contre les herticques de Stadinghen l'an 1234 le 17 jourde may. Il espousa Badeloch, fille d'Engelbert, seigneur d'Amstel. Elle mourut l'an 1244 le 5 jour de may et gist en la chapelle du chasteau, de laquelle il procrea Gerard, qui suit.
Brussel 6049 fol. 124.
Wilhelmus, filius Walteri de Egmonda miles, qui genuit ex Badeloch uxore sua Gerardum de Egmonda, militem sibi succedentem. Iste Wilhelmus obtinuit certis litteris nonam infeudationem super advocatia monasrerii Egmondensis ab abbate Egmondensi. Hic in bello contra Stadenes infideles corruit anno
domini mccxlviii, quinto Kalendas Maii. (5 mei 1248)
Arnoldus filius Walteri, filii Gerardi, genuit Gerardum et quendam bastardum Walterum, Frisonem dictum, militem baillinum Kenemariae. Iste autem Arnoldus*1) obiit anno dominum mcclxxvii, viia Julii. (7 juli 1277).
Walterus Friso genuit Ysbrandum, monachum Egmondensem, Walterum de Egmonda, dominum Arnoldum et Wilhelmum. Gerardus autem filius Arnoldi genuit Theodricum Screvelt, abbatem Egmondensem, qui Gerardus obiit anno domini mcccxxxiio (1332) sepeliturque in monasterio Egmondense cum parentibus suis in loco camterii*2), quod dicitur paradisus. Occiso autem Wilhelmo de Egmonda, milite apud Stadensis, sicut superius dictum est, successit ei Gerardus de Egmonda miles, filius suus, qui genuit ex Mabelia uxore sua Wilhelmum sibi succedentem et Sophiam, uxorem*3) Jacobi de Wouda militis, qui obiit anno domini mcccixo. (1309).
_____
1H): Arnoldus de Egmonda.
2H): caniterii.
Het Haagse handschrift II wijkt hier sterk af.
3) : In het Brusselse handschrift ontbreekt uxorem.
Utrecht Nr. 7a.
Dese heer Willem van Egmondt ridder hat een wyff die Badeloch hiet, daer hy bi wan heer Gerrit ridder ende heer van Egmont anno mccxxvi. (1226) Soo verwierft dese heer Willem die Advocaty van dat clooster tot Egmont erffelick te besitten met deselve goederen daer aenclevend, daer hem die Abt Henrich enen openen brieff verleende.
Dese timmerde die cappel voor thuys tEgmont, anno mccxxviiii. (1229) wert hy verslegen in den stryt van ongelovigen in Stadingerlant.
Syn wyff sterft anno mcc acht ende veertich, den vyfden Mey, (5 mei 1248).
Detmold L3 nr. 29 fol. 128V.
Dese heer Willem van Egmondt ridder had een wijf die badeloch hiet daer hij bij wan Heer Gherit van Egmondt ridder. Int Jaer ons Heren M.CC.xxvi (1226) so verwierf dese heer Willem dat hij die advocatie van dat cloester tot
Egmondt erflick soude besitten mit die selfde goeden die daer aen cleefden. En daer gaff hem die abt Henrich van een open leenbrieff. Dese timmerde die capell voer dat huijs tegenover. Int Jaer ons Heren M.CC.xxxiiij (1234) so wert hij versleghen in die strijt van die onghelovighen in Stadinger lant.
Sijn wijff sterff int Jaer ons Heren M.CC. xLviij quinto siat Maij (5 mei 1248).
Dek
Vermeld op 28 augustus 1215 en in juli 1221 in het gevolg van de Hollandse graaf.
Overleden
17 mei 1234.
Als zijn sterfdatum noemen Dek en Woutersz. 17 mei 1234. Van Alkemade noemt 17 mei 1222. Het Necr. Baldewinus noemt 18 mei 1234.
Willem sneuvelde in een veldslag tegen de Stadingers. [ook vermeld in Tabula].
Paus Clemens had hiertoe opgeroepen. Dit is onduidelijk want Paus Clemens II overleed in 1191. Van 1227 tot 1241 was Gregorius IX Paus.
De Stadingers waren voor zover ik dat kan nagaan Saksen.
Begraven
Egmond aan den Hoef, Katharinakapel.
In 1229 Sticht hij de Katharinakapel (Slotkapel). Volgens Dek gewijd 8 oktober 1229 door Herman, Bissch. van Leona*a), Wijbissch. van Willebrant, Bissch. v. Utrecht in opdracht van zijn zoon Gerard. Dit is vreemd want Gerard kan weliswaar 17 tot 21 jaar oud geweest zijn maar men zou verwachten dat Willem als opdrachtgever zelf deze wijding zou hebben laten verzorgen.
Volgens Woutersz. werd alleen het hart van Willem in de door hem gestichte
kapel begraven. Dit kwam in die tijd meer voor. Men liet het stoffelijk overschot op het slagveld achter (begroef het) en nam alléén het hart mee naar huis. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het ook voorkwam dat men de gesneuvelde niet meer kon vinden en een willekeurig hart mee naar huis genomen werd. [Bijdr. Hist. Gen. Utr. 35 blz. 61].
_____
*a): Leona = Luik.
Zoon van
Wouter I (Kwade Wouter) van EGMONT 12e Heer van Egmont van 1168 tot 1208 (zie
XI) en
Klementona (Mabelia) van GELRE,
Volgens Gumbert Hendrik II van Gelre en Agnes van Arnstein.
Gehuwd
voor 1212.
De moeder van Willem die in 1212 overleed, maakte bezwaar tegen dit huwelijk. Hieruit volgt dat Willem vóór 1212 gehuwd moet zijn.
Van bezwaar van de zijde van zijn vader was geen sprake. Deze overleed in 1208. Zijn vader werd geboren in 1168. Stel dat hij op 18 jarige leeftijd huwde, dus in 1168+18=1186, dan werd Willem dus na 1186 geboren. In 1208 was hij dan 22 jaar oud. Hij werd 1234-1186= max. 48 jaar oud.
De bezwaren van zijn moeder (Clementina van Gelre) hadden waarschijnlijk te
maken met het standsverschil. Zowel de Heren van Egmond als de Graven van Gelre behoorden tot de Hoge Adel. De Heren van Amstel waren ministerialen (niet vrije dienstmannen) van de Bisschop van Utrecht. Door een dergelijk huwelijk nam het aanzien van de familie af.
Door het huwelijk van een zoon van een edelman met een niet vrije vrouw, verkreeg deze zoon een lagere status dan die van zijn vader.
Welke Heer van Amstel de vader van Badeloge was, is niet helemaal duidelijk.
In de marge bij Woutersz. staat dat de vader van Badeloge volgens de Cronyken van Hollant, mede Heer van Ysselstein was.
Stel dat Badeloge in 1212 16 jaar oud was, dan werd zij geboren in 1212-16=
1196. In 1196 was Gijsbrecht II (~ 1175-1230) Heer van Amstel. Vermoedelijk
gehuwd met een Vrouwe van Schalkwijk. [Th. van Amstel in de Heren van etc.]
Zijn vader Gijsbrecht I was mogelijk gehuwd met een Vrouwe van Benschop uit
wiens bezit ook Ysselstein (met de toen nog niet gebouwde burcht) stamde.
Gouthoeven stelt op blz. 191: Hr. Engelbert (van Amstel) die wan Vrouwe Badeloge, heer Willem van Egmonts wijf. Br. 18307 noemt Engelbert van Amstel.
Engelbert of Egbert wordt vermeld ~ 1105-1172. Zijn zoon was Gijsbrecht I, vermeld ~1145- ┼ na 1188. Zij komen dus niet in aanmerking.
Echtgenote is
Badeloge van AMSTEL.
Dek noemt geen familienaam.
Overleden
5 mei 1244.
Vlg. Dek 27 april 1244. Begraven
Egmond aan den Hoef, Katharinakapel.
Necr. Bald. 27 april 1244. Dochter van
Engerlbert van AMSTEL en YSSELSTEIN Heer van Amstel en Ysselstein.
Maria van EGMOND.
Jong Overleden. Zij was kennelijk de oudste. [Zie ARA Egm. Inv. 3 fol. 23 Reg. 22]. [Hovaeus]. Niet vermeld bij Dek. Zie Koch nr. 341 (1213).
Gerrit II van EGMONT 16e Heer van Egmond van 1222/34 tot: 1242.
Kennelijk na 1213. [Zie ARA Egm. Inv. 3 fol. 23 Reg. 22.].
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIc. ende XLII. den XXVen. dach In Decembri starf heer Gerrijt heere van Egmont heer Willems zoon. dese hadde twee mael theijlige graff versocht. ende erffde die heerlicheijt van Egmont op zijn broeder Willem doe hij VIII. Jaeren geregeert hadde.[Woutersz. fol. 8V (68) + 24].
Vrij vertaald: Gerrijt stierf 25 december 1242 en regeerde 8 jaar.
Hier staat erffde die heerlcheijt van Egmont op zijn broeder Willem.
In de kroniek staat duidelijk dat hij opgevolgd wordt door zijn zoon Willem II als hy vant heylige lant thuys gecomen was.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed met juweel en drie veren.
2. Borstsieraad.
3. Gem op rechterborst.
4. Zwaard met vogelkop. Dit soort zwaarden zien we ook bij de Romeinen.
5. Fladderende wapenrok. Groen onderkleed.
6. Stersporen.
van der Schelling
Gerard de IIe Zoon van Willem de Ie. de XVIe Heer van Egmond, troude de schoone Jonkvrouwe Elizabet, Dochter van de Heer van Montfoort, en kreeg een Zoon. Hij was een zeer vroom, Godsdienstig, en deugdzaam Prins *** in het Heijlige Land, en stierf als hij voor de tweedemaal wederkerende in een schipbreuk digt bij Kandia, den 25 December 1242. en legt begraven bij de Minderbroeders in gemelde Kandia, na dat hij geregeert had agt jaaren.
Woutersz blz. 24R+V.
Gerit, die twede van dier naem, heeren Willems soen worde die xvi (16) heer tot Egmont. Hy nam te wyve Elizabet, des heeren dochter van Montfoert, want hy om haer schoenheyt seer verlieft was. Dese heer was oeck een getrouw vriendt vander abdie van Egmont. Hy wan by syn huysvrou een soen die hy dede na syn heer vader noemen Willem, ende heeft twemael dat heylige graf te Jherusalem versocht ende als hy die twedemael soude, nam hy mede syn huysvrou ende syn soen Willem ende als sy tot Melanen quamen om nae Venegien te trecken, is hy gelogeert geweest by den Hartoghe van Melanen, die een suverlicke schoene dochter hadde, Blanca Maria genoempt, ende dese dochter siende dat Jonckar Willem van Egmont een schoen liefuelick iong man was, is mit synder liefde ontsteken geweest ende heeft dit den Hartoghe hoer heer vader te kennen gegeven, die hier af Heer Gerit van Egmont, Jonckar Willems heer vader, gesproken heeft, ende sy syn eens geworden ende hebben daer mit groete tryumphen die bruloeft gehouden ende daer nae is Blancka Maria mit haer gevaren nae Jherusalem om heylighe graf te versoecken ende als sy nu mit malcanderen daer geweest hadden ende wederom quamen, soe ist geboert dat die patroen vantschip most te Candien aen varen om victalie te halen ende int ancomen is dat schip in die haven gebroken ende altvolck is verdroncken, uitgeseyt acht menschen.
Jonckar Willem van Egmont, menende dat syn heer vader heer Gerit van Egmont hem selven wel helpen mochte, heeft geholpen syn vroumueder en syn huysvrou, dat sy gebercht syn geweest ende syn heer vader is verdroncken, ende sy hebben hem altesamen seer beschreyt ende hebben hem mit groeten rouwe tot Candien*1) begraven int minnebroeders clooster int jaer ons heeren xiic ende xlii den xxv. dach van December (25 december 1242), Als hy viii (8) iaer geregiert hadde.
_____
*1): Candien = Kreta.
Omdat er onduidelijkheid bestaat over de echtgenote van Gerrit II, volgt hieronder de tekst van het komplete blad van het Detmoldse en Brusselse handschrift.
Detmold L3-429 fol. 129V
Dese heer Gherit van Egmondt die ridder was, die reijsden ten heijlighen
grave tot Hierusalem Sijn wijff was ghenoemt Mabelia daer hij bij wan heer Willem van Egmondt ridder ende Sophiam die heer Jacob van Wouden wijff was Heer gherit die sterff int jaer ons heren M.cc.lxij op den twijntichsten dach in april (20 april 1262).
Brussel 18307.
Gerard, seigneur d'Egmont, chevalier, fit deux fois le voyage de la Palestine, ou il mourut l'an 1242 le 8 jour d'janvier. Il espousa Mabelia, fille du seigneur d'Abcoude. Elle mourut l'an 1262 le 12 jour de may; de laquelle il procrea Guillaume, qui suit cy-apres, et Sophia, qui suit.
Sophia Egmond, femme de Jaques van Woude, chevalier, seigneur de Warmont (fils de Jaques van Woude, chevalier, et de la fille du seigneur de Warmont). Il mourut l'an 1303, elle mourut l'an 1309.
Brussel 6049 fol. 124-1.
Gerardus pater eius obiit domini, mcccxliio, die xxva Decembris (25 december 1342)*1), et uxor eius Mabelia obiit anno domini mcclxii, die xxa mensis Aprilis (20 april 1262).
_____
*1): Dit moet een schrijffout zijn.
Utrecht Nr 7a.
Dese heer Gerrit van Egmont ridder reysde ten heyligen grave te Jerusalem. By syn wyff Mabelia wan hy heer Willem van Egmont ridder ende Sophiam, die Heer Jacop van Wenden wyff was. Heer Gerrit sterft anno mccxlii den 20 April (20 april 1242).
Dek
Bezocht het Heilige Land en liet op 8 oktober 1229 een kapel wijden in het Slot op den Hoef. Hij had uit het eerste huwelijk een zoon en (onbekend uit welke vrouw) een dochter.
Overleden
25 december 1242 Bij Kandia t.g.v. Schipbreuk.
Op zijn heenreis naar het Heilige Land in 1242 logeerde hij op weg naar Venetië bij de Hertog van Milaan. Daar leerde zijn zoon Willem II de dochter van deze Hertog kennen. Hij huwde haar en zij ging mee naar Jeruzalem.
Op de terugweg leed Gerrit II schipbreuk te Kandien (Kreta), waarbij hij om het leven kwam.
Willem II was in 1242 kennelijk nog minderjarig, want hij staat zeker tot 1248 onder voogdij van Wouter Stoutkind.
Begraven
Kadia, bij de Minderbroeders.
Het Necrologium vermeldt op Ddecember B (=25) Gerardus (yyy), miles de Egmonda, anno Mo CCo xlij (=1242), qui dedit II libras annuatim. (yyy) = vlg Wijn: "Miles de Egmunda," i.e. Dominus de Egmunda. [Conf. Bockenbergh Dynast: Egmunde, pag. 42].
Mogelijk hebben de nabestaanden alsnog een schenking gedaan om Gerrit te herdenken. De Tabula vermeldt hem als gestorven in 1242. Hij had jaarlijks 2 pond geschonken voor liefdadigheid.
Zoon van
Willem I van EGMONT 15e (13e) Heer van Egmont (zie
XIIa) en
Badeloge van AMSTEL.
Gehuwd.
Vlg. Dek huwde hij 1e met Beatrix van Haarlem ┼ **. [vlg. Oorkondenboek II-106].
2e met Mabilia ┼ 20 april 1262*1).
Over Beatrix heb ik niets terug kunnen vinden. Mabilia komt voor in het
Necrologium van Baldewinus op 20 april 1262, zij schenkt 30 schellingen/Jr.
_____
*1): Br. 18307 noemt Mabelia dr. van de Heer van Abcoude.
Echtgenote is
Elisabet van MONFOORT.
Overleden
12 mei 1262.
Vlg. Beelaerts van Blokland 20 april 1262. Dochter van
NN van MONFOORT Heer van Montfoort,
De Burggraven van Montfoort waren oorspronkelijk onvrije leenmannen van het Sticht. Zij beheerden de Stichtse Burcht Montfoort die ~ 1170 door Bisschop Godfried van Rhenen werd gebouwd. Reeds in de 13e eeuw werd de functie van Burggraaf erfelijk. Zij verwierven met Hollandse steun een belangrijke plaats als "Hoge Heren" van Montfoort. Dit Geslacht vervulde een belangrijke rol in de Hoekse en Kabeljauwse Twisten. Zij kozen de Hoekse zijde. Wanneer we het wapen bezien, zoals bij van Alkemade (drie molenijzers), dan waren het afstammelingen uit het Huis Rovere. De gemeente Montfoort voert als gemeentewapen een zilveren schild beladen met een rode burcht met aanweerszijden een zwart molenijzer. [Kl. Sierksma in Gemeentewapens].
(?)Dirk.
Dirk wordt vermeld in het handvest van Graaf Floris t.b.v. Dirk van Wassenaer. [J. Kok].
Willem II van EGMONT 17e Heer van Egmont van 1242 tot 1304.
Hij stond tot zeker 1248 onder voogdij van Wouter Stoutkind. [Dek, Bergh OH
I - 484] Daaruit volgt dat Willem II pas na 1248 meerderjarig werd en dus in ~ 1232 geboren werd. In 1242 was hij ~ 10 jaar oud. [Bergh OH I - 580]
In 1242 was dus sprake van een kinderhuwelijk. Het zakelijke instinct van de ouders zal doorslaggevend zijn geweest bij het totstandkomen van dit huwelijk.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIIc. ende vier. den XXIXen. dach In Maerte. starf heer Willem heere van Egmont heer Gerrijts broeder doe hij LXII. Jaer geregeert hadde.[Woutersz. fol. 9 (69) + 24V]
Vrij vertaald: Willem stierf 29 Maart 1304 en regeerde 62 jaar.
Opvallend is de schrijfwijze van het jaartal XIIIc. ende vier i.p.v. XIIIc. ende IV. en de aanduiding heer Gerrijts broeder, die gewoonlijk gebruikt wordt voor een jongere broer.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed met juweel.
2. Gevlochten baard.
3. Hellebaard, géén zwaard.
4. Gewatteerd jack. Rood onderkleed.
5. Puntsporen.
van der Schelling
Willem de IIe, Zoon van Gerard de IIe. Heer van Egmond, troude Ada Blancha Maria, Dochter van den Hertog van Milanen, Prins van St. Piere, gelogeert in het Paleijs vande welgemelde Hertog op zijn tweede reijs van Jeruzalem, bij welke hij gehad heeft een Zoon Gerard, en twee Dochters, Aleid getroud met de Heer van Ligtenburg, en Helena die de Vrow is geweest van den Burggraaf van Leijden; Hij was een onvertraagd ende strijdbaar Prins. Hij is verkoren tot Generaal en Stadhouder vande Graven van Holland, Zeeland, ende Heerlijkheid van Vriesland, geduerende de minderjaarigheid van dezelve. Hij is gestorven den 29 Maart 1304, hebbende geregeert 62 jaaren, en begraven inde Abdije.
Woutersz blz. 24V+25R.
Willem , die twede van dier naem, als hy vant heylige lant thuys gecomen was, worde die xvii (17) heer tot Egmont, hebbende te wive Blanca Maria, die dochter vanden groeten Hartoghe van Melanen. Dese heer was by graef Floris van Hollant als hy van Gerrit van Velsen, Heer Harman van Woorden, Gysbert van Aemstel ende Willem van Teylingen iammerlicken verraden ende vermoordt worde; ende hy heeft oeck mitten Kenmaers dese verraders ende moorders gevangen ende heeft dat huys tot Muyden ende tot Cronenburch (dat Gerit van Velsen toe behoorden) neder geworpen. Ende Graef Floris van Hollant hadde altyt dese heer Willem van Egmont seer lief ende maecte hem stadhouder van Hollant, Zeelant ende Vrieslant, ende heeft hier af brieven gegeven ut Aelberts berch ano. xiic . ende lxxxiii. (1283) Dese heer Willem van Egmont wan by syn huysvrou Blancka Maria (die men oeck Ada van Melanen noemde) eenen soen, Gerit genoempt ende twe dochteren, Aleyt die getrouwt hadde heer Jacob van Lichtenberch, ende Helewina die getrouwt hadde heer Henrick Burchgraef van Leyden. In desen tyden als int Jaer ons heeren xiic. ende xcvi (1296) was een Roese genoempt Claes van Riete *1), geboren van Sparewoude, ende hy was alsoe groet dat die groetste man in Hollant onder syn armen mochte doer gaen, ende syn schoenen waren alsoe groet dat vyf
gemeente mans voeten gelykelic daer in gaen mochten: die vrouwen ende die kinderen waren seer vervaert van hem, want sy en dorsten hem niet aensien dan van achteren. Ende dese heer Willem van Egmont heeft dese Claes van Rieten op genomen. Ende int Jaer ons heeren xiic. ende xcvi (1296) als heer Willem, mit heer Henrick den Burchgraef van Leyden, heer Dirick van Brederoede ende den Abt van Egmont in Engilant trock, heeft hy hem mede genomen, daer hem die Engilschen seer af verwonderden, ende dese vier heeren syn vanden Coning van Engilant Eduwaert seer vriendelicken ontfangen ende sy hebben Jonckar Ian, Graef Floris' soen van Hollant, ut Engilant gebrocht in Zeelant, als hy des Conings Eduwaerts dochter van Engilant
getrouwt hadde, ende is hier nae gehult Grave van Hollant, Zeelant ende Heer van Vrieslant; ende hy starf corts daer nae tot Haarlem sonder kinderen ende dat Graafschap van Hollant ende Zeelant ende Vrieslant starf an die Grave van Henegouwen. Ende heer Willem van Egmont seer oudt wesende starf int Jaer xiiic. ende iiii den xxix dach van maert (29 maart 1304), als hy lxii (62) iaer*2) geregiert hadde, ende is in die Abdie van Egmont begraven ende syn huysvrou starf voer hem int iaer xiic. ende xcvi (1296).
_____
*1): Het verhaal over de reus is ook te lezen in Gouthoeven Jrb. Amst. nr. 29.
*2): Vlg. Hovaeus 64 jaar.
Brussel 18307.
Guillaume, seigneur d'Egmond, chevalier, qui mourut l'an 1304 le 4 jour d'avril. Il espousa Ada, fille du prince de Milan. Elle mourut l'an 1293 le 10 jour d'janvier, de laquelle il procrea
1. Gerard, seigneur d'Egmont, qui suit.
2. Halewina, (etc)
3. Maria, (etc)
Detmold L3 nr. 429 fol 129V en 130R.
Dese heer Willem van Egmondt hadde een wijff die ada hiet dar hij bij wan een zoon die ghenoemt was heer Gherit van Egmondt ridder doe graeff floris van hollant versleghen was van gherit van Velsen doe reijsde dese heer Willem in engelant mit heer diderick van brederode en mit andere heren ende haelden vuijt engilant jonckar Jan die een zoon was van graeff floris voerszijt Ende die wort doe grave van hollant Ende heer willem sterff int Jaer ons heren M.ccc en iiij op die twijntichsten dach in maert (20 maart 1304) en leijt int cloester tot egmondt begraven bij ada sijn wijff die ghestorven was int Jaer ons heren M.cc.xcvi (1296)
Brussel 6049 fol. 124 1.
Wilhelmus, filius Gerardi de Egmonda miles, qui genuit ex Ada uxore sua Gerardum de Egmonda militem. Obiit autem Wilhelmus*1) praedictus anno domini mccciiii die xxa mensis Martii (20 maart 1304). Et Ada uxo reius obiit anno domini mccxcvi (1296), sepulta in monasterio Egmondensi.
Anno domini mcclxxxii (1282) dominus Wilhelmus de Egmonda obinuit unum vidimus a comite Hollandiae Florentio, cuius tenor talis est: Nos Florentius comes Hollandiae notum facimus universis presentia visuris vel audituris, quod coram nobis venit fidelis noster Wilhelmus de Egmonda miles et ostendit nobis cum hominibus ecclesiae et litteris monasterii Egmondensis eum feudali jure tenere libere a praefato monnasterio omnem jurisdictionem altam et bassem inter Anemersweet et Wymnemersweet. Ulterius*2) ostendit nobis cum hominibus nostris et vera cognitione, quod ipse*3) in doma sua prope Rynnegom super mansum suum, ubi domus sua situata est, retinere libere potest nostros epules, dum modo cum rapines et incendiis damnum nobis non inferunt neque terris nostris. Sed in aliis locis dominii sui in Egmonda non protest eos retinere, cum tamen omnes alii jurisdictiones sibi libere pertineant, sicut dictum est.*4) Et quita ista ostensio in veritate coram nobis facta est, ideo recognoscimus pro nobis et pro tota posteritate nostra eam sigillatam esse sigillo nostro. Datum apud Aelbertus Berghe anno domini mccolxxxiiio (1283). Porra ista cedula habetur in Theutonico consimuli sensu, sicut hic ponitur in Latino.
_____
*1 ): H II 32 1 noemt: Dese heer Willem starf int jaer 1298.
*2H): ulteris.
*3H): ipsae.
*4 ): Het 2e Haagse handschrift geeft de verschillende bepalingen minder
volledig weer.
Utrecht Nr 7a.
Dese heer Willem van Egmont ridder wan by syn wyff, Ada van Loen genoemt, heer Gerrit van Egmont ridder. Doen graeff Floris van Hollant verslegen was van Gerrit van Velsen doen reysde dese heer Willem in Engellant mer heer Dirck van Brederode ende ander heeren ende haelde uit Engelant joncker Jan, graeff Floris voirsegde soen ende die wort doe grave van Hollant ende heer Willem sterft int jaer ons heeren mccciii, den XXen dach Maert (20 maart 1303) ende leyt begraven tot Egmont int clooster by Ada syn wyff, die gestorven was int jaer ons Heeren mccxcvi (1296).
Dek
Volgde in 1242 zijn vader op onder voogdij van Wouter van Egmond, die nog in 1248 als zodanig vermeld wordt. Hij was een gunsteling van graaf Floris V en reisde na diens dood naar Engeland, met enkele edelen, woonde 7 januari 1297 aldaar het huwelijk bij van de jonge graaf Jan I en geleidde Jan I daarna naar zijn graafschap.
Bezittingen van Willem II v. Egmont.
Vlg. P. Beelaerts van Blokland in Ned. Leeuw 1938, blz. 28.
Overgenomen uit Dek.
Allodiaal
1. Het Huis op de Hoef alwaar hij ballingen mocht houden. [ Bergh OH II - 484]
2. Een Huis onder Oegstgeest (Oud Poelgeest?). [Reg. Gr. Floris bl. 214, vermeld als belending van Jacob v. Endegeest]*1)
3. Land te Hemert ( in Friesland bij Harlingen?). Schenkt dit 20 maart ** aan het Duitse Huis te Utrecht. [De Geer Duitse Orde II - 568 blz. 661]
Gravelijke lenen.
1. Het Ambacht en de tienden te Oud Karspel, Wadwey, Spanbroek en Oterleek.
Zie Oork. 781 van 20 mei 1290.
2. Koopt 29 april 1283 voor 250 Lb. Huisduinen en Ouddorp (oorspronkelijk behoorde dit gebied vóór 1282 tot de Zijpe/ West Frisiae).
3. 10 pont ghelts te Harlem. [Reg. Gr. Floris bl. 162]
4. 25 pont ghelts (Ambacht?) te Wermerhusen en Tutinghehorne.
4. ? 10 morgen in de Poel. [Bergh OH I - 279]
5. ? Buitengronden tussen Petten en Groet. [Bergh OH I - 327]
6. Int ambocht van Benthuzen tusschen die Wake ende de Zuette. [Fremery, sup. 309 en v. Mieris II - 356].
Abdij lenen.
1. 19 gheersen land te Rinnegom in erfhuur tegen 19 Soldi/ Jr. [Bergh OH II - 167] Schenkt dit 1268 aan de Abdij.
2. Altrudeland in Egmond aan den Hoef tegen een pacht van 3 Lb. 15 den/ Jr.
In 1228 in erfpacht gegeven aan Willem II.
In 1252 gaf Abt Lubbert hiervan 3 Lb. aan het convent. [Bergh OH I - 580].
3. Land en Rechten tussen Arem en Winnem. In 1283 bevestigd door Gr. Floris op grond van brieven die hij daarover heeft gezien. [Bergh OH II - 484].
4. Tienden te Winnem, vermeld 8 oktober 1248.[leen nr. 128]
5. Land tussen Warmond en Poelgeest, vermeld in een charter van 29 maart 1276.[Bergh OH II - **]
_____
*1): Groot- en Klein Poelgeest stonden te Koudekerk.
Conclusie
Op grond van het voorgaande kunnen we stellen dat Willem II, die ~ 72 jaar oud werd, een bewogen leven heeft gehad.
Samen met van Brederode, van Teylingen, van Voorne, Kats en van Heemskerk behoorde hij tot de vertrouwelingen van Graaf Floris V.
Men diende in die tijd in hoog aanzien te staan, een vleier of erg diplomatiek te zijn wilde men in de gunst van de Graaf blijven. Floris V ging niet zachtzinnig om met de oppositie. De Heren van Waterland (in principe zijn collega's) wist hij op geraffineerde wijze uit te schakelen.
De Heren van Amstel en van Woerden werden eveneens gebruuskeerd.
De Heer van Velsen had ook zo zijn perikelen met Graaf Floris V.
Na de moord op Graaf Floris V in 1296, moesten de edelen die deel uitgemaakt hadden van de (ondergrondse) oppositie het land ontvluchten. Hun huizen werden verwoest en hun bezittingen in beslaggenomen. Dit gebeurde door Floris-getrouwe edelen, aangevuld met een grote groep boeren. Het verhaal wil dat Floris V trouwe boeren en stedelingen tijdens zijn regering in de adelstand had verheven. Niet voor niets werd hij Der Keerlen God genoemd wegens zijn populariteit onder het gewone volk. Zijn wijze van optreden werd door de oude adel ten zeerste afgekeurd omdat hierdoor hun oude rechten in het geding kwamen.
De rol van Willem II van Egmond in deze tijden is niet helemaal duidelijk.
Ik heb nergens een bevestiging kunnen vinden dat (volgens Woutersz.) Willem II van Egmond sedert 1283 Stadhouder van Holland, Zeeland en Vriesland is geweest. Dit zou een aantal zaken kunnen verklaren.
Volgens A. Janse, in WI Florens, blz. 172, zegelde Willem van Egmond voor zover bekend in totaal 12 Grafelijke Oorkonden.
Wat wij niet uit het oog mogen verliezen is dat Willem II van Egmond naar adellijke rang in Holland de tweede plaats bezette. Het oude Geslacht van Wassenaer had mogelijk dezelfde status. De Burggraven van Leiden (van Cuyck) waren dienstmannen en van oudsher niet afkomstig uit het Graafschap Holland, evenals van Voorne en Kats. De Geslachten van Brederode en van Teylingen waren bastaardtakken uit de Grafelijke familie.
De Heren van Egmont hadden er dus véél voor over om het aanzien van de familie ongeschonden door deze moeilijke tijden te kunnen loodsen.
Overleden
20 maart 1304.
Vlg. Br. 18307: 4 april 1304. Vlg. Tabula na 18 mei 1300. Begraven
29 maart 1304 Egmond, Abdij van Egmond [Necr. Bald].
Noorder Abside naast Ada.
Zoon van
Gerrit II van EGMONT 16e Heer van Egmond van 1222/34 tot: 1242 (zie
XIIIa) en
Elisabet van MONFOORT.
Gehuwd
1242 Milaan met
Blanche Maria (Ada) van MILAAN.
Dek noemt alleen Ada.
Blancha Maria van Milaan.
De namen van de ouders van Blancha Maria worden niet genoemd, alleen dat zij in 1242 een dochter was van de Hertog van Milaan. Een handig hulpmiddel zou het wapen geweest zijn echter Brussel geeft een ander wapen aan dan van Alkemade.
Het Brusselse wapen stelt het wapen van de Visconti's voor;
Een slang met een Saracener (Arabier) in zijn bek.
Dit wapen werd mogelijk ook gevoerd door de Sforza's die de Visconti's opvolgden. Het wapen is nog te zien in de gevelsteen op Castello Sforza in Milaan.
Vlg. de Winkler Prins was een Bianca Maria Visconti (1525-1560) gehuwd met Francesco Sforza.
Volgens dott. G.M. Piazza van het Stadsarchief van Milaan was er pas in 1395 sprake van een Duke of Milan "Gian Galeazzo Visconti". Een titel gecreëerd door Duits-Koning Wenceslaus van Bohemen.
Het wapen bij van Alkemade stelt het wapen van de Milanese familie Della Torre voor. De Winkler Prins schrijft:
"Het tot de Guelven behorende geslacht della Torre dat Milaan sedert 1237 beheerste moest voor de Visconti voorgoed zwichten nadat het een laatste poging had gedaan om de signorita te bezetten (1311)".
Overleden
20 januari 1297.
Vlg. Brussel 18307: 10 januari 1293. Begraven
Egmond, Abdij van Egmond [Necr. Bald.], dochter van
NN Hertog van MILAAN Prins van St. Piere.
Halewine.
Dek: Vermeld 1266-1276.
Gehuwd met
Hendrik van CUIJK Burggraaf van Leiden, Heer van Rijnland.
Vermeld 1266-1319, ridder 1285.
Overleden
12 januari 1319, zoon van
Ridder Dirk van CUIJK burggraaf van Leiden en
Christina van OEGSTGEEST Burggravin van Leiden,
Zie Ned. Leeuw 1922. Geh. vóór 1276 vlg. Wassenaar de Oudste blz. 57.
Aleyt.
Gehuwd met
Jacob van LICHTENBERG.
Maria.
Gehuwd met
Hendrik van BORSELEN.
Overleden
1354.
Gerrit III van EGMONT 18e (Heer) van Egmont, geboren
voor 1288,
1288 Willem II (zijn vader) van Egmont vermeld samen met zijn zoon Gerard [***].
Opschrift: 18 Gerard 3 fils de Guillaume 2, xviii
seig. degmont
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. het is de meest ruwe schets van de serie.
2. Bonthoed met veer.
3. Borstsieraad.
4. Zwaard met haakvormige gevest.
5. Puntschoenen.
6. Het wapen van zijn echtgenote is niet aangegeven.
van Alkemade Nr. 18
Woutersz. heeft geen afbeelding van hem.
Let op; in het portretje heeft Gerrit een hamer in de rechterhand. Dit geeft mogelijk aan dat hij bouwheer van iets was.
Detmold L3. 429 fol. 130.
Heer gherit van Egmont ridder had een wijff die hiet elizabeth ende was des heren dochter van Stienen daer hij bij wan vier zonen als Willem, Wouter, Claes ende Jan Van Willem ende Wouter moghen wij lesen in die rechte lijnie. Mer van Jan so sij ghecomen die van meresteijn. heer gherit sterff int jaer ons heren M. ccc. vier iaer voor sijn vader En sijn wijff Elizabeth sterff int jaer ons heren M. cc. xcvij (1297)
Dat Gherit vóór zijn vader overleed is voor Woutersz. mogelijk de reden geweest om geen portret van hem op te nemen. Wel noemt hij in zijn kroniek de sterfdatum 3 juli 1312*1).
_____
1): Al eerder is opgevallen dat de onderschriften van de portretten bij
Woutersz. op enkele punten afwijken van de tekst uit zijn kroniek.
De vermelding van Jan als stamvader van de zijtak van Merenstein is eveneens opvallend en wijkt af van verschillende andere kronieken.
Het Egmontwapen met lambel impliceert niet dat het hier om een bastaardtak gaat. Ook zijtakken voerden in die tijd vaak een lambel over het volle wapen om verwarring met de hoofdtak te voorkomen (in hoofd- en zijtakken
kwamen vaak dezelfde voornamen voor).
van der Schelling
Gerard de IIIe, Zoon van Willem de IIe, de XVIIIe Heer van Egmond, troude Vrow Elisabet Dochter van de Graaf van Strijen, bij welke hij verwekt heeft drie Zoonen, Willem, Wouter, Nikolaas, en een Dochter Sophia, die de huisvrow wierd vande Heer van Warmond, Hij was een zeer sterk en strijdbaar Prins, en stierf in Julij vant jaar 1312 regeerde alleen agt jaren en legt ***
Woutersz blz. 25R.
Gerit, die derde van dier naem, worde die xviii (18) heer tot Egmont. Hy nam te wive Elisabeth, des heeren dochter van Strenen, daer hy drie soenen by wan, Willem, Wouter ende Claes, alle drie Riddern. Ende hy starf haestelicken int Jaer ons heeren xiiic. ende xii den derden dach in Julio (3 juli 1312) als hy neghendalf iaer geregiert hadde en worde in die Abdie van Egmont begraven by syn huysvrou die starf int Jaer xiic ende xcvii (1297).
Brussel 18307.
Het wapen van de echtgenote is bij Brussel 18307 en Detmold hetzelfde.
Gerard, seigneur d'Egmont, chevalier, espousa Isebeau Strijen (fille de Guillaume, seigneur de Strijen, et de Christina de Lynden). Il mourut auparvant son pere l'an 1300 le 18 jour de may. Elle mourut l'an 1296 le 16 jour de september et gissent au monastere d'Egmont; de laquelle il procrea
1. Guillaume (etc)
2. Wautier, seigneur d'Egmond, qui suit.
3. Nicolas Egmond, mourut 1335.
4. Jan Egmond, fonta le chasteau de Merenstein, proche de Beverwijck.
5. Aleyde Egmond, femme d' Jaques Lichtenberg, chevalier. Elle mourut l'an 1311.
Brussel 6049 fol. 125.
Gherardus autem, filius Wilhelmi de Egmonda, genuit ex Elisabeth de Streven uxore sua Wilhelmum sibi succedentem, Walterum, Nicolaum et Johannem. Sed Nicolaus solus fuit inter eos miles. Obiit autem Gerardus de Egmonda, miles iam dictus anno domini mcccxliiio die mensis Maij (** mei 1343) quadriennio ante partem suum Wilhelmum. Elisabeth uxor eius obiit anno domini mcccxixo (1319).
Utrecht Nr 7a.
Heer Gerart van Egmont ridder wan by syn huysvrou Elisabeth des Heeren dochter van Streven vier soonen als Willem, Wouter, Claes ende Jan. Van Willem ende Wouter moch dy lezen in rechte liny. Mer van Jan syn gecomen die van ... (Ontbreekt).
Heer Gerrit sterft int jaer ons Heeren mccc (1300), vier jaer voir syn vader, ende syn wyff Elisabeth sterft int jaer ons heeren mccxcvii (1297).
Dek
Vermeld met zijn vader in 1283, borg voor graaf Floris V in 1292, vergezelde zijn vader naar Engeland 1296-1297, trad 24 augustus 1299 op als borg van heer Jan van Renesse en getuigde op 7 november 1299 voor Jan I, maar stierf reeds voor zijn vader.
Conclusie
Gerrit III stierf vóór zijn vader. Hij was erfopvolger, dus wordt hij gerekend tot de Heren van Egmont. Hij heeft echter niet over de Heerlijkheid Egmond geregeerd. Dit is mogelijk de reden waarom zijn portret bij Woutersz. niet voorkomt. Waarom van hem wel een schilderij in het Hof te Brussel hing, is niet helemaal duidelijk.
Doordat hij niet daadwerkelijk geregeerd heeft, wordt zijn naam in slechts enkele oorkonden genoemd.
Overleden
18 mei 1300.
Dek en Brussel 18307 geven aan ┼ 18 mei 1300, dus vóór zijn vader. Ook Detmold geeft aan dat hij in 1300 vóór zijn vader overleed. Dit is goed mogelijk omdat zijn vader erg oud werd (72 jr.). van Alkemade geeft als sterfdatum ** juli 1312. Woutersz. noemt 3 juli 1312.*1).
_____
*1): Volgens Hovaeus werd hij mogelijk al tijdens het leven van zijn vader
gehuld.
Begraven
Abdij van Egmond.
Het Necrologium Baldewinus vermeld op:
Mei G (= 20) Gerardus de Egmunda, miles, laïcus, anno Mo CCCo (1300), qui
dedit x ß annuatim, et sepultus est in abside boreali Ecclesie, ad caput domini Wilhelmi, patris sui. (vermeld in de Tabula).
Juli B (= 3) Wilhelmus de Egmonda, filius Gerardi de Egmonda, militis, anno Mo CCCo xijo (1312), qui legat conuentui unam libram annuatim, et sepultus est inter Gerardium, patrem, et Elisabeth de Strenen (cc), matrem suam.
(cc)= Wijn tekent aan: Verba de Strenen in versione Belgica redduntur per "van Streenen" Fuit autem isra Elisabeth Wilhelmi, Domini regionis Striensis ('t Land van Strijen), filia: de qua viie apud Butkens, Trophées de Braband, Tom. 2, fol. 199. Strieën, Striene, Strene istius Regionis nomen olim, promiscue, scribebantur.
Zoon van
Willem II van EGMONT 17e Heer van Egmont van 1242 tot 1304 (zie
XIVa) en
Blanche Maria (Ada) van MILAAN.
Gehuwd met
Elisabeth van STRIJEN.
Overleden
16 december 1297, begraven
Egmond, Abdij van Egmond.
Het Necrologium vermeld op december G (= 16) Elisabeth de Strenen, uxor Gerardi de Egmonde, militis, anno Mo CCo xcvij (1297), qui legat xxx (30) ß annuatim, et sepulta est a latere borealj Wilhelmi, filii sui.
Het Brusselse handschrift 18307 geeft ┼ 16 september 1296. Vermeld in de Tabula.
Dochter van
(?Willem Heer van) Graaf van STRIJEN,
Vlg. Gouthoeven blz. 125 (Jrb. Amstelodamum 29 p. 57), 's Heeren dochter van Strien bij Dordrecht. Vlg. Brussel 1857 dochter van de Graaf van Oostervant., en
Christina van LYNDEN.
1.

Willem III van EGMONT
Willem III (De Goede) 19e Heer van Egmond van 1304 tot 1312.
Hij volgt zijn grootvader op als 19e Heer van Egmont.
De Goede was ook de bijnaam van Graaf Willem v. Holland uit het Henegouwse Huis (1304- 1337). [Hugenholz Tijdschr. v. Gesch. 65 (1952) p. 136/ 49]
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIIc. XII. den IIIen. dach In Julio. starff heer Willem heer van Egmont. Joncker ende nijet Ridder. doe hij VIII. Jaer geregeert hadde. ende hadde te wijve vrouwe Margriet des graven dochter van Blanckenhem.[Woutersz. fol. 9V (70) + 25].
Vrij vertaald: Willem stierf 3 juli 1312 en regeerde 8 jaar.
Opvallend is dat hier de naam van zijn echtgenote vermeld wordt.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed met twee veren.
2. Borstsieraad.
3. Enorm zwaard. Bij dit z.g. kruiszwaard fungeerde de knop als contragewicht.
4. Stersporen.
5. Groen onderkleed.
van der Schelling
Willem de IIIe, Zoon van Gerard de IIIe. de XIXe Heer van Egmond, troude Vrow Margareta Dochter van de Graaf*1) van Blankenhem. Hij stierf zonder kinderen int midden van een groot Hof van Ridderen *** doen wonende te Egmond, en dat den 3 Julij 1322. Hij heeft geregeert 9 jaaren, en legt begraven inde Abdije.
_____
*1): De van Blankenheims werden pas in 1380 graaf.
Woutersz blz. 25R.
Willem, die derde van dier naeme, worde die xix (19) heer tot Egmont ende hadde te wive Margriete, des heeren graven dochter van Blanckenhem. Ende dese here Willem was seer guet, seer barmhertich, alsoe dat hy worde geheten die guede Willem van Egmont. Hy hadde sonderling in syn leven gheen oerloghen, mer regierde tlant in groeter vreden; ende op dese tyt was Egmont schoender ende beter dan eenige steden in Hollant ende daer woenden oeck veel edele riddern ende schiltknapen, als Jan van Renesz, Henrick Creveel, Cornelis van Sonnevelt, Warnaer van Raephorst, Adriaan van Riewyck, Claes Baniaert*1), die altesamen edele rycke Jonckern waren. Ende die Coddens, die Briels, die Cloppers, die Camers*2) worden oeck onder die welgeboren mannen gerekent. Ende Int Jaer ons heeren xiiic. ende xxii*3) den derden dach in Julio (3 juli 1322) starf heer Willem van Egmont als hy x (10) iaer geregiert hadde en is tot Egmont in Abdie begraven.
_____
*1): van de Woude noemt in zijn Kroniek van Alkmaar, blz. 109, Edele huizen van: Renesse, Kranenbroeck, Krevel, Raephorst en Riedwyck.
Deze zijn allen verwoest in 1315. Kranenbroeck is verbouwd tot boerderij.
Brussel 1857 noemt hier ook Hugert Grebert.
*2): Zie Hfdst. 38 Bl. 05.********************************************
Detmold L3 nr 429 fol. 130V.
Dese Willem van Egmont enwas ghien ridder ende sij wijff was margriet van blanckenhem daer hij ghien keijnder bij en wan ende hij sterff int jaer ons heren M.ccc.xii (1312) en leijt tegmondt begraven en sij wijff sterff in dat selfde jaer ende leggen tot Egmondt begraven.
Brussel 6049 fol. 125.
Wilhelmus, filius Gerardi predicti, successit avo suo Wilhelmo de Egmonda militi, ducens in uxorem Margaretam de Blankenhem, de qua non genuit. Hic non fuit miles et obiit sine prole, anno domini mcccxiio, iiia die mensis
Julii (3 juli 1312) et sepultus*1) in monasterio Egmondensi. Et uxor eius obiit anno domini mcccxiiio (1313).
_____
*1H): sepelitur.
Utrecht Nr. 7a.
Dese heer Willem van Egmont was geen ridder. Hy en had by syn huisvrou Margriet van Blanckenhem gheen kinder ende sterft anno mcccxii (1312). Int selver jaer sterft oock syn wyff ende beyde tot Egmont begraven.
Brussel 18307.
Guillaume, seigneur d'Egmond, chevalier, espousa Margarita, fille du comte de Blancquenhem. Il mourut sans en fans l'an 1312 le 5 jour d'juillet. Elle mourut l'an 1312 et gissent a Egmond.
Kloosterstichtingen
Dit is een opmerkelijke geschiedenis.
We kunnen ons afvragen waarom Willem III in 1310 in Haarlem een kapel of klooster wilde stichten voor de Lazarieten. Een mogelijke reden hiervoor is dat zijn vrouw bindingen had met Haarlem.
Nu weten wij weinig over het Geslacht Blankenhem (of heim). Op internet komt een Duits geslacht von Blanckenheim voor.
Het wapen is een klimmende leeuw met lambel op een gouden schild. De enige die mij bekend is met deze naam is de Utrechtse Bisschop Frederik van Blankenheim ┼ 1423.
Sommige schrijvers stellen dat de kapel (of het klooster) die Willem III wilde stichten, voor de Lazaristen bestemd was.*4) Aangezien deze orde (vlg. WP) pas in 1625 gesticht werd en na 1632 haar naam kreeg, is dit niet mogelijk.
Mogelijk wordt in een oorkonde of kroniek melding gemaakt van een Lazaruskapel.
Ik ga ervan uit dat hier dan de algemene betekenis van Lazaruskapel bedoeld wordt n.l. een kapel voor zieken.
De Lazarieten of Hospitaalridders van de H. Lazarus (vlg. WP) waren een Ridderlijke/Geestelijke Orde die in de 13e eeuw werd gesticht als opvolger van een te Jeruzalem opererend religieus genootschap uit de 10e eeuw. Zij had de verzorging van melaatsen tot doel. Het is goed mogelijk dat de Lazarieten ook in Holland sympathisanten en begunstigers hadden.
Ons is overgeleverd dat de Grootmeester van deze orde dit voornemen van Willem III heeft afgewezen.*1) Zo'n afwijzing door de Grootmeester is opmerkelijk en vond slechts dan plaats indien het geschonken goed besmet was d.w.z. wanneer b.v. de schenker of de direct betrokkenen geëxcommuniceerd waren of indien de schenker niet te accepteren voorwaarden stelde.
Over Willem III, ook wel de Goede genoemd, is nergens vermeld dat hij in onmin leefde met de kerk.
De bouwplannen zijn uiteindelijk niet van de grond gekomen.
Willems zoon Wouter III schenkt dan ook na 1310 de goederen die zijn vader aan de Lazarieten had toegezegd*2) aan de St. Jans Orde.
Mogelijk is in het bewaard gebleven archief van deze orde hierover nog iets terug te vinden.
In zijn testament uit 7 mei 1311, dat ik overigens niet heb kunnen bestuderen, beschikte Willem III dat een klooster, genaamd het Nieuwenklooster, in de Hout bij Haarlem gebouwd diende te worden. Met de Hout wordt meestal het gebied ten zuiden van de Stad Haarlem bedoeld. Meerdere locaties binnen dit gebied komen in aanmerking.
Kloosters werden in die tijd zoals gebruikelijk binnen de stadsmuren gebouwd. Buiten de stad lagen meestal alleen de kloosters die zich
bezighielden met de opvang van mensen die leden aan een besmettelijke ziekte.*3)
Evenals de overige Heren van Egmond had Wouter II bezittingen te Haarlem. Hij vlucht in 1315 na een aanval van de West Friezen met alle Egmondse edelen naar Haarlem.
_____
*1): Vlg. Beelaerts van Blokland; omdat de stichting zonder zijn voorkennis
gedaan was. [Regesta Hann. blz. 35, Bijdr. Bisd. Haarlem III 1882 blz. 82].
*2): Land te Castricum. Zie ook Deugd boven geweld blz. 70 en blz. 661 noot
21.**********************************************************************
*3): Een mogelijke locatie is de kapel van het Leprozenhuis aan de Schotersingel.
*4): Zie J. Houben, Zeven eeuwen Haarlem III, blz. 77.
Dek
Volgde als zodanis in 1304 zijn grootvader op, getuigde in 1305 voor graaf Willem III van Holland, stichtte in 1310 te Haarlem een Lazaruskapel, die niet werd erkend door de grootmeester der orde, stichtte bij testamentaire beschikking 7 mei 1311 een klooster in de Hout bij Haarlem.
Overleden,
2 of 3 juli 1312. Vlg. Brussel 18307, 5 juli 1312. Vlg. Woutersz. Kroniek en van de Schelling (Franse tekststrook), 3 juli 1322. Ook vermeld in Tabula.
Hij had geen kinderen en werd opgevolgd door zijn broer Wouter III van Egmont.
Begraven
Egmond, Abdij van Egmond [ Necr. Bald.].
Gehuwd met
Margaretha van BLANKENHEM.
Overleden
27 juni 1312.
Vermeld in Tabula.
Dek
Kinderloos en was wellicht een dochter van Gerard van Blankenheim en Ermengard van Luxemburg. Begraven
Egmond, Abdij van Egmond [Necr. Bald], dochter van
Gerard V Graaf van BLANKENHEM,
familie van de Utrechtse Bisschop Frederik v. Blankenheim ┼ 1423., en
Ermengaerd van LUXEMBURG,
Dochter van Gerard van Luxemburg, Heer van Durby en Machteld van Kleef.
Jan.
Doet aanspraken op Gravelijke lenen o.a. te Tuttingehorn, Petten en de Zijpe.[ARA Den Haag Reg. E.L. fol. 23].
Overleden
31 oktober 1312, begraven
Egmond,
in de abdijkerk.
Aleijd.
Overleden
1311.
Gehuwd.
Vlg Bockenberg. Echtgenoot is
Jacob van LICHTENBERG.
Vermoedelijk dezelfde, die in 1301 schepen te Utrecht was.
Overleden
1304,
gedood.
Sophia.
Sophia wordt vermeld in de Tabula. Zij ┼ 1309.
Mogelijk wordt deze Sophia verward met Sophia (Hfdst. 42-2).*************
Sophia wordt ook genoemd als echtgenote van Claes (van Veen). Deze Claes ┼ na 1390.
Gerard.
Gerard wordt genoemd in de Tabula. Mogelijk is hij dezelfde als de in het Necrologium genoemde Gerard Gerardsz. die vlg. Bont werd begraven in de Noorder Abside.
Wouter III van EGMONT 20e Heer van Egmont van 1312 tot 1321.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIIc. ende XXI. den IIIen. dach In Septembri. starff heer Wouter heer tot Egmont heer Willems zoon. Joncker ende nijet Ridder. doe hij IX. Jaeren geregeert hadde.[Woutersz. fol. 10 (71) + 25]
Vrij vertaald: Wouter stierf 3 september 1321 en regeerde 9 jaar.
Opvallend is hier de aanduiding "tot Egmont".
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed met twee veren, geen juweel.
2. Groen onderkleed.
3. Gem op linkerschouder.
4. Hellebaard, géén zwaard.
5. Stersporen.
van der Schelling
Wouter de IIIe, Zoon van Gerard de IIIe door de dood van zijn Broeder Willem de IIIe de XXe Heer van Egmond, troude Beatrix Dogter van den Hertog van Artuchem uit Schotland, uit welke hem een Zoon Johan gebooren is; Hij was een zeer vreedzaam Prins, Hij stierf den 2-September 1331. na dat hij negen jaaren geregeert had, en legt begraven inde Abdije.
Woutersz blz. 25R+V.
Wouter, die derde van dier naeme, worde die xx. (20) heer tot Egmont. Hy was een vreesamich heer, hy en kende hem gheen oerloghen of stryden behelpen, dwelck was een verdervenisze van Egmont, Want int iaer xiiic. ende xv (1315) syn die Vriesen geweldelicken over gecomen, alsoe dat heer
Wouter vluchte tot Haerlem*1) mit alle die ridderen; ende sy hebben Egmont mit dat hoff te gronde toe afbebrandt, dat een groete schade was voert landt van Egmont. Ende hy troude vrou Beatris, des hartoghen dochter van Durtuchen wt Schotlant, daer hy by wan een soen Ian. Ende int Jaer ons heeren xiijc. ende xxxi den derden dach in december (3 december 1331)*2) (als hy ix (9) iaren gheregiert hadde) starf hy ende is die leste heer die in die Abdie van Egmont begraven is: ende syn wyf starf twe iaren nae hem (1333) ende leyt by hem an die noortside van die kerck. Int iaer xiiic. ende xlvii (1347) worde tot Egmont een kindt geboeren mit een hooft, mit vier armen ende mit vier beenen.
_____
*1): Volgens Hovaeus vertrokken alle rijke Heren naar Haarlem en Leiden.
*2): Volgens Hovaeus 1321.
Detmold L3 nr. 429 fol. 130V en 131.
Dese Wouter van Egmondt was Willems broeder ende en was oeck ghien ridder Sij wijff was beatrix des heren dochter van deurtoge bij naeltwijck daer hij een zoon bij wan die ghenoemt was heer Jan van Egmondt ridder en Wouter van Egmondt Sterff int Jaer ons heren M.ccc.xxi (1321) ende leijt te
Egmondt begraven Beatrix sijn wijff sterff int Jaer ons heren M.ccc.xxiii (1323) en leijt oeck tot Egmondt begraven
Brussel 6049 fol 1251.
Walterus, filius Gerardi et frater praefati Wilhelmi de Egmonda, successit etiam avo suo. Qui Walterus etiam non fuit miles habens in uxorem Beatricem de Duertoge*2) prope Naeltwyck, ex qua genuit Johannem de Egmonda militem. Et obiit Walterus anno domini mcccxxio (1321) et sepelitur in monasterio Egmondensi. Nicolaus vero de Egmonda frater suus miles obiit anno domini mcccv (1305) et sepelitur in monasterio Egmondensi. Johannes etiam frater eorum obiit anno domini mcccxixo, die xa mensis Februarii (10 februari 1319) et sepelitur in monasterio Egmondensi, relinquens post se duos filios videlicet Ghere Jansoen et Walterum de Meresteyn. Et ab isto Waltero de Meresteyn descenderunt illi qui dicuntur de Meresteyn, de quibus vide infra.*3).
_____
*2): Westfalen schrijft in de marge: adde Beatrix vero eius obiit anno
domini mcccxxiiio (1323), Sepulta in ecclesia eiusdem monasterii.
*3): Westfalen schrijft in de marge: de isto Waltero de Meresteyn vide in
annalibus abbatum Egmondensium clixo (159).
Utrecht Nr. 7a.
Dese Wauter van Egmont was Willems broeder ende en was oeck geen ridder. Syn wyff was Beatris, des heeren dochter van Duertoghe by Naeltwyck, daer hy bi wan heer Jan van Egmont ridder.
Brussel 18307.
Gerard*1), second du nom, chevalier, apres la mort de son frere Guillaume fut seigneur d'Egmond. Il espousa Beatrix Ortoge. Il mourut l'an 1321 le 9 jour de septembre; elle mourut l'an 1323, gissent a Egmond pres son pere; de laquelle il procrea Jan, qui suit et Gerard d'Egmont.
_____
*1): Dit is een schrijffout. Gerard moet Wautier zijn.
Dek
Volgde in 1312 zijn broer in diens meeste bezittingen op. In de Ned. Leeuw 1938, blz. 60 worden als zijn leden opgesomd: Warmenhuizen, Harenkarspel, Huisduinen, het halve ambacht van Petten, de Zijp, de helft der sluizen te Nieuwendoren en de Ketelduinen (aan de Zijpe) benevens enkele andere. Hij nam in 1315 met 60 man deel aan de krijgstocht naar Vlaanderen.
Overleden
3 september 1321.
Vlg. Brussel 18307 ┼ 9 september 1321. Vlg. Tabula 3 september 1321. Hij was de eerste Baron die 3 pond naliet.
Begraven
Egmond, Abdij van Egmond [Necr. Bald.],
in Noorder Abside. Vlg. Woutersz. als laatste Heer van Egmont. Zoon van
Gerrit III van EGMONT 18e (Heer) van Egmont (zie
XVa) en
Elisabeth van STRIJEN.
Gehuwd
1317 met dispensatie met
Jkvr. Beatrijs van de DOORTOGE, geboren
circa 1290.
Zij stond in 1309 nog onder voogdij van Willem van Leiden en Floris van de Doortoghe (resp. stiefvader en oom). Dek veronderstelt dat zij rond 1290 geboren is. [Ned. Leeuw 1922] Zie ook Ridderschap blz. 415 [LRK 78 f. 56].
Dek noemt als haar ouders Dirk, Heer van de Doortoge, Zegwaard en Zevenhuizen ┼ 26 januari 1306 en een zekere Ermegaerd. Ook Gouthoeve noemt haar Beatrix van de Doortoghe.*d)
De familie van de Doortoghe sproot uit de Heren van Brederode.[Vgl. Ned. Leeuw 1926, blz. 235-237. Zie ook J. Verhoog Onvoltooide roem blz. 79 en 261]
Ermegaerd huwt voor de 2e maal met Willem, een jongere zoon van de Burggraaf van Leiden.
Beatrijs werd als erfdochter op 26 januari 1306 door Graaf Willem III beleend met de woning te Doortoghe en 30 morgen land in Monsterland, waarvoor zij 450 pond Holl. aan de Graaf betaalde. Op 28 juli 1306 werd zij door de Abt van de Sint Paulusabdij in Utrecht beleend met de tienden van de Ambachten Zevenhuizen (bij Waddingsveen) en Zegwaard (bij Zoetermeer). [Reg. Hann. blz 18 en 19].
Dek
De familie van de Doortoge sproot uit de heren van Brederode. Beatrijs werd als erfdochter van haar vader op 26 januari 1306 beleend met de woning te Doortoghe met 30 morgen lands en met de ambachten van Zevenhuizen en Zegwaard, waarvoor zij 450 pond Holl. aan de graaf betaalde. Zij was wellicht rond 1290 geboren, aangezien zij in 1309 nog onder voogdij stond.
Overleden
11 september 1323, begraven
Egmond, Abdij van Egmond [Necr. Bald.].
Vlg. Tabula in Noorder Abside. Dochter van
Dirk van de DOORTOGHE Heer van de Doortoghe, Zegwaard en Zevenhuizen,
Het geslacht Doortoghe uit van Brederode stierf in 1306 uit., en
Ermegaerd.
Wouter.
Dek
Vermeld in 1359 in een zoenbrief met Delft.[Vlg. van Mieris III blz. 92/93].
Yda van EGMON1.
Gehuwd met
Willem van der DUIJN.
Vlg. van Leeuwen Batt. Ill. blz. 941.
Sofia,
non te Leeuwenberch (vermeld in 1351).
Maria,
niet vermeld in Dek.
Gehuwd met
Hendrik van BORSELEN Heer van ter Veer [J. Kok].
Johan/ Jan I van EGMONT 21e Heer van Egmont van 1321 tot 1369, geboren
circa 1301,
1327 Is er sprake van dat hij "cortelicken zine jaeren hebbe zoude" [Holl.
Leenkamer 37 fol. 19] en dat hij leenhulde moet doen aan de Graaf van Holland. [ARA Arch. Nass. Dom II in 7 Reg. 91].
Heer van Warmenhuizen etc.
Dek
in december 1327 is er n.l. sprake van dat hij "corteliken zine jaeren hebben zoude" en dan leenhulde zou moeten doen.
Onderschrift afbeelding [Woutersz. fol. 10V (72 + 25V]:
"IN tJaer ons Heeren XIIIc. ende LXX. den XXVIIIen. dach In Decembri starff heer Johan heere tot Egmont ende van Iselsteijn. heer Wouters zoon doen hij XLIX. Jaer geregeert hadde. ende hadde te wijff een eenige dochter van den heer van Iselsteijn.[Woutersz. fol. 10V (72) + 25V].
Vrij vertaald: Johan stierf 28 december 1370 en regeerde 49 jaar.
Opvallend is de titel tot Egmont en de vermelding van de naam van zijn echtgenote (erfdochter van Iselsteijn).
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed met juweel en twee veren.
2. Twee gemmen op de schouders en twee op de borst.
3. Borstsieraad.
4. Hellebaard, géén zwaard.
5. Sluitlip op beenstuk.
6. Stersporen.
7. De eerste die is weergegeven met een gekwartileerd wapen.
1 en 4 = Egmont.
2 en 3 = Ysselstein.
van der Schelling
Johan de Ie. Zoon van Wouter de IIIe. de XXIe (21) Heer van Egmond, troude met Jolente of Guida erfgenaam van het Land van Ysselstein, bij welke hij gehad heeft zes Zonen en zeven Dochters.
Aarnout, Heer van Egmond.
Gerard troude Johanna van Raaphorst. Johan troude Willemina Vrow van Wateringe.
Willem, Magtilda van Hemert.
Otto troude de Dochter van de Heer van Arkel. Aalbert was Kanonik van onze L. Vrouw tot Utrecht.
Beatris troude met de Heer van Vianen.
Bertele met de Heer van Kuylenburg.
Maria met de Heer van Ryswyk.
Josina met de Burggraaf van Leyden.
Katharina met de Heer van Raaphorst.
Anthonette een Religieuse van S. Klara binnen s'Hertogenbos, en Beatris is getroud met de Heer van Brederode.
Hy was een strijdbaar Prins, en altoos overwinnaar. Hij herstelde opde Maas Graaf Willem in alle zijne Staaten van Holland; Hy stierf den 28 december 1370, na een regeeringe van negen-en-veertig jaaren*1), en legt begraven tot Ysselstein in het Klooster van St. Bernard, door hem gestigt.
_____
*1): Volgens Hovaeus 44 jaar.
Woutersz blz. 25V.
Jan, die eerste van dier naeme, worde die xxi (21) heer tot Egmont. Hy was een vroem onversaecht man; hy dede wederom timmeren Egmont. In synen tyt stonden op die Hoox ende Cabbeiaus partyen tot verdervuenisze des gemeen lants. Dese heer Jan van Egmont hadde te wyve een erfdochter van Isesteyn, genoempt Guiota of Guida, daer hy by gecreghen heeft twe soenen ende drie dochteren, te weten Aernt ende Willem: die eerste dochter hiete Lucia ende troude die heer van Vianen, die andere hiete Maria ende nam te man die heer van Waszenaer ende Burchgraef van Leyden, ende die derde hiete Catherina ende troude die ionckar van Raephorst. Int iaer xiiic. ende xv, (1315) als die dulle graef Willem van Hollant dat lant regierde, isser een groete twedracht ende discort tusschen hem ende vrou Margriete van Beyeren, syn vroumoeder, op gestaen, want sy begheerde van hem vyftich duysent vrancsche kronen iaerlix tot haer tafel, dat hem onmogelick was op te brenghen; dus is tusschen die moeder ende dat kindt grote oerloghen op gestaen, ende int iaer xiiic. ende li (1351) hebben sy malcander een slach gelevert in Zeelant daer die moeder die victorie gehadt heeft. Ende graef Willem is seer bedruct gecomen tot heer Jan van Egmont om hulp ende bystant te hebben, ende heer Jan barmharticheit hebbende mit graef Willem heeft hem bystand geloeft, waeromme graef Willem weder om syn vroumoeder int selfde iaer op sinte Martyns dach in die somer slach gelevert heeft ende dese slach is geschiet op die Mase te scheep ende is alsoe bloedigen slach geweest dat dies gelyck voer noch nae in Hollant noyt gesien of gehoert is. In dese stryt hadde graef Willem die victorie meest doer hulp van heer Jan van Egmont, ende vrou Margriete syn vroumoeder is gevlucht in Engilant by haer suster die Coninginne; ende hier inne worden veel heeren gevanghen ende bysonder die heer van Brederoede, die teghens graef Willem geweest hadde; ende nae dese slach en vloyde die Mase in drie daghen niet dan bloet. Dese heer Ian van Egmont ende Iselsteyn heeft gesticht een Cloester binnen Iselsteyn van sinte Bernardus oerde dat hy ryckelichen begaeft ende beghift heeft mit syn eyghen goet. Ende hy is ghestorven int iaer ons heeren xiiic. ende lxx den xxvii dach van december (27 december 1370) als hy xxxix (39) jaer geregiert hadde ende is tot Iselsteyn by syn huysvrou begraven.
Detmold L3 nr 429 fol. 131.
Dese heer Jan van Egmondt ridder nam tot een wijff guileam heer ghijsbert van ijselsteijns dochter daer hij bij wan ses zonen ende seven dochters Die ijerste hiet Aernt en was heer van egmondt en ijselsteijn die andere was Jonckar Jan die sonder keijnder sterff Die darde was heer gherit ridder die troude vrou Willem van Watering Die vierde was heer Willem van Zueter*** ridder Die vijfde was otto En die sesde heer albert canonicke sinte marijen tot utrecht Die ijerste dochter troude heer ghijsbrecht van Vijanen*1) Die andere troude heer gherit van culenborch Die derde troude heer philips die burchgraeff van Leijen ende heer van Wassenaer Die vierde troude heer bartholomeus van raephorst ridder Die vijfde was een claris tot die Hertoghenbosch Die seste Joffer Marij van rijsing Die sevende hiete berta en troude Joncker Walrave van brederode een jongste broeder was tot brederode ome die en creech ghien keijnder Dese heer Jan was mede in die streijt op die maess mit die dolle graeff Hij sterf int Jaer ons heren M.ccc.lxx (1370) en leijt tot ijselsteijn begraven.
_____
*1): In de marge wordt Vianen vermeld. Dit is niet leesbaar. Het is van een
andere auteur.
Brussel 6049 fol. 1251.
Johannes, filius de Walteri de Egmonda miles, duxit in uxorem Gwidam, filiam Gysberti domini de Yselsteyn, cuius Gwide mater fuit Maria, filia Gwidonis episcopari Traiectensis, de qua genuit sex filios et septem filias, filii vero ferunt Arnoldus, dominus de Egmonda et Yselsteyn eius successor, Johannes domicellus, Gerardus miles ballinus*1) Kenemariae, martius Wilhelmae dominae de Wateringen, Wilhelmus miles dominus de Zoetermeer*2), Otto maritus Mabelia de Arckel, Albertus canomicus ecclesiae sanctae Mariae Traiectenis. Primam filiamduxit in uxorem Gysbertus, dominus de Vyanen. Secundam duxit in uxorem Gerardus, dominus de Culenburch. Tertiam duxit Philippus burchgravius Leydensis*3), quartam habuit in uxorem Bartholomeus de Raephorst miles. Quinta filia fuit sactimonialis apud clarissas in Buscoducis, Sexta fuit Maria de Risius. Septima fuit Berta uxor Walravii domini de Brederoeden*4), fratris Rynaldi domini de Brederoeden, de qua tamen non genuit. Johannes autem domicellus predicus obiit anno domini mccclxv (1365). Domicella autem de Risius obiit anno domini mccclxii (1362), sepulta in Egmonda. Miles pater omnium istorum obiit anno domini mccclxx (1370), sepultus in Yselsteyn.
_____
*1): bailius.
*2): Zegwaert et de Zevenhuysen. Heer van Zegwert ende Sevenhuysen.
*3): de Wassenaer, burchgravis Leydenssis.
*4): Walravum de Brederoeden.
Brussel 18307.
Jan, premier du nom, seigneur d'Egmond, chevalier. Il mourut l'an 1370. Il espousa Guida Amstel, dame hertiere du pays d'Iselsteyn, fille unique de Gisbert Amstel, seigneur d'Iselsteyn, et Maria Hainaut fille naturelle de Guy de Hainaut*5), apres evesque de Utrecht. Elle mourut l'an 1340, gissent a Iselsteyn, de laquelle il procrea
1. Arnoul, qui fut mentionne cy-apres.
2. Guillaume d'Egmond, fut mentionne cyapres.
3. Albert Egmond, chanoine a Utrecht.
4. Anthonette Egmond, clarisse a Blois-le-Duc.
5. Gerard Egmond espousa Jenne Raphorst, dame de Ortoge (fille de Thiry Raphorst et de Machtilde Outshoren). Il mourut sans en fans.
6. Otto Egmond, bailliu de Kermerlant, espousa Mabelia d'Arckel (fille d'Jan, seigneur d'Arckel et d'Ermengarde de Cleves). Il mourut sans en fans.
7.Beatrix Egmond, femme de Gisbert, seigneur de Vianen et Goye, chastellain d'Utrecht (fils de Henry, seigneur de Vianen, et d'Jolente Culembourg). Il mourut l'an 1391.*1)
8. Berta d'Egmont espousa Gerard, seigneur de Culembourg (fils de Hubert Culembourg et de Judit Polanen). Il mourut l'an 1395.
9. Catharina Egmont, femme de Bartholome Raphorst, chevalier (fils de Thiry Raphorst, chevalier, et de Machtilde Outshorn). Il mourut l'an 1406.
10. Maria Egmond espousa Philippe, baron de Wassenaere, vicomte de Leyden, seigneur de Barendrecht, Catwijck, Walkenbourg (fils de Thiry, seigneur de Wassenaere, vicomte de Leyden, et Machtilde, dame de Barendrecht). Il mourut l'an 1438.
11. Berte Egmond espousa Walrave Bredenrode (fils de Thiry, seigneur de Bredenrode, et Beatrix Valckenbourg). Il mourut sans en fans le 16 jour de aoust l'an 1369.
12. Jan Egmond, chevalier, espousa en premieres nopces Wilelmine, fille d'Albert, seigneur de Wateringe; elle mourut l'an 1387; de laquelle il procrea Wilelmine Egmond, qui suit. Il espousa en secondes nopces Henriette Rodenbourg, dame de Weldan.
Wilelmine Egmond, femme de Guillaume Naeldwijck, chevalier (fils de Henr Naeldwijck, chevalier et de Catharina Heenvliet). Il mourut l'an 1444. Elle mourut 38 ans apres son mary l'an 1482.
_____
*1): Voor Gijsbert van Vianen, zie uitvoerig Brokken, Hoekse en Kabeljauwse
Twisten blz. 570. ********************************************************
Utrecht Nr. 7a.
Dese heer Jan van Egmont ridder nam tot een wyve Gwidan, heer Gysbert van Yselsteyns dochter, daer hy by wan ses soenen ende seven dochteren, die eerste hiet Aernt ende was heer van Egmont ende Yselsteyn, die andere Jan sterft sonder kinderen, die derde Gerrit traude de vrau Willem van Watering, die vierde Willem van Soetermeer, de vyfte Otto, de seste Aelbrecht canonick Sinte Martins te Utrecht. Die eerste dochter had heer Gysbert van Vianen, die andere had heer Gerrit van Culenburch, die derde had de heer Philips, borchgrave van Leyen ende heer van Wassenaer, die vierte traude heer Bartelmeus van Raephorst ridder, de vyfte was een claris tot Tsertogenbosch, die seste was joffrou Marie van Rysin, die sevende hiete Berta ende troude jonckheer Walraven van Brederode, die een jonger soon was van Brederode, ende die en creech geen kinder. Dese heer Jan was mede in den stryt op de Maes met de dolle graeff. Hy sterft int jaer ons heeren mccclxx (1370). Hy leyt tot Yselsteyn begraven.
Dek
In 1328 streed hij al mee bij Cassel tegen de Vlaamse opstandelingen, later Kabeljauwsgezind, vocht 4 augustus 1351 mee in de scheepsstrijd bij Zwartewaal, werd in 1356 door graaf Willem V, met zijn broer Gerrit, benoemd tot stadhouder van Holland benoorden de maas. Later raadsheer van Albrecht van Beieren.
Overleden
28 december 1369,
[Necr. Bald.] noemt 28 december 1354.
Begraven
IJsselstein, Klooster St. Bernhard [Vlg. Tabula], zoon van
Wouter III van EGMONT 20e Heer van Egmont van 1312 tot 1321 (zie
XVIa) en
Jkvr. Beatrijs van de DOORTOGE.
Gehuwd (1)
maart 1331,
31 maart 1331 Tochtte hij zijn vrouw aan de tienden van Huisduinen en de tienden van Zegwaard. [Holl. Leenkamer 2 fol. 71 en 1 fol. 68v]. Kort hiervoor zullen zij gehuwd zijn. Zij was weliswaar erfdochter, maar had nog een zuster Catharina, die huwde met Daniel, Heer van Goor.
Dek
Op 31 maart 1331 tochtte Jan I zijn vrouw aan de tienden van Huisduinen en de tienden van Zegwaard. Zij zullen kort voor die dag gehuwd zijn Echtgenote is
Guyote van AMSTEL‑IJSSELSTEIN Vrouwe van Ysselstein (erfdochter),
Guyote was in 1370 nog in leven. Geboren
1310.
Overleden
na 1370, begraven
Klooster St. Bernhard, Ysselstein.
Vlg. Tabula. Dochter van
Arnoud van AMSTEL Heer van IJ en
Maria van AVESNES.
Gehuwd (2).
Aalbert (Albrecht) van EGMOND,
kanunnik te Utrecht.
Dek
Werd met zijn broer Gerrit in 1370, door zijn moeder, beleend met erf en tienden "te Hermalen, an die Broydiic, in Kamerick, in Gerwerscoep, op Bylener en in Havewiic". Zij heten daar: de jongste zonen! Op 5 juni 1386 werd Gerrit beleend met het goed dat albrecht had gehad en wel door hun broer Arend heer van Egmond, ten overstaan o.a. van de broers Heer Willem en Albrecht. Albrecht leefde nog in 1389.
Overleden
na 1389.
Beatrix Vrouwe van Vianen.
Woutersz. en Brussel 1857 noemen haar Lucia.
Dek
Op 14 maart 1389 bevestigde hertog Albrecht de verkoop van zekere renten door haar.
Gehuwd,
kort voor 1 januari 1355. Op genoemde datum oorkondden haar ouders, dat zij haar als huwelijksgoed het land tussen de poort van IJsselstein en de IJsseldam hadden gegeven. Dit werd 18 juni 1355 door graaf Willem V bevestigd met
Gijsbrecht van VIANEN Heer van Vianen, Goye,burggraaf van Utrecht,
Bruggencate noemt Gysbert van Kuilenburg-Vianen, Heer van Vianen en Goye, Burggraaf van Utrecht ┼ 1391. Zn. van Hendrik van Kuilenburg-Vianen ┼ 1351 en Katharina, Vrouwe van 't Goye en Burggravin van Utrecht.
Overleden
1391, zoon van
Hendrik I van VIANEN Heer van Vianen en
Jolenta van CULEMBORCH Bruggencate.
6.

Baerte van EGMONT
Baerte.
Gehuwd (1)
13 december 1360 huw. voorw. Echtgenoot is
Walraven van BREDERODE.
Overleden
1369, zoon van
Dirk III van BREDERODE en
Beatrix van VALKENBURG.
Gehuwd (2)
na 1369 met

Gerrit van CULEMBORCH
Gerrit van CULEMBORCH.
Overleden
1395, zoon van
Hubert van CULEMBORCH en
Judith van POLANEN van de LECK.
Maria.
Gehuwd
1387 met
Philips V van WASSENAER Burggraaf van Leiden, Heer van Barendrecht, Katwijk en Valkenburg, geboren
1359 (?).
Dek
Medeplichtig aan de moord op Aleida van Poelgeest 1392, zijn goederen werden verbeurd verklaard. In 1396 begenadigd, kreeg hij in 1400 zijn heerlijkheid Wassenaar en Zuidwijk in vrije eigendom. Hij werd vanaf 1420 gevangen gehouden.
Overleden
5 december 1428 Wijk bij Duurstede, begraven
's-Gravenhage,
in het Dominicanerklooster, zoon van
Dirk III van WASSENAAR Heer van Wassenaer, Burggraaf van Leiden en
Machteld OEM Vrouwe van Barendrecht.
Catharina.
Gehuwd met
Bartholomeus van RAEPHORST heer van Zoeterwoude.
Werd 14 februari met dit ambacht beleend.
Overleden
1406, zoon van
Dirk van RAEPHORST en
Machteld van OUTSHOORN.
Anthonia van EGMONRT,
clarisse te 's-Hertogenbosch.
Elizabeth.
Dek
Droeg 14 februari 1376 het ambacht van Zoeterwoude op aan haar bovengenoemde zwager. Zij was toen weduwe van Philips van Tetrode.
Gehuwd,
voor 14 februari 1376 met
Philips van TETRODE.
Overleden,
voor 14 februari 1376.
Griete.
Gehuwd,
vermoedelijk 1374. Echtgenoot is
Jan van ALMELO,
vermeld 1374.
Mogelijk een jong overleden zoon Wouter.
Otto,
Baljuw van Kennemerland [Br. 18307].
Gehuwd met
Mabelia van ARKEL.
Dochter van
Jan van ARKEL en
Irmgard van KLEEF.
Jan [J. Kok].
Gehuwd met
Johanna van RAEPHORST.
Dochter van
Dirk van RAEPHORST.
Heilwijf (bastaard).
Gehuwd
1375 met
Klaas Bartoutsz. van TORENBURG.
Aarnoud I / Arend I van EGMONT 22e Heer van Egmont van 1369 tot 1409,
raadsheer van Albrecht van Beieren vanaf 1372, geboren
circa 1340.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIIIc. ende IX. den eersten dach in Aprille starff heere Arnout heere van Egmont ende van Iselsteijn heer Jans zoon. doe hij XXXIX. Jaer geregeert hadde. ende hadde te wijve vrou Jolenta van Linigen.
[Woutersz. fol. 11 (73) + 25].
Vrij vertaald: Aarnoud stierf 1 april 1409 en regeerde 39 jaar.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed met juweel en twee veren.
2. Twee ringen op het borststuk.
3. Borstsieraad.
4. Tweehandszwaard.
5. Fladderende wapenrok. Groen onderkleed.
6. Sluitlippen op het beenstuk.
7. Puntsporen.
8. Gekwartileerd wapen Egmont/ Ysselstein.
van der Schelling
Aarnout de Ie zoon van Johan de Ie. de XXIIe Heer van Egmond, en Ysselstein, troude Vrow Jolente Dochter van de Graaf van Limegen op den Rijn, bij dewelke hij had twee zoonen, Johan Heer van Egmond, en Willem Heer van Ysselstein die troude een Dochter van den Huise van Bossu, gestorven zonder kinderen. Hij was een dapper Prins, int bijzonder herstelde hij de ruijne van de Egmonden, en deed veele goede werken. Hij stierf den 1e April 1409 na geregeert te hebben 39 jaaren, en rust te Ysselstein.
Woutersz blz. 25V+ 26R.
Aernt die eerste van dier naeme, worde die xxii (22) heer tot Egmont ende heer tot Iselsteyn ende hadde getrout vrou Jolenta, des graven dochter van Linighen opten Ryn, daer hy by gecreghen heeft twe soenen, te weten Jan ende Willem. Dese Willem worde nae syns vaders doot heer tot Iselsteyn, die getrouwt hadde die dochter van Bochu ende is gestorven sonder kinderen. Ende heer Aernt van Egmont dede delven ende maken een graft omt huys van Egmont ende niewe vaert om nae Alcmaer te varen. Hy heeft oeck dat dorp Egmont op Zee merckelicken doen verbeteren,ende hy heeft dat capelliken (dat heer Walengier*1) van Egmont hadde doen maecken voert huys van Egmont) afghebroken ende daer een schoender capelle doen maken. Ende hy starf int Jaer ons heeren xiiiic. ende ix den eersten dach in April (1 april 1409), als hy xxxix (39) iaer geregiert hadde ende is tot Iselsteyn begraven ende syn huysvrou starf int Jaer xiiiic. ende xxxiiii den xxviii dach van April (28 april 1434), ende hebben beyde een latynsche epitaphium.
_____
*1): Hier maakt Woutersz. een fout. Niet Walengier maar Willem I bouwde in 1229 de St. Agneskapel te Egmond aan Zee.
Detmold L3 nr. 429 fol. 131.
Desen Heer aernout was die ijerste die de heerscappie van Egmondt creech van hertoch aelbrecht die graeff van Hollant Hij was oeck heer van ijselsteyn daer hij fundeerde een canosye van vx*1) (9) canonicken ende een bernaditen cloester Sijn wijff was Yolenda des graven dochter van Limingen daer hij bij wan heer Jan van Egmondt ende heer Willem van ijselsteijn Mer die heer Willem sterff sonder keijnderen ende sijn bastaert zoon was
ghenoemt heer aernt van ijselsteijn ridder Heer aernt van egmondt sterff int Jaer ons heren M.cccc. ix (1409) ende leijt begraven tot ijselsteijn Yolenda sijn vrou sterff int Jaer ons heren M. cccc xxxvij (1437) ende leijt begraven inden haech tot die presterbroeders.
_____
*1): vx moet zijn ix.
Brussel 6049 fol. 126.
Arnoldus, filius Johannis domini de Egmonda, factus est dominus de Egmonda et Yselsteyn, ducens in uxorum Jolentam, filiam comitis de Liningen, ex qua genuit Johannem, dominum de Egmonda, et Wilhelmum, dominum de Yselsteyn. Obit autem Arnoldus anno domini mccccix (1409),*1) die secunda mensis Aprilis, et uxor eius Jolenta obiit anno domini mccccxxxvii (1437), die octava mensis Aprilis et sepulta est in Haga Comitis ad predicatores ante sanctae Mariae virginis.
_____
*1): Westfalen schrijft in de marge: de isto Arnoldo vide plura in annalibus abbatum Egmondensium clxiiio (163).
Utrecht Nr. 7a.
Dese heer Aernt was dieerste, die de heerscappie van Egmond creech van Hertoch Aelbrecht, die graeff van Hollant. Hy was oick heer van Yselsteyn, daer hy fondeerde een canonysie van ix (9) canonnicken ende een Bernditen clooster. Syn wyff was Jolenta des graven dochter van Liningen, daer hy bi wan heer Jan Egmont ende heer Willem van Yselsteyn. Mer heer Willem sterft sonder kinder ende syn bastaart, genoemt heer Aernt van Yselsteyn ridder. Heer Aernt van Egmont sterft int jaer ons heeren mccccix (1409) ende leyt begraven tot Yselsteyn. Jolenta syn wyff sterft int jaer ons heeren mccccxxxvii (1437) ende leyt begraven in den Hage tot die
prekenbroeders.
Brussel 18307.
Arnou I du nom, seigneur d'Egmond et Iselsteyn, fils d'Jan, seigneur d'Egmond, et Guyotte, dame de Iselsteyn. Il fonda l'an 1394 a Iselsteyn une clostre de l'orde de St. Bernard. Il espousa Jolente, comtesse de Leyningen. Il mourut l'an 1409 en avril et gist a Iselsteyn. Elle mourut le 28 jour d'avril l'an 1434 et gist apres son mary, de laquelle il procrea Jan, qui suit apres son frere Guillaume, qui suit.
Guillaume Egmond, seigner de Iselsteyn, espousa Anna d'Hennin (fille de Wautier Hennin, seigneur de Bossu, Bleaugies, Haussy et Gameraige, et de Sibille Berges St. Winocq). Il mourut l'an 1461 sans enfans et gist a Gravenhage en l'eglise des peres Dominicains en la chapelle de Borsele. Il
laissa plusieurs bastards.
Dek
Aanhanger van de Kabeljauwen, verwierf 11 augustus 1398 de heerlijkheden van Ameland en het Bilt in leen, voerde in 1400 het bevel over de Hollandse troepen die naar Friesland gingen, maar stond bij de Hoekse graaf Willem VI niet in de gunst.
Overleden
1 april 1409.
Volgens Dek 9 april 1409. Begraven
IJsselstein, in het Klooster, zoon van
Johan/ Jan I van EGMONT 21e Heer van Egmont van 1321 tot 1369 (zie
XVIIa) en
Guyote van AMSTEL‑IJSSELSTEIN Vrouwe van Ysselstein (erfdochter),
Guyote was in 1370 nog in leven.
Gehuwd (1) met
Jolanda (Jolenta) gravin van LEININGEN.
Overleden
24 april 1434.
Volgens Utrecht nr 7a ┼ 1437. Vlg. Brussel 18307 ┼ 28 april 1434. Begraven
's-Gravenhage.
Vlg. Brussel 18307 Begr. te IJsselstein naast haar echtgenoot. Vlg. Brussel 1857 te 's-Gravenhage in de Jacobijnenkerk waar zij een mooie crypte had laten bouwen. Dochter van
Frederik Graaf van LEININGEN (Limegen op den Rijn) en
Johanna van GULIK.
Gehuwd (2).
Heylewiif (bastaard).
Gehuwd,
1375 Huwelijksvoorwaarden tussen Claes *** en Heylewiif, bastaardzuster van
de Heer van Egmond. [Arch. Nat. Paris T]. Echtgenoot is
Claes NN.
Gerard (bastaard) van BEERHEM,
15-06-1389 Gerard van Beerhem genoemd als bastaardbroer van Heer Aarnoud I van Egmond. [Ons voorgesl. 289 blz. 398].
Aleid (bastaard).
Aleid, bastaarddochter bij Catharina, dochter van Johannes van Straesborch. Zij werd in 1449 gelegitimeerd en huwde met IJsbrand van Alkemade.[Ridderschap A. Janse blz. 443 en 222].
Johan / Jan II van EGMONT (met de Bellen) 23e Heer van Egmont van 1409 tot 1451, geboren
circa 1385,
23e Heer van Egmond*1) van 1409 tot 1451.
_____
*1): Vlg. van der Schelling, 1e Graaf van Egmond v.a. 15 augustus 1424.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIIIc. ende LI. den IIIIen. dach In Jannuario starff heer Jan heere tot Egmont en van Iselsteijn heer Aernouts zoon ende hadde twee zoonen, den ouste geheten Aernout ende was hertoge van Gelre. ende van Gulic. grave van Zutphen. ende den Jongsten geheeten Willem daer hij op erffde die heerlicheijt van Egmont. ende hadde te wijve vrou Marij van Arckel ende hadt XLII. Jaer geregeert.[Woutersz fol. 11V (74) + 26].
Vrij vertaald: Jan stierf 04 Jan. 1451 en regeerde 42 jaar.
Opvallend is de vermelding van zijn twee zonen. De oudste wordt Hertog van Gelre etc.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Wilde haren
2. Drie gemmen; twee op de schouders en een op de elleboog.
3. Borstsieraad.
4. Een ring op het borststuk.
5. Hellebaard, géén zwaard.
6. Gordel met bellen.
7. Stersporen.
[Woutersz fol. 11V (74) + 26]
van der Schelling
Johan, de Zoon van Aarnout de Ie de XXIIIe Heer van Egmond, is gemaakt door de Keijzer Sigismundus, Graaf van Egmond, en van het Rijk op den 15 augustus 1424. Hij troude de schoone Vrow Maria van Arkel, bij welke hij gehad heeft twee Zoonen Aarnout en Willem dewelke beide uit hoofde van hunne Moeder, door de hoogstgemelde Keijzer zijn verleent met de Hertogdommen van Gelre, Gulik en het Graafschap Zutphen, De oudste was Hertog van Gelre, Gulik en Graaf van Zutphen, en de jongste Graaf van Egmond, Heer van Arkel, Mechelen, Bueren, Leerdam, Ysselstein, en van andere groote goederen. De voornoemde Johan de Vader was een zeer braaf, strijdbaar en bij na altoos overwinnend Prins *** Hij heeft Gelderland beheerst als Momboir*1) en Voogd voor zijnen Zoon, Hij droeg zilveren bellen om aan zijn krijgsknechten bekend te zijn, en sterf den 4 Januarij 1451 en is begraven in de kerk van Egmond, die hij gestigt heeft, hebbende geregeert 42 jaaren.
_____
*1): Momboir = zaakwaarnemer.
Woutersz blz. 26R+V +27R.
Ian, die twede van dier naem worde die xxiii (23) heer tot Egmont, ende hadde te wyve vrou Maria van Arckel, wiens vrou moeder Johanna was die suster van den Hartoghe Reynout van Gelre: daer heer Jan van Egmont by wan twe soenen, te weten Aernt, Hartoghe van Gelre, ende Willem, broeder tot Gelre, Heer tot Egmont ende Iselsteyn. Aernt, hartoghe van Gelre voerszeyd, had getrouwt vrou Katherina, hartoghe Adolfs dochter van Cleve, daer hy by gewonnen heeft Adolf ende Maria, Coninginne van Schotlant, ende Margarieta, hartoghinne In Beyeren. Adolf voerszeyd, hartoghe van Gelre, hadde getrouwt die dochter van Bourbon, daer hy by gecreghen heeft Carolus, hartoghe van Gelre, ende een dochter die getrouwt had die hartoghe van Loreyne. Dese heer Jan van Egmont hadde veel oerlogen ende stryden in syn leven daer hy groete victorie ende eer in vercreech. Op dese tyt was hartoghe Willem van Beyeren Grave van Hollant, die een wreet, fel heer was; hy sette hem van iongs op teghen hartoghe Aelbert van Beyeren, syn heer vader. Hy benyde oeck seer twelvaren van die edele heeren in Hollant; hy benam die heer van Waszenaer tmeeste recht dat hy hadde in die stede van Leyden: hy dede oeck vanghen die Edele heer Jan van Arckel, die hy x (10) iaren in de ghevankenisze hilt; hy seyde oeck die Edele heer Jan van Egmont verraderie over, souckende een oersaecke om hemte krencken ende heeft hem omboden ten hove te comen, mer die edele heer van Egmont wel kennende synen valsche grond, is mit Henrick van Riewyck ende iic. mannen gewapent tot Iselsteyn getrocken daer ionckar Willem syn soen ende syn vroumoeder waren; mer die grave van Hollant siende dat heer Ian van Egmont niet ende compareerde heeft alle die goeden van Egmont doen toeslaen, ende die graef is selve in persoen terstond mit macht van volck gereyst voer die stede van Iselsteyn; mer als hyt niet winnen en mochte, soe is die soen gemaeckt mit dese condicie dat heer Jan van Egmont soude iaerlix daer af hebben twe duysent oude schilden ende Jonckar Willem soude hebben ses hondert cronen*1); dit aldus geschiet wesende, is hartobhe Willem van Beyeren, grave van Hollant, corts daer nae gestorven int iaer ons heeren xiiiic. ende xvi (1416), gheen soenen after latende dan eenen dochter genoemt Jacoba, die gravinne van Hollant, Zeelant ende vrou van Vrieslant geworden is, alst God hebben wilde. Als dan die heer van Egmont ende Jonckar Willem syn broeder hoorden dat hartoghe Willem van Beyeren, grave van Hollant, gestorven was, soe syn sy mit vroemicheit gecomen ende hebben die stede van Iselsteyn weder ingewonnen ende gerecupareert als haer vaderlicke erf; mer die heeren van vrou Jacoba hebben die stede van Iselsteyn gegeven die van Utrecht, die opt selfde iaer op sinte Pieters ende Paulus dach (**-**-1417) die stede van Iselsteyn te grond toe gedestruweert hebben ende dit bleef aldus legghen ter tyt toe dat hartoghe Kaerl van Burgongen graef van Hollant worde. Int Jaer xiiiic. ende xvii (1417) heeft een groete strydt geweest gy Gorricom tusschen Jonckar Willem, heeren Jans soen van Arckel, die gevanghen was, ende vrou Jacoba, daer Jonckar Willem verslaghen worde ende die Heerlicheyt van Arkel ende van alt lant van Mechelen starf opt Huys van Egmont. In dese strydt worde oeck gevanghen die Heer van Egmont van die van Utrecht, mer sy die wonderlicke beleeftheit van die Heer van Egmont doersien hebben, soe hebben sy hem vry gelaten ende hebben hem mit grooter eeren wederom tot Egmont gebrocht. Int Jaer ons heeren xiiiic. ende xxiii (1423) starf haestelicken Hartoghe Reynout van Gelre ende dat Hartoghdom van Gelre is gestorven op vrou Maria van Arckel, des Heeren Jans huysvrou van Egmont, ende Jonckar Aernout, haer beyder soen, is geworden hartoghe van Gelre ende oeck mede grave van Zutphen. Ende want Jonckar Arnout noch iong was, soe regierde heer Jan van Egmont dat lant van Gelre als een waerachtich voecht ende momber van syn soen, ter tyt toe dat hartoghe Arnout van Gelre tot syn iaeren quam. Dese heer Jan van Egmont stichte op die hoeve (als hy dat ouwe capelliken hadde doen afbreken ende hadde een ander groeter doen maken) een collegium van ses canoniken, die hy begaefde mit syn eygen goet. Ende hy was al tyt een groet doerluchtich prince ende als hy ten oerloch quam, droech hy een gordel vol silveren bellen om syn lyf, om dat men hem kennen ende hoeren soude, want hy was van allen crysluyden seer bemindt om synder vroemheit ende doechden; hy hieten oeck daer om heer Jan mitten bellen ende als hy gram was soe stong syn haer recht op syn hooft. Ende hy starf int Jaer ons heeren xiiiic. ende li, als hy mit groeter eren xlii (42), iaer geregiert hadde, den iiii dach in Januario (4 januari 1451), ende hy is in syn Canonisie, die hy selfs gesticht hadde, begraven; over wiens graf heer Jan die eerste grave tot Egmont een schoene metalen combe heeft doen maken. Ende vrou Maria van Arckel, syn huysvrou, starf voer hem Int iaer xiiiic. ende xv. den xviii. dach van Julio (18 juli 1415). Dese heer Jan van Egmont hadde in syn leven grote twist met heer Willem van Matenes, abt van Egmont, mer oude hartoghe Philips van Burgongen heeft tuszchen hoer beyden die pays ghemaeckt. Op dese tyt was een man op die hoeve, ghenoemt Jan Clopper, ende was oudt hondert ende xl. iaer (140); hy plach nimmermeer te eten dan savonts als die son onder was.
_____
*1): Volgens Hovaeus en Vrou Jolenta 8000 Kroonen.
Brussel 18307.
Jan, second du nom, seigneur d'Egmond et apres la mort de son frere Guillaume fut seigneur de Iselsteyn, espousa Maria d'Arckel, duchesse presumptive de Gueldres, comtesse de Sutphen, dame du pays de Malines*1) (fille d'Jan, seigneur d'Arckel, Gorchom, Leerdam, Pierrepont, thesoriergeneral du pays de Hollande, et Jenne, duchesse de Gueldres). Ce Maria mourut le 18 d'juillet l'an 1415 et gist a Iselsteyn. Il mourut l'an 1451 et gist a Egmond; de laquelle il procrea
1. Arnoul, duc de Gueldre, (etc.)
2. Guillaume Egmond, fut mentione cy-apres.
_____
*1): Malines=Mechelen.
Detmold L3 nr. 429 fol. 132.
Desen heer Jan van Egmonts wijff was vrou mari hertoch Jan van Arkels dochter daer hij bij wan Hertoch aernt van ghelre ende heer Willem van Egmont ende van ijselsteijn dese vrou marij was ontvoert van den heer van Egmondt. Want hoer moeder was een dochter van gulick ende op hoer broeders bestarff dat hertochdom van gelrelant Dese heer Jan fundeerde een canosij tot egmondt op sij hoff van ses canonicke en hij sterff int jaer ons heren M.cccc.li. (1451) ende leijt tot Egmondt op sij hoff begraven Sijn vrou was ghestorven van kijnde int jaer ons heren M. cccc. xv (1415) ende leijt begraven mit dat kijnt tot ijselsteijn.
Brussel 6049.
Johannes, filius Arnoldi, dominus de Egmonda, hic duxit occulte in uxorem Mariam, filiam Johannis domini de Arckel, cuius Mariae avunculi fuerunt Wilhelmus et Reynaldus, duces Juliae et Gelriae, ex qua genuit Arnoldum postmodum ducem Gelriae et Wilhelmum dominum de Egmonda. Arnoldus autem praefatus natus fuit anno domini mccccxo (1410) et Wilhelmus frater eius natus est anno domini mccccxii (1412). Obiit autem Johannes dominus de Egmonda anno donini mcccclio (1451), die quarta mensis Februarii et sepelitur in capella curiae suae in Egmonda, ubi collegium sex canonicorum fundaverat. Uxor autem eius obierat pregnans anno domini mccccxv (1415)*1), die xiii (8) Kalendas Augusti et sepelitur in Yselsteyn cum prole sua excisa et nata. Frater vero eius Wilhelmus, dominus de Yselsteyn, obiit anno domini mcccclio (1451), ultima die*2) illius anni sine libertis, sepultus in Yselsteyn. Reliquit tamen post se Arnoldum, bastardum de Yselsteyn militem et castelanum in Woerden.
_____
1): In het Voorste Haagse handschrift staat nog:
Ende syn vrouwe was te vooren gestorven int jaer 1415 ende wort van haren kinde gesniden, mar sy ende dat kindt storven en sy worde tot Ysselsteyn
begraven.
2): die= dies.
Utrecht Nr. 7a.
Deze heer Jan van Egmont wan by syn huysvrou Maria heer Jan van Arckels dochter, hertoch Aernt van Gelre ende heer Willem van Egmont ende Yselsteyn. Dese vrou Maria was ontvoert van de heer van Egmont want haer moeder was een dochter van Gulick ende op haer broeder besterft dat hertochdom van Gelderlant. Deze heer Jan fondeerde een canonesy tot Egmont op syn hoff van ses canonicken ende hy sterft int jaer ons heeren mccccli (1451) ende leyt tot Egmont op syn hoff begraven. Syn vrau was gestorven van kinde int jaer ons soonen mccccxv (1415) ende leyt begraven met dat kint tot Yselsteyn.
Winkler Prins
Jan II van Egmond (ca. 1385 -4 jan. 1451), bijgenaamd "Jan met de Bellen" omdat hij in de oorlog een gordel met zilveren bellen droeg, werd in 1409 bij de dood van Arnold, heer van Egmond. In datzelfde jaar huwde hij met Maria van Arkel, waardoor het geslacht Egmond werd verrijkt met vele Arkelse bezittingen. Maria van Arkel was bovendien een nicht van hertog Reinoud IV van Gelre en toen deze in 1423 stierf, kwam het hertogdom aan het geslacht Egmond. Politiek was Jan fel Kabeljauws hetgeen hem tot een verklaard tegenstander maakte van graaf Willem VI en Jacoba van Beieren, en dus tot partijganger van de elect Jan van Beieren. Zijn grote rijkdom stelde hem in staat de strijd van de elect en Filips van Bourgondië tegen Jacoba van Beieren gedeeltelijk te financieren, hetgeen hem als onderpand Leerdam opleverde. De strijd tegen Willem VI en Jacoba kostte hem in 1417 zijn slot IJselstein, dat ter sloping werd overgelaten aan de burgers van Utrecht, die op die wijze hun haat tegen Jan konden koelen. In 1423 werd hij voor zijn zoon Arnold regent in Gelre. Aan het eindeloze conflict tussen de abten van Egmond en het geslacht Egmond, dat door de abdij terecht van eeuwenlange usurpatie werd beschuldigd, kwam een einde doordat in 1439 nu ook juridisch de heerlijkheid van de abdij werd losgemaakt; de ontwikkeling van de voogdij over de abdijgoederen tot eigen heerlijkheid was daarmee afgesloten. Lit.: Nieuw Ned. Biogr. Wbk., m, kol. 331- 333.
Dek
Volgde in 1409 zijn vaderals heer van Egmond op, droeg in de oorlog een gordel met zilveren bellen, kwam in conflict met graaf Willem VI, later met Jacoba van Beieren, zijn slot IJsselstein werd in 1417 met de grond gelijk gemaakt. Hij diende de elect in Holland en werd na 1423 regent voor zijn zoon in het hertogdom Gelre, verwierf de heerlijkheid Leerdam in pand, bereikte in 1439 dat zijn heerlijkheid Egmond van het klooster werd afgescheiden.
Overleden
4 januari 1451, begraven
Egmond, in de Slotkapel.
Hier ligt nog een fraaie steen. Zie Bl. 07.*******************, zoon van
Aarnoud I / Arend I van EGMONT 22e Heer van Egmont van 1369 tot 1409 (zie
XVIIIa) en
Jolanda (Jolenta) gravin van LEININGEN.
Gehuwd (1)
24 juni 1409.
Door dit huwelijk kwamen vele Arkelse goederen aan het huis Egmond.
Euwenlang hadden de heren van Arkel geprofiteerd van het feit, dat hun rijke goederen gelegen waren in een gebied waar de macht van de graaf van Holland, van de bisschop van Utrecht en van de hertogen van Gelre en Brabant nooit helemaal duidelijk was. Tot hun heerlijkheid behoorde o.a. Gorinchem, Heujelom, Asperen, Leerdam, Hagestein, Haastrecht, Schoonrewoerd, Everstein, Bergambacht en Zoelen. Volgens de oude sage kwam de eerste Arkel op een zwaan de rivier afdrijven, om zich aan de Linge voorgoed te vestigen en er een slot te bouwen. De Arkel's waren stamde af uit het beroemde geslacht van der Lede, waarvan de oorsprong tot in de twaalfde eeuw is na te gaan. Herbaren van der Lede komt voor van 1227 tot 1243 en was de vader van Jan I heer van Arkel, die tot in het jaar 1264 voorkomt. Zijn zoon Jan II van Arkel vocht in 1288 mee bij Woeringen, hij sneuvelde in 1297 bij Vronen. Zijn zoon Jan III van Arkel speelde een rol onder graaf Willem III, hij komt voor tot in het jaar 1326 en huwde eerst met Mabella van Voorne en daarna met Cunegonde van Vimenburg. Uit het eerste huwelijk kwam Jan IV van Arkel, overleden in mei 1360, gehuwd met Ermgard van Cleve. Deze Jan IV van Arkel koos met graaf Willem V de zijde van de Kabeljauwen, vooral uit wrok tegen de machtige heer Willem van Duivenvoorde. Sinds dien bleven de heren van Arkel, tot het bittere einde, trouw aan de zaak van de Kabeljauwen.
Heer Otto van Arkel, zoon van Jan IV, stierf in 1396, na zijn macht aanzienlijk te hebben uitgebreid. Hij was gehuwd met Elizabeth van Bar, vrouwe van Pierpont en werd opgevolgd door zijn enige wettige zoon Jan V de laatste heer van Arkel. Deze Jan V, geboren in 1362, kwam, evenals zijn vader, na de moord op Aleida van Poelgeest zeer in de gunst. Hij was enige tijd tresorier van Holland, maar de moeilijkheden begonnen toen de oude Albrecht van Beieren zich met zijn zoon verzoende. Deze zoon, de latere graaf Willem VI, was de leider van de Hoeken, de gezworen vijand van de Arkel's. In 1401 begon de strijd. In 1404 volgde Willem VI zijn vader op. Met zijn sloten Hagestein en Everstein beheerde Arkel de Lek. In 1405 werden deze 2 kastelen door de graaf verwoest. In 1412 verloor Arkel vrijwel alle bezittingen, zijn land werd voorgoed bij Holland ingelijfd. In 1415 viel de oude heer van Arkel in handen van Willem VI, daarna zat hij in 's-Gravenhage gevangen. Zijn enige zoon jonker Willem van Arkel sneuvelde 1 december 141? in de straten van Gorinchem, bij een poging om zijn erfdeel te heroveren. Hij was ongehuwd.
De oude heer van Arkel werd later op vrije voeten gesteld, hij stierf in augustus 1428 te Leerdam, als laatste van zijn geslacht.
Het toeval wil dat in hetzelfde jaar 1428, door deZoen van Delft, de Hoeken voorgoed het onderspit moesten delven in het graafschap Holland. Philips van Bourgondië kreeg de macht in handen en begroef de strijdbijl. Voor Arkel kwam deze ommekeer te laat, maar de Egmond's plukten er snel de vruchten van.
Echtgenote is
Maria van ARKEL Hertogin van Gelre, Gravin van Zutphen, Vrouwe van de Landen van Mechelen.
Zij werd in 1406 ontvoerd uit het slot Kaster te Gulik. Zij krijgt 1409 6000 Fr. kronen als huwelijksgift van Reinald van Gelre.
Overleden
19 juli 1415,
in kraambed. Begraven
IJsselstein.
Met het kind. Zie Ned. Leeuw 1954, blz. 216. [Hovaeus]. Dochter van
Jan V van ARKEL Heer van Arkel en
Johanna van GULIK.
Gehuwd (2).
Jan (bastaard).
Overleden
voor 1468.
Dek
Voor 20 juni 1468.
12 september 1410 Akte voor notaris Ysbrant Symons betr. het Schoutambt van Jacob bastaard van Egmond. [Arch. Nat. Paris T] Mogelijk is dit deze Jan*1)
_____
*1): Hij moet 1410-18= vóór 1392 zijn geboren. Hij ┼ 1468 en werd dus minimaal 76 jr. oud.
Arnhold van EGMONT Hertog van Gelre en graaf van Zutphen, geboren
1410.
Hij werd als zoon van Maria, zuster van Reinald (Reinout) IV ┼ 1423 door de
Ridderschap en Steden verkozen tot Landsheer maar de Duitse Keizer beleende
hem er niet mee.
Dek
Volgde in 1423 zijn oudoom Reinoud IV op als hertog van Gelre en graaf van Zutphen, kwam echter in conflict met keizer Sigismund, raakte door de vele moeilijkheden zeer in de schuld, ondernam 1450-1452 een reis naar Palestina, werd 1465 door zijn zoon Adolf gevangengenomen, later door Karel de Stoute bevrijd, verpandde in december 1472 zijn hertogdom voor 300.000 gouden rijnse guldens aan Karel de Stoute.
Overleden
23 februari 1473 Grave, begraven
Grave, zoon van
Johan / Jan II van EGMONT (met de Bellen) 23e Heer van Egmont van 1409 tot 1451 (zie
XIXa) en
Maria van ARKEL Hertogin van Gelre, Gravin van Zutphen, Vrouwe van de Landen van Mechelen.
Gehuwd (1)
23 juli 1423 met
Catharina van KLEEF, 6 jaar oud, geboren
25 mei 1417.
Overleden
10 februari 1479 op 61-jarige leeftijd, begraven
Wezel, dochter van
Adolf I van KLEEF 1e hertog van Kleef en
Maria van BOURGONDIë.
Gehuwd (2).
Willem van GELRE, geboren
1434.
Overleden
jong.
Margaretha van GELRE, geboren
1436.
Overleden
2 november 1486 Simmern, Rijnland-Palts, Duitsland, begraven,
naast haar man.
Gehuwd
16 augustus 1454 Lobith met
Frederik I van SIMMERN, 37 jaar oud, geboren
24 april 1417.
Regeerde sinds 16 september 1444 in Sponheim en volgde tevens 14 februari 1459 zijn vader op in Simmern. Men noemde hem wel de Hundsrücker of de vrome hertog.
Overleden
29 november 1480 Simmern op 63-jarige leeftijd, begraven,
in de kerk van het voormalige Augustijnerklooster Ravengiersburg, zoon van
Stephan van SIMMERN paltsgraaf van Simmern en Zweibrücken (uit het huis Beieren-Wittelsbach) en
Anna erfdochter van VELDENZ.
Catharina van GELRE, geboren
1439,
regentes in het hertogdom Gelre 1477-1481.
Overleden
1496.
Gehuwd
begin 1464.
Maar de Franse koning Lodewijk XI liet deze verbintenis ongeldig verklaren. Louis de Bourbon was reeds 30 maart 1456 gekozen tot bisschop van Luik. Hij kwam daar in grote moeilijkheden en sneuvelde in de strijd tegen zijn onderdanen. Louis en Catharina hadden 3 zonen, van de oudste zoon stamt het geslacht Bourbon-Busset met
Louis de BOURBON.
Overleden
30 augustus 1482, zoon van
Karel I hertog de BOURBON en
Agnes van BOURGONDIë.
Johan bastaard van GELRE tot ARCEN.
Kreeg van zijn vader het huis te Grusfoort, werd 1478 kloosterbroeder te Mariëndal.
Overleden
1498.
Vermoedelijk was hij identiek met de minoriet, die 8 september van een onbekend jaar stierf.
Jacob bastaard van GELRE,
kapelaan bij zijn vader 1468.
Catharine bastaarddochter van GELRE,
non te Mariëndal bij Utrecht.
Overleden
7 oktober 1484.
Willem bastaard van GELRE.
Aleid bastaarddochter van GELRE (bij Katherina, dochter van Johannes van Straatsburg.
Over haar is er een legitimatiebrief van 7 april 1460 in het archiev van de Rekenkamer van Holland.
Jolante bastaarddochter van GELRE.
Agnes bastaarddochter van GELRE,
non in het klooster Bathanië.
Frederik bastaard van GELRE.
Overleden
3 juni 1467.
Adolf van GELRE, geboren
1438.
Kwam in conflict met zijn vader, trad na 1456 samen met zijn moeder in verbinding met Philips de Goede van Bourgondië, nam 1465 zijn vader gevangen, was zelf 1471-1477 de gevangene van Karel de Stoute, volgde zijn vader 1473 in naam op als hertog van Gelre en graaf van Zutphen, werd 1477 door de Vlamingen bevrijd.
Overleden
27 juni 1477,
sneuvelde voor Doornik, zoon van
Arnhold van EGMONT Hertog van Gelre en graaf van Zutphen (zie
XXa) en
Catharina van KLEEF.
Gehuwd (1)
28 december 1463 met
Catharine de BOURBON.
Overleden
21 mei 1469, begraven
Nijmegen,
in de St. Stevenskerk, dochter van
Karel I hertog de BOURBON en
Agnes van BOURGONDIë.
Gehuwd (2).
Philippa, geboren
circa 1465.
Overleden
28 februari 1547.
Gehuwd
1 september 1485 met
René II hertog van LOTHARINGEN, 34 jaar oud, geboren
2 mei 1451.
Nam 4 augustus 1473 bezit van het hertogdom Lotharingen (nadat zijn neef Nicollas van Calabrië 24 juli ongehuwd gestorven was), verloor 1475-1477 Lotharingen aan Karel de Stoute, erfde 2480 van zijn grootvader René van Anjou het hertogdom Bar.
Overleden
10 december 1508 op 57-jarige leeftijd, zoon van
Frederik VI graaf van VAUDEMONT en
Jolande van ANJOU.
Willem bastaard.
Vermeld in 1526 als kanunnik te Utrecht en Xanten.
Joachim bastaard,
kanunnik te Zutphen, in 1522 kapelaan van hertog Karel (zijn halfbroer), in 1527 pastoor van Aldenkitchen.
Katharina bastaarddochter,
geestelijke te Nazareth 1526.
(bij een zekere Heinsken) Ermgard bastaarddochter.
Karel van EGMOND hertog van Gelre en graaf van Zutphen, geboren
9 november 1467 Grave.
Werd na 1473 opgevoed onder toezicht van Karel de Stoute en later van Maximiliaan van Oostenrijk, raakte 1487 bij Béthune in Franse krijgsgevangenschap, werd 1492 losgekocht door de Gelderse steden en gehuldigd als hertog van Gelre en graaf van Zutpen. Daarna begon een eindeloze oorlog voor het behoud van de zelfstandigheid van Gelre tegen de opdringende Habsburgerse macht.
Hertog Karel had geen wettige kinderen.
Overleden
30 juni 1538 Arnhem op 70-jarige leeftijd, begraven
Arnhem,
in de Eusebiuskerk, zoon van
Adolf van GELRE (zie
XXIa) en
Catharine de BOURBON.
Gehuwd (1) op 51-jarige leeftijd
7 december 1518 Celle met
Elisabeth van BRUNSWIJK‑LÜNEBURG, 24 jaar oud, geboren
11 september 1494.
Overleden
2 april 1572 Gelder op 77-jarige leeftijd, begraven
Gelder, dochter van
Hendrik hertog van BRUNSWIJK‑LÜNEBURG en
Margaretha van SAKSEN.
Gehuwd (2).
(bij Johanna van Rietwijck) Catharina bastaarddochter van GELRE, geboren
circa 1511.
Overleden
1601,
op Slot Heukelom.
Gehuwd
25 september 1532 huw. voorw. Echtgenoot is
Walraven van ARKEL heer van Waardenburg.
Overleden
1557, zoon van
Otto van ARKEL en
Walravina van BROEKHUIZEN.
Adolf bastaard van GELRE.
Verkocht in 1544 zijn rechten op de tienden te Groot-Driel.
Overleden
na 1549.
(bij Maria van Enderstein?) Anna Barstaarddochter van GELRE.
Overleden
voor 1569.
Gehuwd (1)
1520 met
Adriaan van BUREN heer van den Aldenhaag bij Zoelen,
ambtman van de Nederbetuwe, richter van Tiel.
Overleden
1527.
Gehuwd (2)
1538 met
Claas VIJGH tot BLANKENBERG ridder, heer van Elst,
ambtman van de Nederbetuwe,
1555-1579 vermeld onder de ridderschap van Nijmegen.
Overleden
1595.
(bij Anna van Roderlo) Karel bastaard van GELRE de OUDE,
stadhouder van zijn vader in Groningen 1529-1535, geboren
circa 1508.
Viel 1535 in ongenade, beschreven als heer van Caldenhoven in de Veluwse ridderschap 1539, woonde later te Danzig, keerde in 1560 maar Gelderland terug.
Overleden
1568,
maakte 10 juni te Zutphen een testament, hij was 29 juli dood, zoon van
Karel van EGMOND hertog van Gelre en graaf van Zutphen (zie
XXIIa).
Gehuwd (1)
circa 1545 met
Elisabeth BUNING.
Zij erfde van haar ouders een huis te Amsterdam.
Gehuwd (2)
5 juni 1565 huw. voorw. Echtgenote is
Maximiliana van der MARCK en AREMBERG.
Bastaarddochter van Robert III graaf van der Marck-Aremberg, overl 1544.
Margriet van GELRE, geboren
circa 1566.
Overleden
na 1568.
Carel van GELRE.
Was gegoed met de vaderlijke goederen te Reichenberg in Danzig. Mogelijk was hij identiek met Carol van Gellern, advocaat te Danzig, die in november 1597 huwde met Judith Dittmer.
Begraven
1600 Danzig,
in de kerk.
Zoon van GELRE.
stierf in Pruisen.
Adolf van GELRE.
In 1568 beleend met het leengoed afkomstig van zijn vader o.a. Caldenhoven, Ockhorst, een deel van Baeckerweerd en de Wiltbaan onder Brummen. Hij verbleef 1570 in Pruisen en 1588 in Danzig.
Overleden
1597, zoon van
(bij Anna van Roderlo) Karel bastaard van GELRE de OUDE (zie
XXIIIa) en
Elisabeth BUNING.
Gehuwd,
in augustus 1568 met
Geertruida van STEENBERGEN.
Zij woonde als weduwe te Amsterdam in "de Witte Oliphant".
Begraven
16 augustus 1610 Amsterdam,
in de Oude Kerk, dochter van
Karel van STEENBERGEN en
Geertruida van RENESSE.
Christopher van GELRE, geboren
1576.
Verkocht 1610/1611 het leengoed Caldenhove en in 1625 het Zeijbroeck, het Nederlaer en de Wildbaan. Hij vestigde zich te Danzig.
Overleden
13 december 1641 Danzig, begraven
Danzig,
in de Mariënkirche, zoon van
Adolf van GELRE (zie
XXIVa) en
Geertruida van STEENBERGEN.
Gehuwd
29 december 1621 Danzig met
Anna van MOLLEN, geboren
1600.
Begraven
16 december 1666 Danzig, dochter van
Ambrosius van MOLLEN.
Anna, gedoopt
5 februari 1623 Danzig.
Gehuwd met
Johan KREISS.
Carolus, gedoopt
12 mei 1624 Danzig.
Begraven
9 maart 1673 Danzig op 48-jarige leeftijd.
Adolphus, gedoopt
21 mei 1628 Danzig.
Huurde in 1671 met zijn broer Christopher de bezitting Swincz, 20 km ten zuiden van Danzig.
Gertrude.
Gehuwd met
Gillis TIBAUT.
Christopher van GELRE.
Huurde in 1671 met zijn broer Adolphus de bezitting Swincz.
Overleden
voor 1679, zoon van
Christopher van GELRE (zie
XXVa) en
Anna van MOLLEN.
Gehuwd met
Onbekend.
Karel.
Vermeld 1680 te Danzig.
Adolph.
Vermeld 1680 te Danzig.
Christopher.
Vermeld 1680 te Danzig, verkocht 1693 en 1706 de goederen te Reichenberg, 10 km ten oosten van Danzig.
Overleden
1707,
vermoedelijk.
(bij een Van Rosaw of van Rosande?) Karel bastaard van GELRE de JONGE, geboren
circa 1515.
Kreeg in 1538 van zijn vader de Gelderse Toren te Spankeren, een waard te Ingen (= de Geldersweert) en een molen bij het Gulden Spijcker.
Overleden
21 januari 1576, zoon van
Karel van EGMOND hertog van Gelre en graaf van Zutphen (zie
XXIIa).
Gehuwd (1)
4 mei 1538 huw. voorw. Echtgenote is
Fenna van BROECKHUIJSEN.
Overleden,
na 25 mei 1592 en voor 1598, dochter van
Johan van BROECKHUIJSEN.
Gehuwd (2).
Geertruid van GELRE.
Overleden
na 1619.
Gehuwd
28 augustus 1575 met
Goossen van VARICK,
eerste rekenmeester van Gelderland 1592-1622, geboren
circa 1535.
Overleden
1623, zoon van
Cornelis van VARICK tot WEIJENRADE en
Anna du JARDIN de la MOTTE.
Catharina van GELRE vrouwe van de Gelderse Toren in Spankeren.
Overleden
voor 1614.
Gehuwd
1 november 1595 huw. voorw. Echtgenoot is
Herman van DELEN.
Vermeld 1598-1619 onder de Ridderschap van de Veluwe.
Zoon van
Evert van DELEN van LAER en
Elisabeth van LEEUWEN.
Helena van GELRE.
Overleden,
voor 30 september 1617.
Aleijda van GELRE.
Bezat met haar zuster Helena o.a. het Vijf Tutengoed te Spankeren.
Overleden
23 september 1619 Harderwijk, begraven
7 oktober 1619 Harderwijk.
Carel van GELRE de JONGSTE,
schepen van Arnhem 1567 en de volgende jaren, burgemeester 1579, 1583, 1587 en 1591, landrentmeester van Gelderland, geboren
circa 1540.
Overleden
18 januari 1601 (Arnhem?), zoon van
(bij een Van Rosaw of van Rosande?) Karel bastaard van GELRE de JONGE (zie
XXIIIb) en
Fenna van BROECKHUIJSEN.
Gehuwd
circa 1570 met
Maria van BUCKHORST.
Begraven
22 januari 1603, dochter van
Willem van BUCKHORST en
Mechteld OEM van WIJNGAARDEN.
Carel van GELRE.
Overleden
1602 Frankrijk.
Arend van GELRE.
Overleden
1597.
Johan van GELRE.
Overleden
voor 1610.
Floris van GELRE.
In 1608 onmondig.
Overleden
voor 1614.
Adolph van GELRE.
In 1608 onmondig.
Overleden
circa 1618.
Otto van GELRE heer van de Welle (te Vleuten), geboren
circa 1590.
Woonde eerst te Arnhem, in 1638 te Rhenen, verkocht 1650 zijn Gelders leengoed te Delen.
Overleden,
tussen 9 december 1651 en 1657, zoon van
Carel van GELRE de JONGSTE (zie
XXIVb) en
Maria van BUCKHORST.
Ondertrouwd
6 juni 1624 Arnhem met
Florentina VALCKENAER.
Overleden
voor 1657, dochter van
Herman VALCKENAER heer van de Duckenburg bij Nijmegen en
Margaretha van MATHENESSE.
Carel heer van de Welle,
commandeur van Doesburg 1685, commandeur van Rhenen 1695, commandeur van Dieren 1703, geboren
1 oktober 1632.
Heer van Welle als opvolger van zijn broer, ridder van de Duitse Orde.
Overleden
9 december 1706 op 74-jarige leeftijd, begraven
Rhenen.
Frederik Willem, gedoopt
6 april 1638 Rhenen.
Overleden
jong.
Margaretha.
Overleden
na 1657.
Herman heer van de Welle 1657,
luitenant 1662.
Overleden
voor 1680.
Ondertrouwd
19 maart 1662 's-Hertogenbosch met
Anna Maria de BERGAIGNE.
Overleden
22 november 1690,
wellicht te 's-Hertogenbosch, dochter van
Hendrik de BERGAIGNE,
hoog- en laagschout van 's-Hertogenbosch, en
Robertina van VLADERACKEN.
Maria.
Maakte 23 november 1698 met haar broer Carel een testament.
Overleden
voor 1706.
Adolph van GELRE.
Kreeg 13 mei 1593 commissie als kapitein in het Staatse leger, nam in 1614 deel aan de operaties in het Gulikse (Het Staatsche Leger, deel III, uiyg. 1915, blz. 229, noemt echter als kapitein in 1620 een Adolf van Gelder, heer van Welp. Wellicht was dat de op blz. 31 van dit boek genoemde Adolph, die nog in 1608 onmondig was).
Overleden
20 januari 1619 Deventer, begraven
Deventer,
in de Lebuinuskerk, zoon van
(bij een Van Rosaw of van Rosande?) Karel bastaard van GELRE de JONGE (zie
XXIIIb) en
Fenna van BROECKHUIJSEN.
Gehuwd
10 maart 1607 Deventer met
Maria van BATENBURG.
Overleden
29 maart 1618 Deventer, dochter van
Godert van BATENBURG en
Margaretha FOCKINK.
Charlotte, gedoopt
30 december 1607 Deventer,
waarschijnlijk.
Overleden
Warmelo,
in 1690 of 1691.
Gehuwd (1) op 18-jarige leeftijd
5 december 1626 Deventer, gescheiden na 7 jaar
12 mei 1634 van
Dirck van BRIENEN,
kapitein.
Dochter van
Hendrik van BRIENEN en
Petronella de WAAL.
Gehuwd (2) op 46-jarige leeftijd
24 juni 1654 huw. voorw. Warmelo met
Gerrit SLOET.
Overleden
1676, dochter van
Arent SLOET en
Mechteld van de VEEN.
Fenna, gedoopt
30 december 1607 Deventer,
tweeling met de voorgaande.
Overleden
23 november 1641 op 33-jarige leeftijd, begraven
30 november 1641 Echteld,
in de kerk.
Gehuwd
voor 1628 met
Hendrik van BRIENEN,
kapitein in Statendienst, anbtsjonker van Nederbetuwe.
Overleden
20 december 1663 Echteld, zoon van
Hendrik van BRIENEN en
Petronella de WAAL.
Carel Godfried heer van Warmelo, geboren
circa 1609 (Deventer?).
Overleden
Harderwijk,
kort voor 1639.
Elisabeth, gedoopt
2 december 1610 Deventer.
Erfde van haar broer het goed Elferdinck onder Diepenheim en van haar ouders een aandeel aan Geldersweert te Ingen. Woonde te Wijk bij Duurstede.
Overleden
voor 1671.
Gehuwd op 21-jarige leeftijd
3 april 1632 Deventer met
Daniel de BEDARIDES,
luitenant.
Judith, gedoopt
19 april 1612 Deventer.
Erfde een aandeel in Geldersweert van haar ouders en van haar broer een aandeel in Warmelo, ongehuwd in 1640.
Overleden
1645.
Jan bastaard van GELRE.
Zoon van
(bij een Van Rosaw of van Rosande?) Karel bastaard van GELRE de JONGE (zie
XXIIIb).
Gehuwd
6 april 1583,
waarschijnlijk met
Anna Willemsdr van DOELCKEN.
Carel,
soldaat 1613, vice-commandeur van Emmerik 1614-1625.
Kreeg in 1600 subsidie om naar school te kunnen, was 1609 op het gymnasium te Arnhem.
Gehuwd
3 januari 1613 Arnhem met
Trijne Jansdr van GOCH.
Peter bastaard van GELRE,
hopman op de vloot van Christoffel van Oldenburg.
Erfde van zijn vader tienden te Groot-Driel.
Overleden
Kampen,
in februari 1566, begraven
Kampen,
in de Bovenkerk, zoon van
Karel van EGMOND hertog van Gelre en graaf van Zutphen (zie
XXIIa).
(?) Catharina.
Gehuwd
1560 met
Johan van LYNDEN heer van Boelenham.
Zoon van
Jasper van LYNDEN tot HEMMEN en
Anna van BRONCKHORST.
Jan bastaard van GELRE,
drost van Kriettenbeek en Erkelens in 1492, schout van Hattem in 1502, geboren
1470.
Ontving in 1501 Rozendaal in pandschap, beleend met Wilp in 1508.
Overleden
1509, zoon van
Adolf van GELRE (zie
XXIa).
Gehuwd
voor 1509 met
Margriet van EVERSDIJK.
Dochter van
Michiel van EVERSDIJK.
Joachim.
Overleden,
voor 27 maart 1556.
Anna vrouwe van Schoonderbeek,
drostin van Hattem.
Kreeg van hertog Karel dit goed en tevens f 300 per jaar na het overlijden van haar man, door de hertog uit Hattem verjaagd.
Overleden
1557.
Gehuwd
8 januari 1513 morgengave Zutphen met
Michiel van BAMBERG,
generaal van de troepen van hertog Karel van Gelre.
Overleden,
sneuvelde bij Steenre.
Margriet,
non te Doesburg.
Catharina,
non te Elburg.
Verzocht in 1559 samen met haar zuster Ismeria, voorzetting van het pensioen en de woning te Schoonderbeek, wegens armoede.
Ismeria.
Vermeld met haar zuster Catharina 1n 1559, kocht 7 december 1575 van Carel van Steenbergen een lijfrente.
Overleden
15 september 1588 Harderwijk.
Johan van GELRE.
Beleend met Wilp in 1510. Op 13 september 1547 werd verklaard, dat zijn stiefvader voor 1¼ jaar aan hem en aan zijn zuster Anna brieven en zegel van zijn moeder had overgedragen.
Overleden,
voor 23 juli 1550, zoon van
Jan bastaard van GELRE (zie
XXIIb) en
Margriet van EVERSDIJK.
Gehuwd met
Jolenta van VAUDEMONT.
Kind (naam onbekend).
Op 6 oktober 1553 moest voor dit kind, aan een burger te Xanten, voor 1½ jaar kostgeld betaald worden, waarvoor de tante Anna van Gelre aan de schout van Nijkerk schreef.
Reinier bastaard van GELRE heer van Grunsfoort 1499,
drost van de Veluwe, stadhouder van het Overkwartier, geboren
1476 (?).
Overleden
10 november 1522, zoon van
Adolf van GELRE (zie
XXIa).
Gehuwd
29 juni 1503 huw. voorw. Echtgenote is
Aleid SCHENK van NIJDEGGEN.
Erfgename van Arcen, Velden en Schandelo.
Dochter van
Wijnand SCHENK van NIJDEGGEN en
Johanna van der DONCK.
Wijnand,
kanunnik te Aken en pastoor van Arcen.
Karel,
kanunnik te Xanten.
Valenus (Philenus) heer tot Walbeeck.
Was 1552 op het gericht te Barneveld.
Overleden
na 1564.
Anna.
Overleden
voor 1572.
Gehuwd
1517 huw. voorw. waarbij werd bepaald dat het huwelijk zou plaats hebben als zij 15 jaar oud zou zijn met
Johan van QUADT heer van Wijckradt.
Zoon van
Diederik van QUADT en
Regina SCHEIFFARD van MERODE.
Catharina.
Werd 1559 met Grunsfoort beleend.
Overleden
1570.
Gehuwd (1) met
Hendrik van STEPRAADT heer tot Ewijck en Doddendael,
drost van Wageningen, burgemeester van Nijmegen.
Overleden
1555.
Gehuwd (2) met
Gerard van EIJS heer van Beusdael.
(bastaarddochter?) Johanna,
non in het Benedictinessenklooster, Neuwerck bij München-Gladbach.
Vermeld 1532.
Dirk van GELRE heer van Arcen, Velden en Schandelo.
Werd 1 april 1528 onmondig beleend met Grunsfoort, in 1555 en 1565 vermeld op de Riddercedulen van het Overkwartier, werd in 1564 onder curatele gesteld.
Overleden
1570? Zoon van
Reinier bastaard van GELRE heer van Grunsfoort 1499 (zie
XXIIc) en
Aleid SCHENK van NIJDEGGEN.
Gehuwd
7 april 1536, gescheiden
1561 van
Frederika van HEECKEREN GENAAMD RECHTEREN.
Overleden
1577 kasteel Enghuizen, Hummelo, dochter van
Frederik van RECHTEREN en
Judith van AESWIJN.
Frederica, geboren
circa 1544.
Vermeld 1564, zij was 22 april 1592 weduwe.
Gehuwd
voor 1592 met
Evert van der SCHUEREN.
Overleden,
voor 22 april 1592.
Wijnolt.
Overleden
1582,
kinderloos.
Catharina.
Overleden,
voor 22 april 1592, op welke datum haar familieleden, ingevolge haar testament, procuratie verleenden.
Agnes.
Overleden
2 juni 1602.
Gehuwd (1)
voor 1590 met
Evert van BROEKHUIJSEN.
Gehuwd (2)
1590 met
Willem van ARENBERG heer van Ressen en Doornik in de Over-Betuwe.
Zoon van
Otto van ARENBERG.
Anna (Maria?).
Overleden,
na 22 april 1592.
Gehuwd met
IJsbrant van HERTEFELD.
Judith.
Gehuwd met
Hendrik van VOORST.
Zoon van
Johan van VOORST en
Johanna van ESCHEDE.
Maria.
Overleden
1616, begraven
Goch,
in de kerk.
Gehuwd (1)
voor 1589 met
Maarten SCHENCK van NIJDEGGEN,
beroemd krijgsoverste, eerst in Staatse dienst, daarna onder Rennenberg en Parma in Spaanse dienst, na 1585 weer in Staatse dienst, geboren
circa 1540 Goch.
Overleden
10 augustus 1589,
verdronken in de Waal voor Nijmegen, zoon van
Dirk SCHENCK van NIJDEGGEN en
Jkvr. N.N. van BERLAER.
Gehuwd (2)
1600 met
Sander van TELLICHT.
Zoon van
Sander van TELLICHT en
Elisabeth van MUNSTER.
Reinier van GELRE heer van Grunsfoort, Arcen en Zoelen 1580.
Stond 1565-1586 vermeld op de riddercedulen van het Overkwartier.
Overleden
1602, zoon van
Dirk van GELRE heer van Arcen, Velden en Schandelo (zie
XXIIIe) en
Frederika van HEECKEREN GENAAMD RECHTEREN.
Gehuwd (1)
1 maart 1570 met
Margriet van RECHTEREN GENAAMD VOORST.
Overleden
1601, dochter van
Frederik van RECHTEREN en
Walravina van HAEFTEN.
Gehuwd (2)
2 oktober 1602 huw. voorw. Echtgenote is
Wilhelmine van WREDE.
Dochter van
Hendrik van WREDE en
Anna WOLF GENAAMD LUDINGHAUSEN.
Judith.
Gehuwd
1602 met
Godfried van BOCHOLTZ.
Reinier van GELRE (GELDER) heer van Arcen.
Overleden
17 oktober 1616, zoon van
Reinier van GELRE heer van Grunsfoort, Arcen en Zoelen 1580 (zie
XXIVe) en
Margriet van RECHTEREN GENAAMD VOORST.
Gehuwd
5 juli 1603 huw. voorw. op huize Froitzheim met
Katharina van PALLAND.
Erfgename van Frechen en Bachem.
Overleden
11 januari 1662, dochter van
Marsilius van PALLAND heer te Wachendorf en
Anna van WINCKELHAUSEN.
Judith Catharina van GELDER,
non.
Margaretha Clara van GELDER.
Overleden
11 september 1666.
Gehuwd
4 november 1631 met
Johan Tybert van WIJENHORST te DONCK.
Reinier van GELDER.
Ridder van de Duitse Orde, commandeur te Einsiedel en te Luxemburg, heer van Bree in oktober 1650, droeg Bree 1 augustus 1659 over aan de zoon van zijn broer.
Overleden
13 mei 1679.
Marsilius van GELDER heer van Arcen, Frechen en Bachem,
drost te Kessel 28 januari 1630.
Overleden
1656 Arcen, zoon van
Reinier van GELRE (GELDER) heer van Arcen (zie
XXVc) en
Katharina van PALLAND.
Gehuwd
17 februari 1635 Kleef met
Johanna Maria van LÜTZERODE tot CLARENBEEK, geboren
1610/1611.
Overleden
1 oktober 1698 Arcen, dochter van
Johan Reinier van LÜTZERODE en
Margaretha van ROLSHUIZEN.
Reijnier Marsilius.
Overleden
17 september 1687 Arcen.
Hij wordt in de archieven van Arcen als de oudere broer vermeld, vermoedelijk was hij geestelijk ongeschikt om als heer van Arcen zijn vader op te volgen.
Johan Godfried baron van GELDER heer van Arcen, Frechen, Bachem en Bree.
Overleden
7 oktober 1676 Arcen, zoon van
Marsilius van GELDER heer van Arcen, Frechen en Bachem (zie
XXVIb) en
Johanna Maria van LÜTZERODE tot CLARENBEEK.
Gehuwd
14 september 1661 Slot Schlossberg met
Anna Maria Constantia van PALLAND.
Dochter van
Marsilius Freiherr van PALLAND te WACHENDORF en
Anna Isabella van MERODE‑SCHLOSSBERG.
Marsilius Mattheus Antonius baron heer van Arcen, geboren
21 september 1663.
Overleden
29 januari 1685 Wildenburg op 21-jarige leeftijd.
Johan Adriaan Willem baron heer van Bree 1684, heer van Arcen 1685, geboren
27 januari 1666.
Overleden
2 juli 1692 op 26-jarige leeftijd.
Werd 's avonds om 6 uur dodelijk verwond bij het kasteel Durffendael, bij de stad Zulch, in het land van Gulik, overleed aldaar dezelfde nacht om 12 uur. Hij werd overgebracht naar Vlatten, alwaar hij in de kerk werd begraven, in het graf der Heren van Gymnich.
Johanna Francisca Juliana Augusta, gedoopt
1 augustus 1676 Arcen.
Maria Aemilia Antonetta Raba,
kanunnikes te Schwartzen-Reindorff bij Bonn.
Gehuwd
15 4 168,
in de kapel van de H. Willibrordus bij Geisteren met
Johan Albert baron de NEERIJSCHE heer van Venray enz..
Isabella Maria Anna van GELDER.
Dochter van
Johan Godfried baron van GELDER heer van Arcen, Frechen, Bachem en Bree (zie
XXVIIa) en
Anna Maria Constantia van PALLAND.
Gehuwd
circa 1680 met
Frans Egon baron van GYMNICH heer van Vlaten.
Johan Werner Anton baron, gedoopt
27 januari 1685 Arcen.
Reinier Adolf Anton baron van GELDER,
in oktober 1670.
Overleden
21 juni 1733 Schwetzingen, begraven
Mannheim, zoon van
Johan Godfried baron van GELDER heer van Arcen, Frechen, Bachem en Bree (zie
XXVIIa) en
Anna Maria Constantia van PALLAND.
Gehuwd
2 oktober 1695 Slot Steinfurt, Westfalen met
Anna Maria Barbara Beatrix von der RECKE zu STEINFURTH, geboren
1674.
Overleden
18 februari 1731 Arcen, dochter van
Johan Dirk von der RECKE en
Elisa Sophia van ASCHENBERG.
Frans Anton, gedoopt
4 oktober 1696 Arcen.
Overleden
4 oktober 1696 Arcen, 0 dagen oud,
direct overleden.
Maria Anna Catharina Constantia Charlotte, gedoopt
9 maart 1698 Arcen.
Gevormd 30 juli 1711, stiftsdame te Vylich.
Overleden
9 oktober 1747 op 49-jarige leeftijd.
Frans Matthias Teinier Anton Josef baron,
kanunnik te Aken, gedoopt
10 april 1700 Arcen.
Gevormd 4 juni 1705.
Overleden
26 april 1742 op 42-jarige leeftijd.
Christiaan August Herman Bernhard baron heer van Arcen, geboren
20 februari 1702 Arcen.
Overleden
18 maart 1767 op 65-jarige leeftijd.
Gehuwd op 42-jarige leeftijd
14 juni 1744 Düsseldorf met
Francisca Charlotte Rijksgravin van NESSELRODE van EHRESHOVEN.
Dochter van
Franz Carl van NESSELRODE van EHRESHOVEN en
Maria Theresia von SCHORLEMER.
Matthias Alexander baron,
generaal-majoor en overste over een Munsters cavalerieregiment, geboren
15 september 1703 Arcen.
Gevormd 30 juli 1711, ridder Duitse Orde, Groot-Kapittelheer commandeur te Mahlenburg.
Overleden
23 oktober 1786 op 83-jarige leeftijd.
Anna Maria Albertina, geboren
13 maart 1705 Arcen.
Opgezworen als Kanunnikes te Vylich 1709, gevormd te Arcen 30 juli 1711.
Overleden
4 januari 1782 op 76-jarige leeftijd.
Gehuwd op 31-jarige leeftijd
27 januari 1737.
Hun zoon kocht slot Arcen in 1779 met
Willem Constantijn Alexander Freiherr van WIJMAR.
Charlotta Maria Josepha,
abdis in het sticht te Gravendaal (Neukloster) bij Goch, geboren
18 september 1706.
Gevormd 30 juli 1711.
Overleden
16 november 1786 op 80-jarige leeftijd.
Ferdinandina Adolphina, geboren
2 april 1708 Arcen.
Gevormd 30 juli 1711.
Overleden
14 januari 1781 op 72-jarige leeftijd.
Gehuwd op 35-jarige leeftijd
25 februari 1744 Arcen met
Johan Frederik baron van GELOES heer van Tilborn, Elmpt en Lobusch.
Frederik Adolf baron, gedoopt
2 november 1709 Arcen.
Gevormd 30 juli 1711, ridder in de Duitse Orde en commandeur te Muffendorf bij Godesberg.
Overleden
22 oktober 1751 op 41-jarige leeftijd.
Maria Theresia Clara,
abdis te Neukloster sinds 1748, geboren
23 maart 1711 Arcen.
Overleden
20 mei 1781 op 70-jarige leeftijd.
Otto Julius August baron van GELDER, gedoopt
30 december 1713 Arcen.
Werd 9 oktober 1760 vermeld onder de Gelderse ridderschap, volgde in 1767 zijn broer Christiaan op als heer van Arcen, Velden, LOmm, Bree, Frechen, Bachem en Vogtebell opper-ambtman te Solingen en Euskirchen, kapitein in keizerlijke dienst, verkocht in 1779 slot Arcen aan Christiaan August Constantijn van Wymer, de zoon van zijn zuster.
Overleden
31 maart 1781 op 67-jarige leeftijd, zoon van
Reinier Adolf Anton baron van GELDER (zie
XXVIIIb) en
Anna Maria Barbara Beatrix von der RECKE zu STEINFURTH.
Gehuwd (1) op 24-jarige leeftijd
29 april 1738 Rheinfelden met
Francisca Maria Fortunata gravin van OBERNDORF, 27 jaar oud, gedoopt
22 februari 1711 Zeitlarn bij Regensburg.
Overleden
1762, dochter van
Philips Anton van OBERNDORF en
Maria Aleid Freiin van TRAINER.
Gehuwd (2) op 52-jarige leeftijd
19 september 1766 met
Maria Francisca Eva Eleonora barones van METTERNICH‑MÜLLENARK.
Overleden
5 juli 1770 Arcen, dochter van
Hugo Frans baron van METTERNICH‑MÜLLENARK en
Maria Anna von HARF.
Maria Anna Nepomucena, geboren
1741.
Gehuwd
23 november 1771 met
Johan Nepomuk Thomas Freiherr van QUENTELL te SCHWANDORF.
Willem Anton, geboren
22 januari 1748.
Overleden
jong.
Charlotte, geboren
1749.
Gehuwd
19 maart 1782 met
Joseph Clemens Freiherr van MARLE,
geheimraad van de keurvorst van Keulen.
Franciska, geboren
1752.
Gehuwd
1785 met
Anton Freiherr van KAISERSFELDT,
kapitein in dienst van de Beierse Palts.
Frederik Adolf baron (later graaf) van GELDER heer van Bree, Bachem, Frechen, Vogstbell en Mertzenich, geboren
31 mei 1742 Luxemburg.
Overste van de cavalerie in keurpaltsische dienst 1785, commandant van Duren, Guliks-Bergse landcommissaris, kamerheer van keurvorst Karel Theodoor van Beieren, die hem op 15 juli 1790 in de gravenstand verhief, ridder in de orde van de keurvorstelijke Paltsische Leeuw.
Overleden
20 maart 1828 Bachem op 85-jarige leeftijd, begraven
Bachem bij Keulen, zoon van
Otto Julius August baron van GELDER (zie
XXIXa) en
Francisca Maria Fortunata gravin van OBERNDORF.
Gehuwd op 31-jarige leeftijd
20 augustus 1773 Keulen met
Friederika Ottilia Johanna von STEIJNEN, geboren
1746.
Overleden
28 november 1818 Keulen, begraven
Bachem, dochter van
Johann Wilhelm Wolfgang baron von STEIJNEN en
Maria Charlotta barones van BERNSAU zu SCHWEINSHEIM.
Antoon, geboren
15 januari 1783,
tweeling met Maximiliaan.
Overleden
1790,
beide in hetzelfde jaar.
Maximiliaan, geboren
15 januari 1783,
tweeling met Antoon.
Overleden
1790.
Carl Theodor Otto Adolph Anton graaf van GELDER‑ARCEN,
luitenant/kolonel, commandant van het 5e Beierse infanterieregiment, kamerheer van de koning van Beieren, geboren
29 mei 1774 Keulen.
Werd in 1790 met zijn vader door keurvorst Karel Theodoor van Beieren in de gravenstand verheven.
Overleden
30 mei 1831 Keulen op 57-jarige leeftijd, zoon van
Frederik Adolf baron (later graaf) van GELDER heer van Bree, Bachem, Frechen, Vogstbell en Mertzenich (zie
XXXa) en
Friederika Ottilia Johanna von STEIJNEN.
Gehuwd op 27-jarige leeftijd
10 december 1801 Veitsbuch met
Anna Ernesty Edle von FAULBACH, 19 jaar oud, geboren
18 september 1782 Hòrmannsdorf.
Overleden
18 juli 1866 München op 83-jarige leeftijd, dochter van
Nikolaus von FAULBACH en
Josepha von REISENECKER.
Elisabeth gravin.
Overleden
1850.
Gehuwd met
Gymnich,
landraad in Pruisische dienst.
Karl Theodor Friedrich August Michael graaf van GELDERN‑EGMOND,
kamerheer van de koning van Beieren, geboren
6 maart 1806 Straubing.
DE GRAVEN VAN GELDERN-EGMOND
LINIE ZANGENBERG
Kreeg 8 november 1875 van de Beierse regering het recht om de naam Egmond aan de familienaam toe te voegen en heette dus sinds die tijd graaf van Geldern-Egmond.
Hij vestigde zich op het kasteel Zangenberg.
Overleden
3 januari 1888 München op 81-jarige leeftijd, zoon van
Carl Theodor Otto Adolph Anton graaf van GELDER‑ARCEN (zie
XXXIa) en
Anna Ernesty Edle von FAULBACH.
Gehuwd op 26-jarige leeftijd
1 juli 1832 Keulen met
Marie van OPPEN, 15 jaar oud, geboren
23 oktober 1816 Kassel.
Overleden
19 april 1888 Tegernsee op 71-jarige leeftijd, dochter van
Otto van OPPEN en
Henriëtte HACHTMANN.
Anna Mathilde Agnes gravin,
was in 1862 hofdame van de hertogin van Braganza te Lissabon, geboren
15 mei 1834 Bachem.
Overleden
1921/1922 München.
Gehuwd op 29-jarige leeftijd
23 mei 1863 Altötting, Beieren met
Maximilian Joseph SCHÖNFESSL,
overste in Beierse dienst.
Overleden
29 juli 1896 München.
Josephine Mathilde Anna Agnes gravin,
geestelijke zuster in de Orde van de Salesianerinnen te Dietramszell, geboren
26 oktober 1835 München.
Overleden
5 januari 1891 Dietramszell op 55-jarige leeftijd.
Elisabeth Marie Wilhelmina gravin, geboren
27 maart 1840 München.
Overleden
19 januari 1926 München op 85-jarige leeftijd.
Gehuwd op 23-jarige leeftijd
9 oktober 1863 Neumarkt an der Raab met
Dr. Franz Xaver NÄSSL,
arts.
Overleden
11 augustus 1898 Ober-Bergkirchen.
Bertha Henriëtte Wilhelmine Maria gravin,
directrice van het opvoedingsinstituut voor dochters van officieren in Hernals bij Wenen, ere-stifts-dame van de koninklijke Beierse St. Anna orde in München, geboren
10 september 1843 Zangberg.
Overleden
22 juli 1916 Hof-Gastein op 72-jarige leeftijd.
Adelinda Pia Wilhelmina Aloysia gravin, geboren
30 april 1845 Zangberg.
Woonde in Normandië.
Overleden
circa 1914 Hazebruck.
Gehuwd op 27-jarige leeftijd
28 december 1872 Morbeque met
Achille‑Ferdinand baron de ROISIN merkies van Morbeque, graaf van Besque, heer van Hazebruck.
Ereridder van de souvereine Maltheser orde.
Overleden
6 december 1876 Morbeque.
Rosa gravin,
was in 1873 geestelijke zuster in de orde der Vrouwen van onze Heer van Sion te Parijs, in 1906 te Tinis, later te Smyrna, geboren
8 november 1848 Zangberg.
Overleden
voor 1922 Smyrna.
Clara Wilhelmina Anna Margarethe gravin,
was in 1873 evenals haar zuster Rosa geestelijke zuster in de orde der Vrouwen van onze Heer van Sion te Parijs, in 1906 te Boekarest, geboren
11 juni 1851 Zangberg.
Overleden
15 mei 1912 Boekarest op 60-jarige leeftijd.
Friederike Agnes Anna Felicitas gravin,
arts, specialiste voor vrouwenziekten te Frankfort aan de Main, geboren
4 april 1853 Zangberg.
Overleden
1924 Bazel, begraven
Bazel.
Karl Theodor Ludwig Alexander graaf van GELDERN‑EGMOND,
ritmeester in Pruisische dienst bij de huzaren no. 10; later overste in keizerlijke Oostenrijkse dienst, geboren
26 maart 1833 Burg-Bachem.
Overleden
4 maart 1920 Morzg bij Salzburg op 86-jarige leeftijd, zoon van
Karl Theodor Friedrich August Michael graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIIa) en
Marie van OPPEN.
Gehuwd op 50-jarige leeftijd
27 januari 1884 Wenen met
Marianne barones van ANKERSHOFEN, 35 jaar oud, geboren
27 augustus 1848 Klagenfurt.
Overleden
22 maart 1918 Salzburg op 69-jarige leeftijd, dochter van
Theopil baron van ANKERSHOFEN en
Theodora di PAGLIARUCCI.
Karl‑Theodor Heinrich Theophil Joseph Maria graaf,
reserve eerste luitenant, geboren
14 juni 1887 Boedapest.
Woont: Sankt Jakob am Thurn, Post Puch bei Hallein, Salzburg.
Gehuwd op 30-jarige leeftijd
6 april 1918, gescheiden van
Rosa Maria FELVER, geboren
15 december 1896 Serajevo.
Dochter van
Anton FELVER en
Maria BULOVE.
Gustav Ludwig Victor graaf van GELDERN‑EGMOND,
geheimraad, inspecteur van de Oostenrijkse genie, geboren
23 maart 1837 Wildthurn.
Overleden
30 september 1915 Wenen op 78-jarige leeftijd, zoon van
Karl Theodor Friedrich August Michael graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIIa) en
Marie van OPPEN.
Gehuwd op 27-jarige leeftijd
1 mei 1864 Verona met
Leontine Clotilde Edle EDLE von FRIES, 21 jaar oud, geboren
5 september 1842 Praag.
Overleden
3 februari 1938 Wenen op 95-jarige leeftijd, dochter van
Joseph Rudolf EDLE von FRIES en
Fanny barones von FRIES.
Isabella Kasimira Marie Fanny Karoline gravin, geboren
18 november 1867 Wenen.
Overleden
10 november 1939 Krakau op 71-jarige leeftijd.
Gehuwd op 22-jarige leeftijd
29 oktober 1890 Krakau met
Eduard baron LIPOWSKY von LIPOWITZ,
ritmeester in Poolse dienst.
Theobald Joseph Maximilian Ludwig Karl Albrecht Ernst graaf van GELDERN‑EGMOND,
luitenant-generaal in Pruisische dienst, geboren
28 november 1838 Thurnstein.
Overleden
21 juni 1910 München op 71-jarige leeftijd, zoon van
Karl Theodor Friedrich August Michael graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIIa) en
Marie van OPPEN.
Gehuwd op 45-jarige leeftijd
7 februari 1884 Wenen met
Kathinka von THEODORY, 36 jaar oud, geboren
3 november 1847 Werschetz (Banaat).
Overleden
18 oktober 1925 Wiesbaden op 77-jarige leeftijd,
zij was Grieks-Katholiek, haar man was protestant, dochter van
Georg von THEODORY‑PESTYERE en
Regina von JAGODICS de JERNYECSA.
Elisabeth Agathe Marie Mathilde Katharina Josepha gravin,
lerares, geboren
27 april 1886 Halberstadt.
Theobald George Gabriel Friedrich Wilhelm Ernst graaf,
Pruisisch luitenant in het regiment te voet "von Gersdorff" (uit Keurhessen) Nr. 80, geboren
6 mei 1888 Halberstadt.
Overleden
28 september 1914 op 26-jarige leeftijd,
in het lazaret Orainville, tengevolge van een op 18 september opgelopen verwonding.
Oskar Otto Ludwig graaf van GELDERN‑EGMOND, geboren
7 maart 1842 Zangberg.
Overleden
1 juni 1915 München op 73-jarige leeftijd, zoon van
Karl Theodor Friedrich August Michael graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIIa) en
Marie van OPPEN.
Gehuwd op 35-jarige leeftijd
7 mei 1877 Boekarest met
Maria von SCHARF GEN. POPOWICS, 22 jaar oud, geboren
7 juli 1854 Boedapest.
Overleden
22 november 1935 München op 81-jarige leeftijd.
Marie Louise, geboren
30 november 1879 Boekarest.
Gehuwd op 17-jarige leeftijd
11 mei 1897 Boekarest, gescheiden van
Jerôme ROMEO.
Elisabeth gravin, geboren
19 juli 1881 Boekarest.
Gehuwd op 20-jarige leeftijd
23 april 1902 Galatz met
Nicolai CARAMAN.
Overleden
Galatz.
Karl Georg graaf van GELDERN‑EGMOND,
reserve-luitenant in het 44ste Oostenrijkse regiment veldartillerie, mijndirecteur, geboren
5 mei 1883 Boekarest.
Overleden
8 januari 1947 München op 63-jarige leeftijd, zoon van
Oskar Otto Ludwig graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIIId) en
Maria von SCHARF GEN. POPOWICS.
Gehuwd op 27-jarige leeftijd
26 november 1910 Neurenberg met
Irene von HAKE, 20 jaar oud, geboren
7 februari 1890 Dresden.
Dochter van
Alfred von HAKE,
majoor, en
Elisabeth PRIEGER.
Marie Antoinette Augustte Elisabeth Philippine gravin, geboren
26 augustus 1911 München.
Gehuwd op 27-jarige leeftijd
18 mei 1939 München met
William Frederik HAYDEN.
Woonachtig te Boston-Cambridge Verenigde Staten van Amerika.
Wichardus Friedericus Alferd Mengose graaf,
reserve eerste luitenant, geboren
30 mei 1914 Frankfurt aan de Main.
Overleden
22 juni 1941 nabij Zebry-Laskowice op 27-jarige leeftijd,
sneuvelde in Rusland.
Marsil Oskar Carl Friedrich Alfred graaf van GELDERN‑EGMOND,
kapitein bij de koopvaardijvloot van de Norddeutsche LLoyd, geboren
10 december 1912 Franfurt aan de Main.
Zoon van
Karl Georg graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIVa) en
Irene von HAKE.
Gehuwd (1) op 30-jarige leeftijd
17 februari 1943 Unewatt, gescheiden
1946 van
Karoline Maria Josepha gravin van AUERSPERG, geboren
13 februari 1913 Wind. Feistritz.
Dochter van
Herward graaf van AUERSPERG en
Marie‑Edith gravin van ATTEMS barones te Petzenstein.
Gehuwd (2)
na 1946 München met
Ella DROSTE, geboren
22 augustus 1913 Ackersdorf.
Elisabeth Marie Antoinette gravin, geboren
30 augustus 1944 Unewatt.
Irene Gabriele Antonie gravin, geboren
6 april 1950 München.
Marina Friederike Antoinette gravin, geboren
14 april 1954 München.
Ernst Theobald graaf van GELDERN‑EGMOND,
industrieel te Wenen, geboren
23 oktober 1884 Boekarest,
werd Evangelisch.
Overleden
voor 1941, zoon van
Oskar Otto Ludwig graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIIId) en
Maria von SCHARF GEN. POPOWICS.
Gehuwd (1) op 25-jarige leeftijd
26 september 1910 Sankt Peter, bij Graz, gescheiden
1917 Graz van
Melanie Marie BUZZI, geboren
25 maart 1883 Studeno, bij Gottschee, Krain.
Gehuwd (2) op 37-jarige leeftijd
29 oktober 1921 Wenen, gescheiden van
Elsa SEELIG, geboren
7 december 1889 Pola.
Gehuwd (3),
augustus 1925, Boekarest met
Bertha Edmée LUDWIG.
Adelma Adelheid gravin, geboren
15 juni 1910 Waltendorf, bij Graz.
Franz Heinrich graaf, geboren
26 mei 1912,
aan boord van het schip Franziska voor Triëst.
Eugen Otto Ludwig graaf van GELDERN‑EGMOND,
eerste luitenant in het Beierse leger, geboren
1 december 1849 Zangberg.
Overleden
21 januari 1912 Starnberg op 62-jarige leeftijd, zoon van
Karl Theodor Friedrich August Michael graaf van GELDERN‑EGMOND (zie
XXXIIa) en
Marie van OPPEN.
Gehuwd op 24-jarige leeftijd
12 mei 1874 Ansbach met
Luise LUZ, 27 jaar oud, geboren
27 juli 1846 München.
Overleden
1 juni 1938 München op 91-jarige leeftijd,
evangelisch, dochter van
Feodor LUZ,
president van het koninklijk Beierse Landsgerechtshof.
Antonia Theodora Marie gravin, geboren
4 februari 1875 Ansbach,
tweeling met Louise.
Gehuwd (1) op 29-jarige leeftijd
28 augustus 1904 Friedberg, gescheiden van
Max MEZGER,
koopman te Zürich.
Gehuwd (2) op 45-jarige leeftijd
28 juni 1920 München, gescheiden na 8 jaar
29 oktober 1928 van
Karl Maria STADLER,
kunstschilder, geboren
9 mei 1888 München.
Louise Henriette Elise gravin,
kunstschilderes te Frankfort aan de Main, geboren
4 februari 1875 Ansbach,
tweeling met Antonia.
Overleden
1954 Oberlauringen.
Bertha Mathilde Erika Elsa gravin, geboren
8 oktober 1878 Ansbach.
Gehuwd op 41-jarige leeftijd
30 december 1919 München met
Friedrich Wilhelm GOSSE, 22 jaar oud, geboren
8 oktober 1897 Stolp, Pommeren.
Overleden
8 maart 1932 München op 34-jarige leeftijd.
Ludwig Friedrich August Theodor Maximiliaan Joseph Otto Heinrich graaf van GELDERN‑EGMONT,
kamerheer van de koning van Beieren en majoor à la suite, heer van Thurnstein, Postmünster en Brombach in Neder-Beieren (aan de Rott, zijrivier van de Inn), geboren
3 juni 1808 Straubing.
DE GRAVEN VAN GELDERN-EGMONT,
LINIE THURNSTEIN
Kreeg 3 maart 1871 van de Beierse regering het recht om de naam Egmont aan de familienaam toe te voegen en heette dus sindsdien graaf van Geldern-Egmont
Hij vestigde zich op het kasteel Thurnstein.
Overleden
5 maart 1872 München op 63-jarige leeftijd, zoon van
Carl Theodor Otto Adolph Anton graaf van GELDER‑ARCEN (zie
XXXIa) en
Anna Ernesty Edle von FAULBACH.
Gehuwd op 26-jarige leeftijd
30 augustus 1834 Weissendorf met
Wilhelmine barones von und zu GUTTENBERG, 20 jaar oud, geboren
14 oktober 1813 Weissendorf.
Overleden
10 januari 1858 Thurnstein op 44-jarige leeftijd, dochter van
Franz Ludwig baron von und zu GUTTENBERG,
kamerheer van de keizer van Oostenrijk, en
Therese gravin von SPAUR und FLAVON.
Adolfine Friederike gravin van GELDERN, geboren
11 augustus 1835.
Overleden
19 augustus 1835, 8 dagen oud.
Theodor Karl Herman graaf van GELDERN,
luitenant in Beierse dienst, geboren
15 juli 1836 München.
Overleden
21 augustus 1863 Roggenburg op 27-jarige leeftijd.
Ida Theresia Karoline Hedwig gravin, geboren
16 oktober 1837 Weisendorf.
Overleden
26 maart 1887 Pallanza op 49-jarige leeftijd.
Gehuwd op 22-jarige leeftijd
25 augustus 1860 Würzburg met
Franz SCHENK baron van Stauffenberg, 26 jaar oud,
officier van Justitie bij het districtgerechtshof te Augsburg, geboren
3 augustus 1834.
Overleden
2 juni 1901 Risstissen op 66-jarige leeftijd.
Olga Theodolinde Maria gravin, geboren
31 maart 1839 Thurnstein.
Overleden
30 maart 1881 München op 41-jarige leeftijd.
Richard Johann Marsil graaf van GELDERN,
luitenant in Beierse dienst, geboren
14 januari 1846 Thurnstein.
Overleden
6 oktober 1871 Karlsruhe op 25-jarige leeftijd,
ongehuwd.
Otto Julius Andor Franz graaf heer van Thurnstein,
luitenant in Beierse dienst, geboren
30 november 1848.
Overleden
8 juni 1936 Thurnstein op 87-jarige leeftijd,
ongehuwd.
Adolf Gottfried Heribert Wilhelm van GELDERN‑EGMONT,
kamerheer van de keizer van Oostenrijk, stichter van het fideicommis (=familie erfgoed) Roggenburg (in Zwaben, bij Ulm), geboren
13 maart 1841 Thurnstein.
Overleden
21 februari 1927 Overstdorf op 85-jarige leeftijd, zoon van
Ludwig Friedrich August Theodor Maximiliaan Joseph Otto Heinrich graaf van GELDERN‑EGMONT (zie
XXXIIb) en
Wilhelmine barones von und zu GUTTENBERG.
Gehuwd (1) op 25-jarige leeftijd
18 juli 1866 München met
Gabriele barones van MIRBACH, 19 jaar oud, geboren
30 januari 1847 München.
Overleden
24 juni 1899 München op 52-jarige leeftijd, dochter van
Ernst baron van MIRBACH en
Elisabeth gravin van BRAY‑STEINBURG.
Gehuwd (2) op 68-jarige leeftijd
16 september 1909 Matrei met
Klara gravin van BRAY‑STEINBURG, 60 jaar oud, geboren
13 augustus 1849 Kokenhusen.
Overleden
2 juni 1945 Slot Köfering, Regensburg op 95-jarige leeftijd, dochter van
Otto graaf van BRAY‑STEINBURG en
Hippolyta Dentice di FRASSO.
Alfons Rainer Ludwig Wilhelm Franz Joseph Maria graaf van MIRBACH‑GELDERN‑EGMONT,
raadsheer van de Beierse kroon, kamerheer van de koning van Beieren, majoor van de cavalerie, keizerlijk Duis gezantschapsraad, ereridder van de souvereine Maltheser orde, geboren
3 juni 1872 München.
Verkreeg 16 augustus 1877 door besluit van de koning van Beieren het recht om de naam en het wapen van de familie van zijn moeder aan zijn naam en wapen toe te voegen (met recht van eerstgeboorte) en heet sindsdien graaf van Mirbach-Geldern-Egmont.
Hij is heer van Roggenburg (het voormalige fideicommis).
Zoon van
Adolf Gottfried Heribert Wilhelm van GELDERN‑EGMONT (zie
XXXIIIf) en
Gabriele barones van MIRBACH.
Gehuwd op 30-jarige leeftijd
18 oktober 1902 Pörtschach, Karintië met
Marie (Mariette) gravin HOYOS, 19 jaar oud, geboren
20 april 1883 Wenen.
Dochter van
Ladislaus graaf HOYOS en
Franziska gravin zu HERBERSTEIN.
Elisabeth Franziska Gabriele Maria gravin van GELDERN‑EGMONT, geboren
20 juli 1903 Pörtschach.
Gehuwd op 26-jarige leeftijd
6 november 1929 München met
Hans BLOHM, 43 jaar oud,
chef van de hofhouding van prins Johann Georg van Saksen, kapitein in het Duitse leger, geboren
6 juni 1886 Zwickau.
Overleden
19 juni 1939 Freiburg in Breisgau op 53-jarige leeftijd.
Ladislaus Adolf Rainer Joseph Maria (Lato) graaf,
eertijds legatieraad bij de Duitse ambassade te Tokio, geboren
10 maart 1905 Bern.
Therese Marie Josephine Susanne (Sissy) gravin van GELDERN‑EGMONT, geboren
11 augustus 1911 München.
Gehuwd op 25-jarige leeftijd
22 oktober 1936 München met
Albrecht Maria Josef Ernst Georg Alexander Konrad 5e vorst von HOHENLOHE‑JAGSTBERG prins van Hohenlohe-Bartenstein, 30 jaar oud, geboren
9 september 1906 Bartenstein.
Woonde op slot Haltenbergstetten, volgde bij zijn geboorte zijn vader op in het bezit van de secundogenituurheerschappij Jagstberg.
Zoon van
Johannes 7e vorst von HOHENLOHE‑BARTENSTEIN,
president van de Württembergse Eerste Kamer, en
Anna Maria Theresia Ferdinanda Adelheid Leopolda Ludovika Antonia Franciska Germana Henriette Hedwig aartshertogin van OOSTENRIJK.
Rainer Alfons Joseph Maria graaf van GELDERN‑EGMONT, geboren
9 april 1908 München.
Zoon van
Alfons Rainer Ludwig Wilhelm Franz Joseph Maria graaf van MIRBACH‑GELDERN‑EGMONT (zie
XXXIVc) en
Marie (Mariette) gravin HOYOS.
Gehuwd op 25-jarige leeftijd
14 augustus 1933 Ebnath met
Hilda RICHTER, 26 jaar oud, geboren
9 oktober 1906 Salzburg.
Dochter van
Franz RICHTER en
Maria RICHTER.
Adelheid Maria gravin, geboren
14 april 1935 Ulm.
Rainer Herman Joseph Maria graaf van GELDERN‑EGMONT heer van Thurnstein,
kamerjonker van de koning van Beieren, majoor, geboren
19 september 1873 Roggenburg.
Overleden
9 april 1946 Thurnstein op 72-jarige leeftijd, zoon van
Adolf Gottfried Heribert Wilhelm van GELDERN‑EGMONT (zie
XXXIIIf) en
Gabriele barones van MIRBACH.
Gehuwd op 27-jarige leeftijd
11 juni 1901 Thurnstein,
ze zijn neef en nicht van elkaar met
Wilhelmine Maria Olga Julie Ottonie Margarete gravin van GELDERN‑EGMONT, 20 jaar oud (zie
XXXIVe).
Gabrielle Maria gravin, geboren
28 juni 1902 Thurnstein.
Hermann Adolf graaf heer van Thurnstein, geboren
31 januari 1904 Thurnsyein.
Overleden
11 december 1947 Thurnstein op 43-jarige leeftijd.
Olga Friederike Mathilde gravin, geboren
11 juli 1908 Thurnstein.
Maria gravin, geboren
29 augustus 1912 Thurnstein.
Gehuwd op 33-jarige leeftijd
3 juli 1946 Thurnstein met
Karl Rudolf Joseph Theodor Franziskus Rochus Joachim Antonius Hubertus graaf BASSELET de la ROSÉE, 34 jaar oud,
bos- en landbouwkundige, ridder der Beierse St. Georgsorde, ereridder van de souvereine Maltheser orde, geboren
16 augustus 1911 Deutenhofen.
Zoon van
Theodor Alfred Franziskus Hubertus graaf BASSELET de la ROSÉE en
Maria Franziska prinses van OETTINGEN‑OETTINGEN en OETTINGEN.
Hermann Otto Felix graaf van GELDERN‑EGMONT heer van Thurnstein,
kamerheer van de koning van Beieren, referendaris bij de opperste Keizerlijke Duitse Rekenkamer, geboren
11 januari 1844 Thurnstein.
Overleden
29 maart 1893 Potsdam op 49-jarige leeftijd, zoon van
Ludwig Friedrich August Theodor Maximiliaan Joseph Otto Heinrich graaf van GELDERN‑EGMONT (zie
XXXIIb) en
Wilhelmine barones von und zu GUTTENBERG.
Gehuwd op 34-jarige leeftijd
13 mei 1878 Schmoldow met
Mathilde Friederike Anna Pauline von BEHR, 21 jaar oud, geboren
17 april 1857 Vargatz.
Overleden
9 januari 1944 Thurnstein op 86-jarige leeftijd, dochter van
Friedrich von BEHR heer van Schmoldow en Cargatz en
Maria HOMEYER.
Anna Gabriele Friederike Franziska Julie Marie gravin, geboren
30 augustus 1886 Potsdam.
Overleden
12 juli 1922 Thurnstein op 35-jarige leeftijd.
Friederike Luise Mathilde Elisabeth Ferdinanda Maria gravin, geboren
5 april 1888 Potsdam.
Gehuwd op 21-jarige leeftijd
28 april 1909 Thurnstein met
Friedrich baron van MOREAU, 28 jaar oud,
kamerjonker van de koning van Beieren, later bestuursambtenaar o.a. te Reichenhall, landraad, geboren
21 januari 1881.
Overleden
28 februari 1946 Passau op 65-jarige leeftijd.
Wilhelmine Maria Olga Julie Ottonie Margarete gravin van GELDERN‑EGMONT, geboren
27 augustus 1880 Thurnstein.
Dochter van
Hermann Otto Felix graaf van GELDERN‑EGMONT heer van Thurnstein (zie
XXXIIIg) en
Mathilde Friederike Anna Pauline von BEHR.
Gehuwd op 20-jarige leeftijd
11 juni 1901 Thurnstein,
ze zijn neef en nicht van elkaar met
Rainer Herman Joseph Maria graaf van GELDERN‑EGMONT heer van Thurnstein, 27 jaar oud (zie
XXXIVd).
Maria van GELRE, geboren
Grave,
tussen 1429 en 1434.
Ze was een nicht van Filips de Goede, hertog van Bourgondië. Deze en zijn vrouw Isabella van Portugal hadden het plan opgevat om Maria uit te huwelijken aan graaf Karel IV van Maine, maar het huwelijk vond geen doorgang omdat haar vader het huwelijk niet kon betalen[1]. Maria verbleef daarna aan het Bourgondische hof waar Isabella haar verblijf en onkosten vergoedde. Maria vergezelde korte tijd Isabella's schoondochter Catharina van Frankrijk als hofdame, terwijl zij zelf tien volgelingen had als hofdame. De hertog en zijn vrouw vervolgden een nieuwe zoektocht voor Maria als partner. Dat resulteerde in een Schots huwelijk, waarbij Filips het huwelijk deze keer zou betalen en Isabella persoonlijk haar bruidsschat zou verzorgen.
Na de dood van haar man werd zij regentes (1460 - 1463) voor haar minderjarige zoon Jacobus III. Zij stond sterk onder invloed van bisschop James Kennedy van Saint Andrews en hertog Filips de Goede van Bourgondië.
Maria stichtte in Edinburgh de Trinity College Church, waar zij ook begraven werd. In 1848 werd zij herbegraven in Holyrood Abbey.
Overleden
1 december 1463 Edinburgh, Roxburgh Castle, begraven
Edinburg, Schotland, dochter van
Arnhold van EGMONT Hertog van Gelre en graaf van Zutphen (zie
XXa) en
Catharina van KLEEF.
Gehuwd
3 juli 1449 Edinburgh, bij Holyrood Abbey, Schotland met

Johannes II van SCHOTLAND
Johannes II Koning van SCHOTLAND, 18 jaar oud, geboren
16 oktober 1430 Edinburgh, Palace of Holyroodhouse.
James II was koning van Schotland van 1437 tot 1460.
Geschiedenis
Jacobus II werd koning toen hij pas 6 jaar was, zijn vader Jacobus I van Schotland was gedood door edelen. Het koninkrijk werd gedurende zijn jeugd door regenten geregeerd.
Van 1437 tot 1439 werd Schotland geregeerd door Archibald Douglas, na zijn dood werd de macht tot in 1445 gedeeld door William Crichton, de Lord Chancellor van Schotland, en Sir Alexander Livingston of Callendar. In 1445 verdreef William Douglas, 8e graaf van Douglas de twee regenten en nam de macht in handen tot en met 1449.
In 1449 werd Jacobus II meerderjarig en werd hij actief koning van Schotland. Hij had ambities om de Orkneyeilanden, de Shetlandeilanden en het Isle of Man in te lijven, maar dat lukte niet. Hij stierf op 3 augustus 1460 bij de belegering van Roxburgh toen een van de kanonnen ontplofte. Jacobus was een fervent gebruiker van de nieuwste kanonnen, dus hij liet voor zijn belegering van Roxburgh de nieuwste kanonnen van die tijd overkomen uit Vlaanderen.
Overleden
3 augustus 1460 Roxburgh Castle nabij Kelso, Schotland op 29-jarige leeftijd, zoon van
Johannes I STUART koning van Schotland en
Joan BEAUFORT.
NN (zoon), geboren
19 mei 1450.
Overleden
19 mei 1450, 0 dagen oud.
Alexander STEWART, geboren
1454.
Overleden
1485.
David STEWART, geboren
1456.
Overleden
1457.
John STEWART, geboren
1459.
Overleden
1479.
Mary STEWART van SCHOTLAND.
Overleden
1488 `.
Johannes III Koning van SCHOTLAND, geboren
10 juli 1451.
Hij was koning van Schotland van 1460-1488. Hij was niet populair bij het volk, grotendeels vanwege zijn banden met het Engels vorstenhuis.
Het is niet precies bekend wanneer Jacobus III geboren werd. De drie mogelijke data die genoemd worden, zijn mei 1452, 10 juli of 20 juli 1451. Zijn geboorte vond plaats in Stirling Castle ofwel het slot van St Andrews. Gedurende zijn jeugd werd Schotland eerst (1460-1463) bestuurd door zijn moeder (Maria van Gelre), later door James Kennedy, de bisschop van St Andrews en Gilbert, Lord Kennedy (1463-1466) en Lord Boyd (1466-1469).
In 1469 trouwde Jacobus III met Margareta (1456-1486), een dochter van koning Christiaan I van Denemarken en Dorothea van Brandenburg, in Holyrood Abbey (Edinburgh). Met haar zou hij uiteindelijk drie kinderen krijgen, Jacobus IV van Schotland, James Stewart en John Stewart.
Rond 1470 kreeg Jacobus III de ambitie om Schotland uit te breiden en een alliantie met Engeland aan te gaan. Hij stelde voor om Bretagne, Saintonge en Gelre in te lijven. Nadat deze hoogmoedige gedachten in het Schotse parlement tot een crisis hadden geleid, werd de affaire in de doofpot gestopt.
In 1474 regelde Jacobus III een later huwelijk tussen zijn toen nog zeer jonge zoon Jacobus IV en Cecily van York (een dochter van koning Eduard IV van Engeland). Dit huwelijk "met de vijand" lag heel gevoelig bij de Schotten.
In 1479 werd de door het huwelijk verkregen alliantie tussen Engeland en Schotland vernietigd, en ontstond er een grote spanning tussen de twee landen. De gemoederen liepen dermate hoog op, dat Eduard IV in 1482 een leger op de been bracht om Schotland in te lijven. In juli 1482 werd Jacobus III door verschillende (Schotse?) edelen gearresteerd, en gevangengezet in Edinburgh Castle. Het Engelse leger slaagde er niet in om Edinburgh Castle in te nemen en raakte zonder geld. Het leger was genoodzaakt om terug te keren. Jacobus nam de macht terug in handen in december 1482. Zes jaar later zouden de edelen nogmaals een poging ondernemen om Jacobus van de troon te stoten. Deze keer hadden ze meer succes. Met het leger dat op de been gebracht werd, wisten de edelen Jacobus te verslaan en uiteindelijk om te brengen.
Overleden
11 juni 1488 op 36-jarige leeftijd, zoon van
Johannes II Koning van SCHOTLAND en
Maria van GELRE (zie
XXIb).
Gehuwd
1460 met

Margreet van DENEMARKEN
Margreet van DENEMARKEN Koningin van Schotland, geboren
23 juni 1456 Kopenhagen, Kasteel van Kopenhagen.
Zij was, als vrouw van koning Jacobus III van Schotland, koningin van Schotland van 1469 tot 1486. van Brandenburg.
Levensloop
Margreet werd uitgehuwelijkt aan Jacobus III van Schotland in 1460. Het huwelijk werd geregeld uit een aanbeveling van de koning van Frankrijk om de geschillen tussen Denemarken en Schotland op te lossen over annexatie van de Hebriden eilanden. Dit dispuut duurde van 1426 tot aan 1460. In juli 1469 (Margreet was toen 13 jaar) trouwde ze in Holyrood Abbey met Jacobus III, koning van de Schotten (1460-88). Haar vader, koning Christiaan I van Denemarken en Noorwegen (de twee landen waren verenigd door de Unie van Kalmar), was akkoord gegaan met een aanzienlijke bruidsschat, echter zat hij in geldnood, waardoor hij de Orkney- en Shetlandeilanden tijdelijk verpandde, om er zeker van te zijn dat de bruidsschat betaald kon worden.
Willem Sinclair, eerste baron van Caithness, was rond die tijd de baron van Orkney in Noorse dienst. In 1472 moest hij zijn rechten van Orkney afstaan in ruil voor Ravenscraig Castle, zodat ook de Schotse troonpretendenten rechten kregen op Orkney.
Margeet werd een populaire koningin in Schotland en werd beschreven als mooi, goed gemanierd en gevoelig[1] Vele latere historici verklaarden dat ze een veel betere bestuurder zou zijn geweest dan haar man was. In een verhaal opgetekend uit wat haar zoon zou hebben gezegd, werd beweerd dat Margreet overleed aan de gevolgen van vergiftiging. Deze zou toegediend zijn door John Ramsay, eerste Heer van Bothwell, leider van een van de politieke organisaties binnen de hofraad. Ramsay was echter een favoriet binnen de koninklijke familie en dit bleef ook zo na de dood van de koningin, historici blijven twijfelen of Ramsay daadwerkelijk iets met haar dood te maken had, al bleek hij wel enig kennis te hebben van vergif en het mengen daarvan. [Wikipedia].
Overleden
14 juli 1486 Stirling Castle op 30-jarige leeftijd.
James STUART Hertog van Ross, geboren
1476.
Overleden
1504.
John STUART Baron van Mar, geboren
1479.
Overleden
1503.
Jacobus IV Koning van SCHOTLAND, geboren
17 maart 1473 Stirling Castle.
Hij was koning van Schotland van 1488 tot 1513.
Regering
De regering van Jacobus IV wordt gekenmerkt door relatieve rust in Schotland. Hij vestigde een krachtig koninklijk gezag en breidde de Schotse vloot enorm uit. Als beschermer van de kunst en de wetenschap bleek hij een typische renaissance-vorst. Hij was erg ontwikkeld en er werd gezegd dat hij tien talen vloeiend sprak: Scots, Engels, Gaelic (hij was de laatste koning die deze taal vloeiend sprak!), Latijn, Frans, Duits, Italiaans, Vlaams, Spaans en Deens. Tijdens zijn bewind ging Schotland in Europa voor het eerst meetellen.
In 1502 sloot hij een vredesverdrag met koning Hendrik VII van Engeland (het eerste verdrag tussen Schotland en Engeland sinds 1328) en huwde met diens dochter Margaret Tudor. Door dit huwelijk kon zijn achterkleinzoon Jacobus VI in 1603 de Engelse troon bestijgen.
Slag bij Flodden
Als gevolg van de Oorlog van de Liga van Kamerijk, onderdeel van de Italiaanse Oorlogen, viel Engeland in 1513 Frankrijk binnen. Ook jegens Schotland had de nieuwe koning van Engeland Hendrik VIII een enigszins vijandige houding aangenomen, vanwege de opkomende macht van Schotland. Jakobus zocht daarom steun bij Lodewijk XII van Frankrijk en viel met een groot leger Engeland binnen. In de Slag bij Flodden werden de Schotten vernietigend verslagen. Jacobus sneuvelde, de adel werd gedecimeerd en tussen de 10.000 en 30.000 Schotse soldaten werden gedood (tegenover 1500 tot 4000 Engelsen). [Wikipedia].
Overleden
9 september 1513 Flodden (Northumberland) op 40-jarige leeftijd, zoon van
Johannes III Koning van SCHOTLAND (zie
XXIId) en
Margreet van DENEMARKEN Koningin van Schotland.
Gehuwd (1) op 30-jarige leeftijd
8 augustus 1503 Holyroodhouse met

Margaretha TUDOR
Margaretha TUDOR, 13 jaar oud, geboren
29 november 1489 Londen, Palace of Westminster.
Haar jongere broer was Hendrik VIII.
Margaretha Tudor huwde op 8 augustus 1503 in het Holyroodhouse met Jacobus IV, koning van Schotland van 1488 tot zijn dood bij de Slag bij Flodden Field op 9 september 1513. Dit huwelijk legde de basis voor de vereniging van Engeland en Schotland in 1603 na de dood van Elizabeth I. Ze kregen vijf kinderen, maar alleen hun zoon Jacobus overleefde de kindertijd. Hij was koning van 1513 tot 1542 maar werd pas in 1524 op elfjarige leeftijd gekroond; tot die tijd was zijn moeder regentes. Jacobus V was tevens de vader van Maria I Stuart, koningin van Schotland van 1542 tot 1567.
Op 6 augustus 1514 hertrouwde Margaretha in het geheim met Archibald Douglas (1490 - januari 1557), de 6e Graaf van Angus, met wie ze op 8 oktober 1515 een dochter kreeg: Margaret Douglas. Dit huwelijk zette kwaad bloed bij vele andere Schotse edellieden. In een door grensoverschrijdende intriges beheerst politiek klimaat wisten zij de ontevredenheid van het volk uit te buiten. Een burgeroorlog was het gevolg. De troon viel aan John Stewart (1481 of 1484 - 2 juli 1536), 2e Hertog van Albany, weliswaar een kleinzoon van koning Jacobus II, maar als vluchteling geboren in Frankrijk. Margaretha moest in 1516 met man en kind vluchten naar Engeland.
In 1527 volgde een formele echtscheiding en in 1528 een derde huwelijk met Henry Stewart, Lord Methven.
Margaret Douglas, haar dochter uit haar tweede huwelijk, werd de moeder van Henry Stuart Darnley. Deze kleinzoon zou in 1565 huwen met haar kleindochter uit haar eerste huwelijk: Mary, Queen of Scots. [Wikipedia].
Overleden
18 oktober 1541 Perth and Kinross, Methven Castle op 51-jarige leeftijd, dochter van
Hendrik VII van ENGELAND en
Elizabeth van YORK.
Gehuwd (2) met
Janet KENNEDY.
James STUART Graaf van Moray, geboren
circa 1499.
Overleden
12 april 1544 Daenaway.
Jacobus STUART Hertog van Rothesay`, geboren
21 februari 1507 Holyrood.
Overleden
27 februari 1508 Stirling Castle op 1-jarige leeftijd.
Dochter STUART, geboren
15 juli 1508.
Overleden
15 juli 1508, 0 dagen oud.
Arthur STUART Hertog van Rothesay, geboren
20 oktober 1509 Holyrood.
Overleden
14 juli 1510 Edinburgh, 267 dagen oud.
Alexander STUART Hertog van Ross, geboren
30 april 1514 Stirling Castle.
Overleden
18 december 1515 Stirling Castle op 1-jarige leeftijd.
Willem IV van EGMONT 24e Heer van Egmont *1) van 1451 tot 1483, geboren
26 januari 1412,
24e Heer van Egmond*1) van 1451 tot 1483.
_____
*1 van der Schelling noemt hem de 2e Graaf van Egmond.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIIIc. ende LXXXIII. den XIXen. dach In Jannuario (starff) die Edelen hoochgeboren Willem broeder tot Gelre heer Jans zoon heer (van Eg-) mont, van Iselsteijn ende heer tot Baer. doe hij geregeert hadde XXIX (Jaer.) ende hadde te wijve vrou Waelborch sgraven dochter van Muers.[Woutersz fol. 12 (75) + 27]
Vrij vertaald: Willem stierf 19 januari 1483 en regeerde 29 jaar.
Opvallend is de betiteling "Edelen hoochgeboren" en de aanduiding "broeder tot Gelre".
Bij deze afbeelding is een stukje aan de rechterkant weggevallen.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed zonder juweel.
2. Gulden Vliesketen.
3. Haak op borststuk.
4. Versierd borststuk.
5. Hellebaard, géén zwaard.
6. Stersporen.
7. Het wapen toont: 2x Egmont
Arkel en Baer en
Gelre (in het hartschild).
Opvallend is dat Ysselstein ontbreekt terwijl er wel plaats voor was.
van der Schelling
Willem de IVe. Zoon van Johan de IIe Broeder van de Hertog Aarnout van Gelre, XXIVe Heer en IIe Graaf van Egmond, en van het Rijk, Heer van Mechelen, Arkel, Ysselstein, Bar, troude met Vrow Walburg, Dogter van de Graaf van Meurs, bij dewelke hij gehad heeft VII kinderen, Johan Graaf van Egmond, Frederik Graaf van Bueren, Heer van Ysselstein, Willem overleden zonder mannelijk oir, Anna getroud met de Graaf van Benthem, Elisabet, met de Heer van Bronkhorst, Walburgis een geestelijke dochter op de Veluwe, Margareta getroud met de Baron van Petershem, Hij deed een tocht naar 't Heijlige Land met de gemelde Hertog Aarnout, Hij was een zeer geleerd Prins, braaf en strijdbaar, in de oorlogen. Hij pretendeerde de voogdijschap over zijn Klein-zoon Karel Hertog van Gelre, met uitsluijtinge van Vr *** zijne Klein-dochter. Hij is overleden den 19 Januarij 1483 geregeert hebbende 32 jaaren, en begraven zijnde inde Grafstede van Gelderland digt bij Hertog Aarnout zijnen Broeder.
Woutersz blz. 27R+ V.
Willem, die*1) vierde van dier naem, worde die xxiiii (24) heer tot Egmont, als syn oude broeder Aernt geworden was hartoghe van Gelre, Gulick ende grave van Zutphen. Dese hartoghe Aernt werde van Adolf, synen eyghen soen, doer quaden raet gevanghen, ende als hy ses iaren gevangen hadde geweest, soe verloste hem Hartoge Caerle van Burgongen ende die soen Adolf worde wederom gevanghen. Mer hoe dat Hartoechdom van Gelre ende oeck dat graefschap van Sutphen vercocht ende betaelt is, of hoet niet wederom aen thuys van Egmont ghestorven is, dat laet ick die geleerden disputeren. Dese heer Willem was een geleert, genoechlick ende faceet heer. Hy was lang van staturen, bruyn van verwe ende hat crult swart haer. Men leest veel van syne facecien ende boertelicke woorden. Het geboerde op een tyt dat hy te Loeven wesende, hadde aen syn tafel genoet sommigen doctoren in der godheit, ende als daer sommighe questien geproponeert ende voergeleit worden, soen was daer een doctoer van Ghent, die geen noese en hadde; die selfde proponeerde, wat een geloof was sonder liefte, waer op deen doctoer seyde dit, dander seyde dat, ten lesten sprack heer Willem van Egmont, als hy sach datter niemant die doctoer sonder noesze voldoen en mochte, seggende daer op: Een geloof sonder die liefte is anders niet dan een schip sonder royt, of Een aensicht sonder noesze. Dese heer Willem was oeck vander oorde vant Gulden Vlies, dat doe der tyt eerst vanden oude hartoghe Philips van Burgongen ingeset was. Hy hadde te wyve Jongfrou Walburch des graven Frederics dochter van Moors, dar hy by gecregen heeft drie soenen ende veel dochteren, te weten: Jan, grave tot Egmont, Frederick, grave van Buyren ende heer tot Iselsteyn, ende heer Willem van Egmont, heer vander Meer. Frederick, grave van Buyren voerszeyd, hadde getrouwt een dochter van Culenburch, daer hy by gewonnen heeft een enighe soen genoempt Floris, heer tot Iselsteyn, ende sinte Martynsdyck, die getrouet heeft een dochter van heer Cornelis van Berghen, heer van Sevenberghen. Die eerste dochter hiete Anna, die nam te man heer Baernt, grave van Benthem; die twede dochter hiete Elizabet ende hadde te man die Jonckar van Bronckhorst. Ende hy starf int Jaer ons heeren xiiiic. ende lxxxiii den xix dach in Januario (19 januari 1483), als hy xxxii (32) geregiert hadde, ende hy is begraven tot Grave int Gelderlant by hartoghe Arnout, synen broeder. Ende vrou Walburch starf voer haer man Int iaer ons heeren xiiiic. ende lix (1459), van kinde, mer dat kindt leefde noch viii (8) daghen nae haer, ende totten Predicaers inden Hage begraven*a). Ende int Jaer xiiiic. ende xcvi (1496) quam eerst in Hollant dat Casenbroet spull op, daer naemaels veel boeren om geslaghen worden by Hemskerck. Int iaer xiiiic. ende xcvi (1496) quam tot Egmont op Zee aen een Visch hondert ende vyftich ellen lang.
_____
*1): Woutersz. schrijft hier zelf in de marge: Dese heer was heer van Egmont ende vant Lant van Mechelen, nae inhout van eenen beseghelde brief,
die ick ghesien ende gelesen heb.
*2): Vlg. Brussel 1857 Convent van de orde van St. Domimicus.
Detmold L3 nr. 429 fol. 132V.
Int Jaer ons heren M.cccc. li (1451) so wert dese heer Willem heer van Egmont Ende dat jaer daeran so sterff sijn oom die heer van ijselsteijn sonder keijnder ende doe wert hij oeck heer van ijselsteijn. Sijn wijff was Walburga grave fredericks dochter van Moers daer hij bij wan drie sonen ende vier dochteren Die ijerste was Johan die heer van Egmondt Die andere was frederick die heer van ijselsteijn Die derde was Willem heer van hacps Die ijerste dochter anna troude die graeff van benthem Die andere Elisabeth troude die heer van bronckhorst Die derde was een besloten nonne tot reduchem in die veluwe Die vierde was margriet ende die troude die joncker van petersum Heer willem die sterff int jaer ons heren M.cccc lxxxiij (1483) ende leijt te graeff begraven bij sijn broeder hertoch aernt van ghelre Sij vrou die sterff van kijnde int Jaer ons heren M. cccc. lix (1459) ende leijt inden haech begraven tot die prekenbroeder.
Brussel 6049 fol. 1261 en 127.
Wilhelmus secundo genitus Johannis predicti, efficitur dominus de Egmonda et Yselsteyn. Hic etiam fuit dominus terrarum Mechliniae, de Lederdam, Baren et Nerghena. Hic duxit in uxorem Walburgiam, filiam comitis*1) Monsensis, ex qua genuit tres filios et quatuor filias. Eius autem primogenitus fuit Johannes dominus de Egmonda, qui natus fuit anno domini 1441.
Secundo genitus fuit Fredericus dominus de Yselsteyn. Tertius dictus est Wilhelmus de Egmonda miles, qui tandem accepit in uxorem Margaretam, unicam filiam domini de Boxmeer, ex qua genuit duas filias, quarum una erat fatua et alia duxit in martium dominorum de Bergis. Primam filiam, Annam nomine, accepit in uxorem Bernhardus, comes de Benthem, et genuit ex ea Everwinum, comitem de Benthem.
Secundam, Elisabeth nomine, duxit*2) in uxorem Gisbertus, dominus de Bronchorst. Tertia filia fuit Walburga, sancti monialis inclusa apud Redichem in velva, Quarta filia dicta est Margareta, uxor Johannis domicelli de Peterssom. Anno domini mcccclixo, die 3a mensis Maii (3 mei 1459), obiit Walburga, domina de Egmonda, in puerperio*3) et sepelitur apud predicatores in Haga Comitis.
Anno domini mcccclxxxiii (1483), in sanctorum Fabiani et Sebastiani, obiit Wilhelmus, dominus de Egmonda, in oppido Graviae*4) in domo sua et sepelitur in eodem oppido prope Arnoldum, ducem Gelriae fratrem suum.
Enfans de Guillaume Egmond et Walburge Moeurs, sa femme:
1. Jan, qui suit.
2. Frederic (etc.)
3. Walburge Egmond, religieuse au cloistre de Redichem.
4. Anna Egmond, femme de Bernard, comte de Benthem.
5. Elisabeth Egmond espousa en premieres nopces Gisbert, seigneur de Bronchorst et Batenborch. Elle espousa apres Jan van der Aa, chevalier, seigneur de Bouchoven et Dollem (fils de Henry van der Aa et de Margarita, dame heritiere de Bouchoven et Dollem). Il mourut sans en fans.
6. Margarita Egmond espousa en premieres nopces Jan, baron de Merode et Peetershem (fils d'Jan, baron de Merode, seigneur de Westerloo, Peetershem, Leefdael, chabellain de l'Empereur Maximilian, et de Alix de Hornes). Elle espousa en secondes nopces Guillaume Turck, drossart de Gorchom, colonel d'un regiment.
7. Guillaume Egmond, chevalier, seigneur de Harpe, espousa Margarita de Culembourg, dame de Boxmeer, Heeswijck (fille de Jan de Culembourg, seigneur de Boxmeer, Spalbeck, et de Margarita de Halmal de Trasignies). de laquelle il procrea Anna, qui suit. Anna Egmond, dame de Boxmeer, Harpen, Heeswijck, espousa en premieres nopces Guillaume, comte de s'Heerenberge, seigneur de Bilant, et d'Isebeau de Moeurs). Il mourut l'an 1513. Elle espousa en secondes nopces le comte de Wirnembourg.
_____
Verschillen in het Haagse handschrift:
1: comitis: Frederici comitis.
2: duxit: qui duxit.
3: puerperio: puerxerio.
4: Graviae ... eodem oppido: ontbreekt in het Brusselse handschrift.
Utrecht Nr. 7a.
Dese Willem wert heer van Egmont anno 1451 ende sjaars daeraen soo sterft syn oom, die heer van Yselsteyn, sonder kinder ende doe wert hy oick heer van Yselsteyn. Syn wyff was Walburga, grave Fredericks dochter van Maers, daer hy by won drie soonen ende vier dochteren. Die eerste was Jan, heer van Egmont, die andere was ... , heer van Yselsteyn. Die derde was Willem, heer van Baeps. Dierste dochter Anna troude den graeff van Benthem, die tweede Elisabeth den heer van Bronckhorst, die derde was een besloten non tot Redichem in de Veluwe, de vierde dochter Margriet traude den joncker van Peterchem. Heer Willem sterft anno 1483 ende leyt begraven te graeff by syn broeder, hertoch Aernt van Gelre. Syn vrau sterft van kint anno 1459 ende leyt begraven in den Hage tot die prekenbroeders.
Dek
Verwierf ingevolge deling met zijn broer hertog Arnold: Egmond, Leerdam, Schoonderwoerd en Haastrecht en erfde 1451 IJsselstein van zijn vader's broer, steunde zijn broer tot zijn dood, trad na 1473 op als stadhouder van Gelre namens Karel de Stoute, die hem later ridder in de orde van het Gulden Vlies maakte.
Overleden
19 januari 1483 Grave op 70-jarige leeftijd, begraven
Grave,
naast zijn broer*)
*) Brussel 18307.
Guillaume, second fils d'Jan, seigneur d'Egmond, et de Maria d'Arckel, fut seigneur d'Egmond, de Iselsteyn, Buren, Baer, et en l'an 1478 fut cree a Bruges en Flandre, chevalier du orde de la Toison d'Or, et espousa Walburge de Moeurs, dame de Baer (fille de Frederic, comte de Moeurs et Swaerdeven, et de Beatrix de Cleves). Elle mourut l'an 1459. Il mourut le 19 jour d'janvier l'an 1483 en gist engrave ou est cette epithaphe:
Vertaling J. Hooftman.
Grafschrift
Dat huys van Egmond in grooter eer, van welcke huyse die eerste heer, doorluchtich van vader en oock van moeder, was van Vrieslant des coninckx broeder, van welcke bloede hoogh gepresen, coningen en hertoghen sijn geresen, die croon van Schotlant sonderlinge by naem, oock Gelrelant en Beyeren tesamen, uyt welcken huyse der edelheyt hij was die in deser plaets leyt begraven hierin, door Godts genaden hoogh geboren en vroom van daden, heer Willem, heer van Egmond en van Baer, welcke hij regeerde twee en derthich jaer.
Die waraftichste heer die man vant was hij, eenig broeder tot Gelrelant. Die Gulicker halp hij vromelijcke bevechten om sijne moederlijcke erve nae alle rechten.
Hij was wijs van ver...... in allen rade, druck verdriet vond menich schade heeft hij achtien jaer lang geleden, sij waren hem tenae die hem dat deden.
Die orden droech hij van 't Gulden Vlies.
Sijn dood was den landen een groot verlies, was den armen bewees hij veel charitaten, oock heeft hij van sijnen bloede ghelaten bij een dochter van Moers die hij nam te wyve, dry soonen vroom, van schoon van lyve, Godt wil se in deughden altijt stercken, Oodmoedich was hij in der kercken, gheestelijcke persoonen hij seer beminde, sijn woort, sijn segel, soo hem elck kinde.
Sonnedaechs naers Antonisdach hij bleef aflijvich ter doot, als men schreef duysent vierhondert tachentich van drije, Godt make hem van alle sonden vrij. Zoon van
Johan / Jan II van EGMONT (met de Bellen) 23e Heer van Egmont van 1409 tot 1451 (zie
XIXa) en
Maria van ARKEL Hertogin van Gelre, Gravin van Zutphen, Vrouwe van de Landen van Mechelen.
Gehuwd (1) op 24-jarige leeftijd
22 januari 1437 met
Walburga van MEURS Vrouwe van Baer, Lathum en Swaerverden.
Overleden
3 mei 1459.
In het kraambed. Begraven
8 mei 1459 's-Gravenhage *),
*) 19 november 1484 Verklaart de Priores van het OLVr. klooster te Renichem (Renkum), dat Walburg van Moers in 1459 is gestorven en in haar klooster op 8 mei 1459 is begraven zoals de zerk uitwijst. [Arch. Nat. Paris T159 Nr. 13/14].
Dek
Bij de Predikbroeders te 's-Gravenhage. Dochter van
Frederik (Walraven) Graaf van MEURS en
Engelberta van KLEEF.
Gehuwd (2).
Elisabeth, geboren
1455.
Overleden
1539.
Gehuwd (1)
13 september 1457 huw. voorw. Nodigt Reynald van Homoet uit tot medebezegeling van de huwelijksvoorwaarden tussen zijn dochter en de zoon van Otto, Heer van
Bronckhorst en Borculo. [Arch. Nat. Paris T]. Echtgenoot is
Gijsbert van BRONCKHORST‑BATENBURG heer van Bronckhorst en Borculo, 2 jaar oud,
landdrost van Zutphen 1480, geboren
16 december 1454.
Overleden
1 december 1489 op 34-jarige leeftijd, begraven
Monnikhuizen, zoon van
Otto van BRONCKHORST en
Elisabeth van NASSAU‑BEILSTEIN.
Gehuwd (2) met
Jan van der AA Heer van Bokhoven,
ridder, drost van Gorinchem.
Zie Br. 18307.*****************************************************.
Overleden
1539, zoon van
Hendrik van der AA en
Margarita van BOKHOVEN Erfvrouwe van Bokhoven, Dolhain.
Anna.
Gehuwd met
Bernhard Graaf van BENTHEIM.
Volgde in 1454 zijn vader op.
Overleden
1473, zoon van
Everwijn I graaf van BENTHEIM (uit het geslacht Gutterswijck en
Mechteld van STEINFURT.
Margaretha.
Overleden
21 september 1496, begraven
Sint-Agatha, bij Cuijk, Noord-Brabant.
Gehuwd (1)
1473 met
Jan van MERODE Heer van Leefdael,
ridder.
Overleden
voor 1493, zoon van
Jan Baron van MERODE Heer van Westerlo, Petershem en Leefdael,
Kamerheer van Keizer Maximiliaan, en
Aleijd van HOORNE.
Gehuwd (2)
1493 met
Godert TORCK,
kastelein van Buren, drost van Goch, raadsheer van de hertog van Kleef, hofmaarschalk van het hertogdom Kleef 1499-1502.
Overleden
7 juni 1507,
sneuvelde in de slag bij Middelaar, begraven
Sint Agatha bij Cuijk, zoon van
Lubbert TORCK heer van Bruggen en
Hadewich van SUMMEREN.
Nicolaas (bastaard).
Dek
Gevangen op het Valkhof 1478-1481 met zijn halfbroers Frederik en Willem.
(?) Frederik (bastaard).
Dek
Had uit een marktschip goederen genomen, waarvoor 18 januari 1467 fr burgemeester van Nijmegen schadevergoeding kreeg.
Hendrika (bastaard).
Gehuwd met
Willem van TUYL.
Johan / Jan III 1e Graaf van EGMONT (Manke Jan) 25e Heer van Egmont van 1483 tot 1516,
kamerheer van Maximiliaan in 1477, slotvoogd van Gorinchem 1481, stadhouder van Holland 1483-1515, geboren
3 april 1438 (Hattem) Kasteel Hattum.
Vlg. Brussel 18307 geboren in 1441. Vlg. Hovaeus in 1438.
1e Graaf van Egmond*a) van 1486 tot 1516.
_____
*a): van der Schelling telt door v/a Johan II.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XVc. ende XVI. den XXIen. dach In Augusto starff die Edele hoochgeboren Jan grave tot Egmont ende heer tot Baer. heer Willems zoon doe hij XXXIII. Jaer geregeert hadde. ende hadt te wive vrou Magdalene sgraven dochter van Werdenberch.[Woutersz fol. 12V (76) + 27V]
Vrij vertaald: Jan stierf 21 augustus 1516 en regeerde 33 jaar.
De eerste die "grave" genoemd wordt.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed zonder juweel.
2. Gulden Vliesketen.
3. Eenvoudig onversierd borststuk.
4. Kort zwaard maar wel met tweehands gevest.
5. Stersporen.
[Woutersz fol. 12V (76) + 27V
Dit is min of meer de laatste tekening van de oude serie. Hierna zijn de portretten wat levendiger en uitbundiger.
van der Schelling
Johan de IIIe. Zoon van Willem IV. de XXVe Heer van Egmond. en van het Rijk, welke de Keijzer Maximiliaan opnieuw tot Graaf van Egmond verklaarde, met de vereeniging van de Stad Purmerende, en meer andere Steden tot het Graafschap en de magt van schattingen en onderstand gelden over zijne Onderdanen te heffen, en andere groote voorregten, en tot Heer van Mechelen, Arkel, de Eijlanden Ameland, Bilt, Beijerland, Hij troude Vrow Magdalena van Weerdenburg, Dogter van den Graaf van Weerdenburg, Achternige van den Keijzer, bij welke hij verwekt heeft XV kinderen: Willem gestorven voor zijnen Vader. Johan Graaf van Egmond. Joris Biscop van Utrecht, en Abt van St. Amand, Philips Heere van Bar, Vrow Walburg troude Willem Graaf van Nassau. Josina de Baron van Wassenaar, Katharina de Heer van Korthem, Anna die Abdis was van Losduijnen. Johanna troude de Baron van Toutenburg. De andere zijn zeer jong gestorven. Hij was een zeer strijdbaar Prins en braaf Soldaat. Zijne groote en merkwaerdige krijgsdaden bevestigen dit zelfs in zijn Ouderdom van 23 jaaren. Hij is geweest in het Heijlige Land, op de berg Sinaï. Hij is geweest Stadhouder van Holland- Zeeland en Vriesland. Hij verdreef de muijtende Ingcroten ** uit Leijden, genaamt Kaas en Brooden. Hij nam Haarlem in, en won de groote Slag tegen de Heer van Naaldwijk en stierf hoogbejaard den 21e Augustus 1516 na dat hij het Graafschap geregeert had 33 jaaren, en Holland- Zeeland en Vriesland, 32 jaaren, en is ter aarde bestelt in de Collegiale Kerk van Egmond.
Woutersz blz. 27V+ 28R.
Jan, die derde van dier naem, worde die xxv (25) heer tot Egmont. Hy was middelbaer van stature, schoen van aensicht, eerbaar van wesen, ende was seer geleert. Hy bedreef wonderlicke feyten van wapen, doe heer Willen van Egmont, syn heer vader, noch leefde. Hy wan mit crysch behendicheit die stad van Dordrecht in anno xiiiic. ende lxxxi smorghens te seven urren opten vi. doach van Aprill (6 april 1481), ende hy nam Adriaen Ians soen, schout van die stadt van Dordrecht, ghevanghen mit twe burgharmeysters ende hy lietse mitten swaerde rechten. Om dese ende meer andere crysch feyten ende om veel trouwe diensten die hy Maximiliaen den keyser dede, maeckte hy desen vromen edele heer tot Brusel anno xiiiic. ende lxxxvi den xii dach van november (7 november 1486) deerste Graef tot Egmont, ende oeck stadhouder van Hollant; ende gaf hem te wyve syn oems dochter van Waerdenberch*1), daer heer Jan Grave van Egmont aen wan in synder rechte outheit, want hy wel boven die vyftich iaeren out was eer hy Juffrrou Magdalena van Waerdenberch troude xv. (15) kinderen, daer veel iong af storven. Mer die opgecomen syn, syn desen: Jongkar Willem, die by nae
volwaszen was ende storf voer syn heer vader; Jongkar Jan, die na syn heer vaders doot grave tot Egmont worde; Jongkar Joris, heer van Hoechwoude ende Aertswoude, die na Abt van sint Amandt by Doernick ende Biscop van Utrecht worde; Jongkar Phillips, heer van Baer*2). Die dochteren syn: Jongfrou Walburch, Graefinne van Naszouwen; Jongfrou Josina, vrou van waszenaer, Burgraefinne van Leyden; Jongfrou Caterina, vrou van Cortgeen in zeelant; Jongfrou Anna, Abdisze van Lausduynen; Jongfrou Ianna, vrou van Toutenburch ende Stadthouderinne van Vrieslant; ende meer andere soonen ende dochteren, die al iong gestorven syn. Doe dese edele hoechgeboren heer xxiiii (24) iaren oudt was, reysde hy ten heylige land ende worde goods ridder, daer hy veel avontuers hadde, want alle syne dienaers verlieten hem, want een schamel man genoempt Jan Meliszen die hy van een geleye ghecocht hadde, droech hem wel xx (20) mylen op syn schouderen, want hy seer sieck was; ende als hy quam tot Egmont, soe gaf hy dese Jan Meliszen een schoutambocht tot syn leven. Hy cochte om een somme van penninghen die Heerlicheiyt van Purmerent, die den heer van Montfoert doer rebellicheyt verboerd. Hy cochte oeck die heerlicheyt van Hoechwoude ende Aertswoude, ende een groet aenwas over Mase genaempt die Ruychte, met wert noe genoempt Beyerlant. Hy dede oeck repareren ende verbeteren thuys tot Egmont. Hy hadde oeck weel oerloghen ende stryden in syn leven daer hy groete eer vercreech. Hy verdreef die Casebroets boerren van Leyden als sy Haerlem ghewonnen ende ingenomen hadden. Hy hadde een groete stryt te Sluyse teghen die heer van Naeltwyck ende Jongkar Frans van Brederode, die hy wan, ende hy heeft hem gevanghen wesende te Dordrecht geborcht om te genesen, want hy seer
gequetst was, mer hi is daer gestorven. Hy heeft oeck die stede van Hoern in ghenomen mit Joest van Laleyng ende veel andere vromelicheyden bedreven. Hy reformeerde die Abdie van Egmont ende vernyde daer die religie, daert geslachte van Riewyck oeck seer in laboreerde ende dit geschiede int Jaer xiiiic. ende xci (1491) ende heeft oeck mede veel cloosteren in Hollant gereformeert. Dese Edele hoochgeboren grave van Egnont starf int iaer ons heeren xvc. ende xvi. den xxi. dach van augustus (21 augustus 1516), seer oudt van dagen wesende, als hy dat graefschap van Egmont xxxiii (33) iaren geregiert hadde, ende stadthouder van Hollant geweest hadde xxxii (32) iaren mit groeter eeren, ende is tot Egmont in syn collegie onder een metalen combe (die hy by syn leven dede maken) begraven. Ende die edele doerluchtige hoochgeboren vrouwe Magdalena van Waerdenberch, graefinne van Egmont starf int Jaer xvc. ende xxxviii den ix dach van september (9 september 1538), ende is by haeren man begraven. Als nu die getrouwe edele heer Jan, graef tot Egmont, doot was, soe quamen die Gelderse Vriesen over in Alcmaer op sinte Aelberts dach ende verbranden Egmont Binnen te gront toe ende souden oeck dat huys tot Egmont verbrandt gehadt hebben, mer heer Jan van Waszenaer (verstaende dat die edele vrou van Egmont dat huys alleen gelaten hadde) heeft van stonden aen opt huys van Egmont geschict en gesonden sekere vrome crysluyden om thuys te bewaren, dwelck sy oeck trouwelicken gedaen hebben.
_____
*1): Keizer Maximiliaan (1459-1519), zoonvan Keizer Frederik (V) III (1415-1493) had één oom van vaders kant, Albrecht VI (1418-1463).
*2): Woutersz schrijft hier zelf in de marge:
Dese Jongkar Phillips, heer tot Baer, was een vroem cloeck ende rasch man, groet van stature, seer stout te velde, ende was wel gheleert ende starf een iong man van groeter hope anno xvc. ende xxviii (1528) in Keyser Carolus dienste, den ven. van dier naem in Italien ende is aldaer begraven.
Utrecht Nr. 7a.
Dese heer Jans wyff was Maddalena, des graven dochter van Waerdenborch, daer hy bi wan Maximiliaen.
Hier eindigt dit handschrift.
Het dateert dus uit de periode na de geboorte van Maximiliaen, kort na het huwelijk in 1484.
Detmold L3 nr. 429 Fol. 133.
Heer Jan die derde van desen naem was die ijerste grave van Egmont en was ghenaemt Inder wandelinge manck Jan want hij int beclimmen der stadt Doesburch hij been brack daer hij manck van bleeff Dese grave Jan hadde te wijve des hoechgheboren graven dochter van Werdenborch.
Hier eindigt het handschrift van Detmold.
Wel volgen nog twee portretten zonder tekst.
Ook de bovenstaande tekst is summier.
Waarom de schrijver hier met de tekst eindigt is onduidelijk. De tekeningenreeks gaat echter wel door (tot en met Lamoraal, afgebeeld met de Gulden Vliesketen). Dit geeft aan dat het handschrift dateert uit de periode na 1546 of toentertijd is bijgewerkt.
Brussel 18307.
Jan, troisieme du nom d'Egmond, nee l'an 1441, fut cree premier comte d'Egmond par le Empereur Maximilian l'an 1486, fut seigneur de Baer, Hooghwoude, Aertswoude et Pomerende, gouverneur de Hollande, Seelande et Frise en la place d'Josse de Lalain, et en l'an 1491 fut chevalier du orde de la Toison d'Or. Il mourut le 12 jour de decembre l'an 1516 et gist a Egmond. Il espousa Magdalena de Werdenbourg (fille de George, comte de Werdenbourg, et de Catharina de Baden). Elle mourut le 9 jour de novembre l'an 1538 et gist apres son mary a Egmont, de laquelle in procrea:
1. Maximilian d'Egmont, mort en jeunesse.
2. Guillaume Egmond, mort en jeunesse.
3. George Egmond fut l'an 1536 evesque d'Utrecht par l'Empereur Charles V du nom et mourut le 26 jour de septembre l'an 1559.
4. Anna Egmont, abbesse a Lesduynen.
5. Jan, comte Egmont, qui suit.
6. Jossine Egmond espousa l'an 1511 Jan, baron de Wassenare, viscomte de Leyden, seigneur de Barendrecht, Voorschoeten, Walkenbourg, Catwijck, chevalier du orde de la Toison d'Or (fils de Jan, seigneur de Wassenare, et d'Jenne de Halkewijn). Il mourut le 4 jour de decembre l'an 1525 et gist en le cloistre des peres Dominicains a (en) la Haye.
7. Walburge Egmond, femme de Guillaume, comte de Nassau, Dillembourg, nasquit l'an 1484 le 10 jour d'avril au chasteau de Dillembourg, fils d'Jan, comte de Nassau, Vianden, Dillembourg, baron de Grimberge et Diest, et d'Elisabet de Hesse. Elle mourut l'an 1529.
8. Jenne Egmond, femme de George Schenck, baron de Tautenbourch, chevalier du orde de la Toison d'Or, gouverneur de Frislant.
9. Catharina Egmond espousa l'an 1508 Francq de Borsele, seigneur de Cortgene, Melisse et Pamele, fils de Floris de Borsele, seigneur de Cortgene, Melisse et Pamele, et de Barbara de Wassenare. Il mourut l'an 1522 le 22 jour de novembre sans en fans.
Brussel 6049 fol. 127 en 1271.
Iste Johannes, dominus de Egmonda, filius Wilhelmi domini de Egmonda, anno domini mcccclxxxiii (1483) efficitur vice comes Hollandiae, Zelandiae et Frisiae. Hic anno domini 1483 circa festum duxit in uxorem Magdalenam, filiam comitis de Wairdenberch*1). Hic anno domini mccccc (1500) efficitur primus comes de Egmonda a Maximiliano Romanorum rege. Hic etiam fuit miles aurei velleris, hic eciam in juventute sua visitavit sepulchrum Chrisi in Jerusalem.
_____
*1): Achter de benaming Wairdenberch is toegevoegd met lichtere inkt en met een hand die niet van Westfalen is: et creatur comes de Egmonda.
Hier eindigt ook dit handschrift met uitzondering van de volgende regels.
Iste Fredericus secundo genitus*1) duxit in uxorem filiam domicelli Gerardi, domini de Culenburch, et genuit ex ea Florentinum, dominum de Yselsteyn militem*2) aurei velleris.
_____
*1): Dezelfde hand voegt hier toe: primus comes de Bueren.
*2): Hier voegt deze hand nog toe: et comitem de Bueren.
Tenslotte voegt deze onbekende schrijver nog toe:
Florentius genuit Maximilianum ultimum comitem de Bueren, qui duxit in uxorem ... , filium domini de Lanoy, de Santis et de Roelancoert, ex qua genuit unicam filiam, quam sponsavit principi Aurani, comiti de Nassau etc.
Het Haagse handschrift vervolgt achter militem Hovaeus zijn er 6 jong aurei velleris met: Iste Fredericus efficiturprimus comes de Bueren et de Lederdam a Maximiliano Romanorum imperatore anno domini mvc. (1500) Obiit autem anno domini mvc xxi, die viiia mensis Decembris (8 december 1521).
Winkler Prins
Jan III van Egmond (Hattem 3 april 1438 - Egmond 21 aug. 1516), sinds 1483 heer van Egmond, sinds 12 nov. 1486 graaf, was vurig Kabeljauws gezind en derhalve aanhanger van Maximiliaan van Oostenrijk, die hij vooral als militair diende. Jan was in 1477 kamerheer van Maximiliaan geworden, in 1481 slotvoogd van Gorkum; van 1483 tot 1515 was hij stadhouder van Holland. Hij streed tegen de laatste hoeken, bracht hun in 1409 in het Gat van Brouwershaven een gevoelige nederlaag toe. In 1492 sloeg hij de opstand van het Kaas- en Broodvolk in Noordholland neer. Hij trouwde in 1484 met gravin Magdalena van Werdenberg; zijn derde dochter Walburga was de eerste vrouw van de vader van Willem van Oranje. Zijn bijnaam was "Manke Jan". Hij was de vader van George en de grootvader van Lamoraal.
Lit.: NNBW, III, kol. 333- 334: P.J. Blok, in: Meded. Kon. Ak. v. W., afd Lett., 3e reeks, x (1894).
Dek
Werd één van de aanvoerders van de Kabeljauwen. Hij volgde in 1483 zijn vader op als heer van Egmond en werd bij diploma van Maximiliaan, te Brussel op 12 november 1486, verheven tot eerste graaf van Egmond. Hij kocht in 1481 de heerlijkheid Purmerend, verwierf tevens Baer en Lathum, werd in 1491 ridder in de orde van het Gulden Vlies, kocht 5 maart 1504 de heerlijkheden Hoogwoude en Aartswoude.
Dordrecht
Aan het (Hoekse) bewind kwam abrupt een einde toen de Kabeljauwse leider Jan van Egmond in de vroege ochtend van 6 april de stad wist te verrassen. In drie schepen had hij zijn manschappen verborgen. Nadat de schepen onverdacht de waterpoort hadden gepasseerd en in de stadshaven waren afgemeerd, kwamen de strijders tevoorschijn. Tot hen behoorde een aantal Kabeljauwse ballingen die wellicht kontacten in de stad hebben gehad, maar het merendeel van de groep lijkt toch niet tot de Dordtse incrowd te hebben behoord. In schermutselingen vond Burgermeester Gillis Adriaanszoon de dood ondanks dat hij had geprobeerd zijn hoofd met een inderhaast gepakte koperen pot te beschermen. Op 26 april werd de Dordtse wet onder landsheerlijk gezag ingrijpend "verzet". Een aantal Hoekse voorlieden werd in Den Haag gevangengezet, waaronder Dirk van Beaumont, Lange Adriaan en Cornelis Adriaanszoon. Dirk en Adriaan werden op 2 augustus 1481 door het Hof van Holland ter dood veroordeeld en hun vonnis is op 14 augustus voltrokken*1). Cornelis Adriaanszoon werd eeuwig verbannen en heeft inderdaad zijn verder leven buiten Holland en Zeeland gesleten. [Uit: Geschiedenis van Dordrecht uitg. 1996. Red. W. Frijhoff.]
_____
*1): In tegenstelling tot hetgeen Woutersz. aangeeft is hier sprake van een
proces en doodvonnis uitgesproken door het Hof van Holland.
Overleden
21 augustus 1516 Egmond op 78-jarige leeftijd, begraven
Egmond aan den Hoef, in de Slotkapel.
Volgens Hovaeus onder een verheven koperen tombe.
Ten tijde van Jan III bevond het Slot op de Hoef zich in haar grootste welstand.
Het Slot zal ongetwijfeld binnen haar omvangrijke muren een Slotkapel hebben gehad, waardoor de Heren en hun familie te allen tijden de kapel konden bezoeken. Zoon van
Willem IV van EGMONT 24e Heer van Egmont *1) van 1451 tot 1483 (zie
XXb) en
Walburga van MEURS Vrouwe van Baer, Lathum en Swaerverden.
Gehuwd (1)
mei 1484 's-Gravenhage.
Volgens Woutersz. 15 wettige kinderen, volgens Hovaeus zijn er 6 jong gestorven. Echtgenote is
Magdalena gravin van WERDENBERG, geboren
1462.
Volgens van Alkemade was zij een achternicht van de Keizer.
Overleden
9 september 1538 Egmond.
Vlg. Brussel 18307 ovl. 9 november 1538. Begraven
Egmond aan den Hoef, in de Slotkapel, dochter van
George (Joris) Graaf van WERDENBERG en
Catharina Prinses/Marktgravin van BADEN.
Gehuwd (2).
Maximiliaan, geboren
circa 1485.
Vlg. Utrecht Nr. 7a oudste zoon ┼ jong. Niet door Dek vermeld.
Vlg. Utrecht Nr. 7a oudste zoon jong overleden. Niet door Dek vermeld.
Josina, geboren
31 oktober 1485.
Overleden
30 november 1485, 30 dagen oud, begraven
's-Gravenhage, Hofkapel.
Josina, geboren
circa 1489.
Schilderij:
Josina van Egmond gehuwd met Jan II van Wassenaer ┼ 1525.
Schilderij van J. Mostaert, 1523.
Martin von Wagner- Museum der Universität Würzburg.
Overleden
1523.
Gehuwd
1511 's-Gravenhage met
Jan II Baron van WASSENAAR Burggraaf van Leiden,
beroemd krijgsman, ridder in de orde van het Gulden Vlies 1516, stadhouder van Friesland, geboren
1483.
Hij streed in 1509 in het keizerlijke leger tijdens het beleg van Pavia en raakte gewond aan zijn kaak en verloor zeven tanden. In de ziekenboeg kwam keizer Maximiliaan van Oostenrijk hem persoonlijk bezoeken. Samen met andere edelen en met de Deense koning vocht hij ook tegen de vrijstad Lübeck.
In 1511 trouwde hij met Josina van Egmond (dochter van Jan III van Egmont). Voor zover bekend kregen ze twee dochters: Maria ( - 1544) en Margaretha ( - 1556 of 1557). Hij kreeg ook een buitenechtelijke zoon: Andries van Wassenaar (1517 - 1597), die gehuwd was met Digna van Brakell. Maria trouwde met Jacob van Ligne en na Jans dood gingen de Wassenaarse bezittingen inclusief het burggraafschap van Leiden over op de familie De Ligne.
In 1512 versloeg hij met 200 ruiters en 600 voetsoldaten de Gelderse troepen bij Jutphaas. Al won hij de slag bij Jutphaas, hij werd later die dag in een hinderlaag gevangen genomen door de Geldersen en waarschijnlijk naar Wageningen gevoerd en daarna naar Hattem. Hij bracht daarna twee jaar door in een kooi bevestigd aan een katrol aan een van de stadstorens van de Dikke Tinne, waarbij hij regelmatig werd tentoongesteld aan het publiek. In 1514 kwam hij pas weer vrij, na een losgeld betaling van 20.000 ponden.
Op 6 november 1516 werd hij tot ridder van het Gulden Vlies geslagen en tot stadhouder van Friesland benoemd. In hetzelfde jaar arriveerde hij met een leger bij Harlingen en belegerde hij Dokkum. Hij was in 1520 aanwezig bij de kroning van Karel V.
In 1523 werd hij bevelhebber in Friesland en 26 juni 1523 nam hij de stad Workum in. Begin december 1523 belegerde hij de stad Sloten. Volgens een legende controleerde hij de wachtposten en verscheen er een wit geklede vrouw die riep Hier en nergens anders zult gij omkomen. De volgende dag raakte hij gewond door een musketkogel in zijn arm. Daaraan bezweek hij op 4 december 1523 in Leeuwarden.
Overleden
4 december 1525 Leeuwarden.
Werd gewond bij de belegering van Sloten en overleed aan deze verwondingen. Begraven
27 januari 1524 's-Gravenhage, Kloosterkerk, zoon van
Jan I van WASSENAAR Heer van Wassenaar, Burggraaf van Leiden en
Johanna van HALEWIJN‑PEENE.
Catharina,
Non te Loosduinen [Hovaeus], geboren
circa 1491.
Dek
Werd op 26 januari 1504 ontvangen in het kapittel van St. Waudru, ze was toen 12 jaar en 10 maanden. Op 3 mei 1512 was haar plaats door huwelijk vrijgekomen.
voor 6 maart 1544.
Gehuwd
23 oktober 1508 met
Frank van BORSELEN Heer van Borselen, Cortgene, Emelisse, Welle en Pamele.
Overleden
22 november 1522 Tervueren bij Brussel, begraven
Cortgene, zoon van
Floris bastaard van BORSELEN heer van Cortgene, Emelisse, Welle en Pamele en
Barbara van WASSENAAR.
Anna,
Abdis te Loosduinen vanaf 1538, geboren
circa 1493.
Dek
Nam de sluier aan, ingevolge een gelofte van haar vader, die terwijl hij zijn beste paard aan keizer Maximiliaan gaf, tegelijk zijn schoonste dochter aan God schonk. Keizer Karel V benoemde haar in 1538 tot abdis van Loosduinen.
Overleden
30 oktober 1563 Loosduinen, begraven
Loosduinen.
Willem, geboren
circa 1496.
overleed op 20 jarige leeftijd.
Johanna, geboren
juni 1498.
Dek
Werd met haar zuster Catharina op 26 januari 1504 ontvangen in het kapittel van St. Waudru, 5 jaar en 7 maanden. Op 17 november 1526 kwam de prebende vacant door haar huwelijk.
Overleden
circa 1530.
Gehuwd
1526 met

George SCHENK van TOUTENBURG
George SCHENK van TOUTENBURG,
drost van Vollenhove, stadhouder van Friesland, stadhouder van Overijssel 1528, stadhouder van Groningen 1536, beroemd veldheer van Karel V, geboren
1480 Windischeschenbach.
Hij was een Duitse edelman, die carrière maakte in het bisdom Utrecht en uiteindelijk stadhouder werd in de noordelijke gewesten.
Georg Schenk kwam in 1496 mee in het gevolg van Frederik van Baden, die dat jaar bisschop van Utrecht werd. In zijn dienst bracht hij het tot drost van Vollenhove. In 1521 volgde hij Wilhelm van Roggendorf op als stadhouder van Friesland. Later werd hij ook stadhouder van Overijssel, Drenthe en Groningen.
Georg Schenck liet Toutenburg bouwen in Vollenhove, waar hij was benoemd als schout. Via zijn eerste vrouw Anna de Vos van Steenwijk tot Batinge (┼ 1526) kwam hij in het bezit van het riddermatige huis Batinge bij Dwingeloo. In Tietjerk liet hij in 1528 een buitenplaats aanleggen; hieraan herinnert aldaar de zorginstelling Nieuw Toutenburg. In 1531 werd Georg toegelaten tot de Orde van het Gulden Vlies.
Het lukte hem de Geldersen onder Christoffel graaf van Meurs terug te dringen. Jancko Douwama kwam met hem in conflict, maar verloor. Schenck veroverde Dokkum, en ten slotte Sloten en Lemmer. Hij zette de strijd tegen Karel van Gelre buiten Friesland voort, werd stadhouder van Overijssel, versloeg de wederdopers die in 1535 klooster Bloemkamp bij Bolsward hadden bezet, veroverde ook Groningen en Drenthe (1536), waar hij eveneens stadhouder werd. Voor de inrichting van het bestuur heeft Friesland veel aan hem te danken. Zijn grote verdienste voor de Friese waterschappen blijkt uit het Groot Arbitrament van Schenck. Onder zijn bestuur won de hervorming aan kracht; dit ondanks de strenge plakkaten.
Georg Schenck overleed (op de Toutenburg, net zoals zijn beide vrouwen) aan de gevolgen van een kwetsuur door een musketschot opgedaan bij de belegering van Genemuiden op 21 februari 1540 en hij werd op het koor in de Grote Kerk te Vollenhove begraven
.
Overleden
2 februari 1540 Vollenhove, begraven
Vollenhove,
op het koor in de Grote Kerk. Zoon van
Willem SCHENK en
Kuniginde von TETTAU.
Philips van EGMOND Heer van Baer, geboren
circa 1500.
Overleden
1529 Italië,
[Hovaeus].
George Heer van Hoogwoude en Aartswoude,
werd in 1526 kanunnik van het Domkapittel van St. Lambert te Luik en in 1534 deken aldaar, tevens bisschop van Utrecht, bovendien was hij abt van St. Amand bij Doornik, geboren
circa 1502.
Overleden
26 september 1559 St. Amand, begraven
St. Amand.
Allert (bastaard) de GROOT, geboren
Andijk (bij Josina van Waervershoef)
Dek
Begeleidde in 1517 en in 1523 Karel V met Enkhuizer schepen naar Spanje, lid van de vroedschap van Enkhuizen.
Overleden
1534 Enkhuizen.
Gehuwd.
Hieruit een omvangrijk geslacht dat niet de naam van Egmond voert in
Noord-Holland. [Zie uitvoerig Parenteel Jan Albertsz. de Groot, Drs A.G. Vostingh-Bessem uitg. ~ 1960 en: Privilegie Semeijns, P.J. Buyskens uitg. Haarlem 1907]
Dek
Zij hadden talrijke nakomelingen, die o.a. burgemeester te Enkhuizen waren, maar niet de naam Egmond droegen met
Geerte Wiggertsdochter.
Walburga van EGMONT, geboren
circa 1486.
Overleden
7 maart 1529, begraven
Siegen, dochter van
Johan / Jan III 1e Graaf van EGMONT (Manke Jan) 25e Heer van Egmont van 1483 tot 1516 (zie
XXIc) en
Magdalena gravin van WERDENBERG.
Gehuwd
29 oktober 1506 Coblenz met

Willem van NASSAU-DILLENBURG
Willem Graaf van NASSAU‑DILLENBURG (Willem de Rijke en Willem de Oude), 19 jaar oud, geboren
10 april 1487 Slot Dillenburg.
Willem de Rijke was de vierde zoon van Jan V van Nassau-Dillenburg en Elisabeth van Hessen-Marburg. Hendrik III van Nassau-Breda was zijn oudere broer. Hij huwde aanvankelijk Walburga van Egmont, met wie hij twee kinderen kreeg. Na het overlijden van Walburga huwde hij Juliana van Stolberg. Uit dit huwelijk had hij twaalf kinderen (vijf zoons en zeven dochters). Zijn bekendste zoon is Willem van Oranje.
Een van de voornaamste bekommernissen van Willem de Rijke was de Katzenelnbogische Successieoorlog: het aanslepende conflict met de landgraven van Hessen over het graafschap Katzenelnbogen. Juridisch had hij de beste aanspraken, maar feitelijk werd het gebied door de landgraven bezet. Ook zijn religieuze situatie was complex. Vermoedelijk was Willem het lutheranisme genegen, maar hield hij zich - omdat hij de gunst van de keizer nodig had - uiterlijk aan het rooms-katholicisme. Hij liet zijn zoon Willem katholiek dopen, maar werd daarna steeds openlijker luthers. Veel priesters in zijn graafschap werden vervangen door predikanten. Toen René van Chalon in 1544 jong overleed en zijn minderjarige neef Willem van Oranje tot universeel erfgenaam maakte, ook van het prinsdom Oranje, trad de godsdienstkwestie op de voorgrond. Karel V wilde niet dat een van zijn voornaamste edelen in de Nederlanden zou worden opgevolgd door een lutheraan en stond evenmin toe dat Willem de Rijke de erfenis zou beheren tot zijn zoon meerderjarig was. Op 13 februari 1545 werd hierover een overeenkomst afgesloten, die er onder meer in voorzag dat Willem van Oranje katholiek zou worden opgevoed aan het hof in Brussel onder de directe verantwoordelijkheid van de keizer en de landvoogdes Maria van Hongarije.
Willem de Rijke overleed in 1559 en is bijgezet in de grafkelder in de Evangelische Stadskerk Dillenburg. Zijn zoon Jan werd opvolger op de Dillenburg. Het thans in Nederland regerende vorstenhuis stamt af van zowel zoon Jan als ook zoon Willem in meerdere vrouwelijke lijnen. Daarmee is Willem de Rijke een rechtstreekse voorvader van de Nederlandse koning Willem-Alexander
.
Overleden
6 oktober 1559 slot Dillenburg op 72-jarige leeftijd, zoon van
Jan V graaf van NASSAU en
Elisabeth landgravin van HESSEN‑MARBURG.
Elisabeth, geboren
oktober 1515.
Overleden
31 januari 1532.
Magdalena, geboren
6 oktober 1522 Siegen.
Overleden
18 augustus 1567 Siegen op 44-jarige leeftijd.
Gehuwd met
Herman graaf van NIEUWENAAR en MEURS, geboren
1514.
Overleden
1578.
Johan / Jan IV 2e Graaf van EGMONT 26e Heer van Egmond, Heer van Baer, Lathum, hoogwoude, Aartswoude en Purmerend,
kamerheer van Karel V, ridder in de orde van het Gulden Vlies, werd in 1527 generaal van de lichte ruiterij van Napels en Milaan, geboren
29 mei 1499.
Vlg. Dek,
2e Graaf van Egmont van 1516 tot 1528.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XVc. ende XXVIII starf die Edele hoochgeboren Jan die vierde van dier naeme ende die twede grave tot Egmont ende heer tot Baer. heer Janssoen. tot Melanen in Keysers Carolus dienst. en is begraven totten augusteijnen buijte melanen. doe hij XII. Jaer geregiert hadde. en syn hart werde gebracht tot Egmont en hadde te wyve vrou Francoise van Luxenburch sheren dochter van Fienes.
[Woutersz fol. 13 (77) + 28]
Vrij vertaald: Jan stierf 1528 en regeerde 12 jaar.
Opvallend is dat de juiste datum niet vermeld wordt.
Zijn hart wordt overgebracht naar Egmond.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Harnas en helm in Neo- Romeinse stijl. Harnas met koperen versieringen, rode scheenplaten.
2 Schouderstukken in de vorm van een slakkenhuis.
3. Hellebaard, géén zwaard.
4. Puntsporen.
5. Gulden Vliesketen, dus na 1516.
v. Alkemade vermeldt dat de serie schilderingen op het Slot t/m Jan de 1e, Graaf van Egmond ┼ 1516 liep.
Mogelijk ontleende Woutersz. deze tekening aan een ander voorbeeld.
Dit geldt ook voor de tekening van Karel I.
Beiden wijken qua stijl af van de voorgaande tekeningen. Ook het aanhefteken ontbreekt.
Van der Schelling
Johan de IVe zoon van Johan de IIIe. de XXVIe Heer en IVe Graaf van Egmond, Heer van Arkel, Mechelen, de Eijlanden van Ameland, Bilt, ende Beijerland, troude Francoise van Luxenburg, Dochter van de Graaf van Gavre, Heer van Fiennes, welkedoor de dood van haren Broeder is geweest Gravinne van Gavre, Markgravinne van Ville, Baronesse van Hamaide, Vierves, Eicmes, en besitster van andere goederen: Bij welke hij gehad heeft twee zoonen, Karel en Lamoraal, en eene Dogter Margareta, die de huijsvrou wierd vande Graaf van Vandermont, wiens Dogter de Vrow was van Henrik de IIIe Koning van Vrankrijk en van Polen; De gemelde Johan was een vredlijk en strijdbaar Prins. Hij deed groote krijgsdaaden in't gevolg van Keijzer Karel de Ve Hij sloeg de Vriesen, en was groote hoopen verwagtinge,maar hij stierf jong inden oorlog in Italie, als Generaal van al het ligte Paardevolk in dienst van den hoogst gemelde Keijzer, zoo van Napels, als van Milanen, den 19 April 1528. en legt begraven te St. Mark in het voornoemde Milanen, en heeft geregeert twaalf jaaren.
Woutersz blz. 28R.
Jan, die vierde van dier naem, was die xxvi. (26) heer ende twede graef tot Egmont. Hy was een vroem cloeck rasch ende vervaren man, groet van staturen, cloeck ende stout te velde, seer radt van lichaem. Hy nam te wyve Jongfrou Francisca van Luxemburch, een dochter van den here van Fiennes, die seer schoen ende verstandich was, ende die Keyser Carolus maeckte haer Princesze van Gaveren. Dese heer Jan, graef tot Egmont, heeft by haer gecregen twe soonen, te weten: Carolus ende Lamoral, ende eenen dochter Margarita genoempt, ende hadde getrouwt die grave van Voudemont, des hartoghen broeder van Lotringen. Dese edele hoochgeboeren graef Jan tot Egmont starf een iong man van groter hoope, in Keyser Carolus dienst tot Melanen, int iaer xvc. ende xxviii (1528) ende is begraven ten Augustinen buyte Melanen, als hy xii (12) iaer geregiert hadde, ende syn hart is tot Egmont begraven by syn heer vader.
Overleden
Ferrara,
19 of 29 april 1528, t.g.v. van een ziekte. Begraven
Milaan, in de St. Marcuskerk.
Zijn hart is bijgezet te Egmond bij zijn vader. Zoon van
Johan / Jan III 1e Graaf van EGMONT (Manke Jan) 25e Heer van Egmont van 1483 tot 1516 (zie
XXIc) en
Magdalena gravin van WERDENBERG.
Gehuwd
1516 Brussel met
Françoise van LUXEMBURG.
Dek
Zij erfde in 1530 van haar broer Jacques III, Gavre (in 1519 tot graafschap verheven), Fiennes, Auxy, Armentières, Hamaide enz.*1).
_____
*1): Volgens Hovaeus was hij Prins van Steenhuysen en Gavere.
Overleden
1 november 1557, begraven
Sotteghem, Vlaanderen,
in albasten tombe. Familiegraf Luxemburg-Fiennes. Dit grad is in 1980 herondekt. Dochter van
Jacques II van LUXEMBURG Heer van Fiennes en van Grave en
Margaretha van GRUUTHUSE (van BRUGGE) Vrouwe van Auxy.
1.

Karel I van EGMONT
Karel I 3e graaf 27e Heer van Egmont van 1528 tot 1541,
kamerheer van Karel V, geboren
na 1516,
3e Graaf van Egmond van 1528 tot 1541.
29 september 1541 Volgt Keizer Karel V in een veldtocht tegen de Turken te Algiers. Deze veldtocht (in het verkeerde jaargetijde gepland) was een mislukking.
2 december 1541 Keerde het leger onverrichter zake terug in Cartagena.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XVc. ende XLI den IXen. dach in December starf die edele ende hoochgeboren Carolus grave tot Egmont ende heer tot purme reynde int wederomcomen van argisses in Keyser carolus dienst ende is tot mersien die coninglike staat van granade begraven ende en hadde gheen wyve. ende erfde dat graefschap van Egmont op Lamoral syn broeder.
[Woutersz fol. 13V (78) + 28].
Vrij vertaald: Carolus stierf 9 decemberf 1541.
Geen regeringsperiode vermeld.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Helm in Neo-Romeinse stijl.
2. Zwaard.
3. Stersporen.
van der Schelling
Karel de Ie, Zoon van Johan de IVe de XXVIIe Heer en Graaf van Egmond, Heer van Arkel, Mechelen, van de Eijlanden van Ameland, Bilt, Beijerland, van Bar en door zijne Moeder Prins van Gavre, Markgraaf van Ville, Baron van Hamaijde, Vierves, Fiennes, Zottegem, Heer van Armentiers, Marcoing etc. Hij was een braaf en grootmoedig Prins, en een van de tien die Keijzer Karel de Ve met zig nam, als hij te post door Vrankrijk trok naar Vlaanderen. Hij begaf zich in een schip van de gemelde Keijzer tot den oorlog van Algiers, daar hij wonderen deed, en zeer veel hoop gaf, maar hij sterf zeer jong, om te trouwen op de wederkomst van deze reijs van Algiers, in de Stad van Nieuw Kartagena den 7 December 1541. en is begraven opde zekre plaats na geregeert te hebben VIII jaaren, latende zijnen Broeder Lamoraal zijn eenige erfgenaam.
Woutersz blz. 28R+ V.
Carolus, deerste van dier naem, worde die xxvii. (27) ende die derde graef tot Egmont ende heer van Purmerende. Hy was een cloeck vroem iongman, die ende swaer van lichaem, bruyn van verwe. Hy starf sonder wyf ende kinderen in Keyser Carolus dienst int iaer xvc. ende xli int wederom comen van Argilles den ix dach van december (9 december 1541) ende is tot Morse, een coninglijke stadt van Granate, begraven, doe hy xiii (13) iaer geregiert hadde*1).
_____
*1): Volgens Hovaeus (1)2 jaar.
Conclusie
Toen zijn vader in 1528 stierf was Karel hooguit 12 jaar oud.
Hij werd door zijn moeder Francoise en grootmoeder Magdalena opgevoed, mogelijk te Hamaide.
Hij stond in hoog aanzien. Uit het bewaard gebleven aktenmateriaal kunnen we afleiden dat hij zich zelden bezighield met het besturen van zijn bezittingen.
Zowel zijn moeder als grootmoeder namen dit voor hem waar.
De veldtocht tegen de Turken werd hem noodlottig. Hij stierf op 25 jarige leeftijd aan een ziekte te Cartagena, Spanje.
Dek
Vergezelde de Keizer op de expeditie naar Algiers en stierf op de terugweg, ongehuwd.
Overleden
7 december 1541 Cartagena, Murcia, Spanje.
Vergezelde de Keizer op de expeditie naar Algiers en stierf op de terugweg, ongehuwd. Hij werd opgevolgd door zijn broer Lamoraal I.
Karel was ziek geworden en overleed*1). [Karel V, P. Lahnenstein blz. 155].
_____
*1): Volgens Hovaeus na een ziekte van 4 dagen. Begraven
Cartagena.
Margaretha van EGMONT, geboren
1517/1518.
Overleden
10 maart 1554, dochter van
Johan / Jan IV 2e Graaf van EGMONT 26e Heer van Egmond, Heer van Baer, Lathum, hoogwoude, Aartswoude en Purmerend (zie
XXIIf) en
Françoise van LUXEMBURG.
Gehuwd
1 mei 1549 met
Nicolaas van LOTHARINGEN Graaf van Vaudemont, hertog van Mercoeur in Auvergne sinds 1569, 24 jaar oud,
Hij was 1544/45 Bisschop van Metz, 1544/48 Bisschop van Verdun, Graaf van Vaudemont, v/a 1567 Hertog van Mercur, Stadhouder van Limburg, Kamerheer van Keizer Karel V, geboren
17 oktober 1524.
Overleden
24 januari 1577 op 52-jarige leeftijd, zoon van
Antoine II (de Goede) Hertog van LOTHARINGEN Hertog van Bar en
Renata van BOURBON‑MONTPENSIER.
Louisa.
Overleden
1601 Moulins.
Gehuwd
15 februari 1575 met
Hendrik III Koning van FRANKRIJK,
Koning van Frankrijk vanaf 1574, Koning van Polen vanaf 1573, geboren
1555.
Overleden
1589.
Als laatste van het Huis Orléans.
Lamoraal I 4e Graaf van EGMONT 28e Heer van Egmont van 1541 tot 1568, Heer van Purmerend, Hoogwoude, Aartswoude, Fienne, Sotteghem, Donoes, Armentiëres en Auxy, geboren
18 november 1522 kasteel La Hamaide in Henegouwen,
4e Graaf van Egmont van 1541 tot 1568.
Onderschrift afbeelding:
Die Edele Hoochgeboren Heere Lamoral, Heere ende Grave tot Egmundt, Prince tot Gaveren, ende Heer tot Hoch woude ende Aertswoude etcetera Saluyt.
Deze tekening wijkt duidelijk af van de voorgaanden. Woutersz. heeft deze of zelf gemaakt of door iemand uit zijn omgeving laten maken.
Opvallende details:
1. Lans.
2. Ring om rechterwijsvinger.
3. Gulden Vliesketen, dus van na 1546.
4. Gekwartileerd wapen waarvan één kwartier schuilgaat achter het zwaard. De zichtbare kwartieren zijn:
1. Egmont.
2. Gelre.
3. Arkel.
Op het hartschild het wapen van Les Baux- en-Provence.
van der Schelling
Lamoraal de Ie. Zoon van Johan de IVe en Broeder van Karel de Ie. de XXVIIIe Heer en VIe Graaf van Egmond, Prins van Gavre en Steenhuijsen, en vant H. Rijk, Baron van Gaasbeek, en Grande van Spanjen, troude als Prins des Keijzers, Rooms-koning ende grootste Prins van Europa, met Vrow Sabina van Beijeren, Dogter van Hertog Johan van Beijeren, Palsgraaf van den Rijn, bij welke hij heeft gehad XI kinderen, Philips, Lamoraal, Karel, Leonora, Vrow van de Graaf van Hoogkerke, geworden Religieuse te Chambre, Francoijse ongetroud getorven, Magdalena Gravinne van Herlies, getroud, Christine Vrow vande Prins van Mansfeld, Anna ongetroud overleden, Sabina Gravinne van Solms, Jenneke Geestelijke Dogter. Dese was de eerste en grootste Veldheer van zijn Eew, eenzeer stout Prins, strijdbaar, overwinnend, en van een groote geest. Hij troude met de gewoone plegtigheid op het Koninklijke bedde Maria Koningin van England, in naame des Konings van Spanjen Phillips de IIe. Hij won de Slag van St. Quintijn en van Grevelingen waar in hij twee maal Vrankrijk heeft doen beven. Hij stierf zijnde Gouverneur van Vlaanderen, Arthoys, Rijssel en Oxhies, Generaal van de ligte paarden, en van de troupen van de gemelde Koning van Spanjen, in deze Nederlanden den 5 Junij int jaar 1568 hebbende geregeert 28 jaaren, en begraven zijnde in de kerk van de Baronije van Zottegem*1).
_____
*1): Opmerkelijk is dat er niets vermeld wordt over de executie.
Woutersz blz. 28V.
Lamoral, die eerste van die naem, wert die xxviii (28) heer ende vierde grave tot Egmont, ende hy worde tot Utrecht ridder vander oorde des Gulde Vlies ende hy was die twede inde oorde. Hy heeft getrouwt Jongfrou Sabina, des hartogen dochter van Beyeren.
Myn heer*1), want ick, u oetmoedige dienaer, veel gehoert ende verstaen hebbe hoe vromelcken ende trouwelicken myn heer hem gehadt ende getoent heeft in deser oorloghen tot verscheyde tyden ende plaetsen, by sonder inden slach voer sinte Quintyn (als vermelt mynen genadigen heere van Utrecht, Georgius van Egmont, myns heeren oems brief mit syn eyghen hant geschreven) ende oeck alder meest inden slach voer Gravelinge, waerinne myn heer hem getoent heeft waerachtelicken te wesen een soen ende naevolghar vandie Edele, Trouwen ende Vromen Heeren van Egmont ende wel te recht te moegen dragen die Wapene van Egmont, die anders niet en spreken noch beteykenen dan Edelheyt, Trouheyt ende Vroemheyt (als hier boven breder geschreven is). Dus, myn heer, heb ick u oetmoedige dienaer, voer my genomen dit boeck myn heer te dediceren ende te presenteren, waer in alle die Edelen, Trouwen ende vroemen heeren van Egmont, uwen voerouderen, by een ander geschildert syn, dan ick heb myn heer tegenwoordich daer by geschildert, mit meerder ende breder bescheit ende verklaringe van uwen voerouderen in een maniere van een brief, die iaen myn heer schrieve: die selfde myn heer te kennen ghevende hoe dat ick dit voerszeyde bescheyt ende verclaringhe ghenomen ende gheshreven heb, eens deel ut die Cronyke van
Hollant, die Gulielmus Hermannus Goudanus, Regulier in Steyn begonnen hadde ende Meyster Reynerus Goudanus Snoy, Doctoer der medecynen, volendt ende
volschreven heeft (als ick self van synen mondt ghehoert hebbe) ende deel aldermeest ut die Cronyke betreffende de afcoempste der Edele Heeren van Egmont, die Petrus Suyrmondius, Andreas Hoesdenus, Antonius Hueveus (die noch int leven is) ende Martinus Zybrandus Hoeveus, Canonicus Egmondensis, ghecopuleert ende gheschreven hebben ut die oude Cronyken, die sy in die voerszeyde Abdie van Egmont ghevonden, ghesien ende ghelesen hebben, die nu ut die Abdie voerszeyt (als my Antonius Hoeveus voerszeyt, een geleert man, geseyt heeft) ghestolen ende afhandich ghemaecct syn. Ende dit selfde bescheyt ende verclaringhe had ick ter begheerten van myn Genadighe Heer van Utrecht, Georgius van Egmont voerszeyd (wiens Ziel God genadich moet syn) in latyn begonnen te schryven. Mer dit voert te schryven in latyn heb ick ghelaeten, overmits die doot van myn genadighe heer van Utrecht voerszeyd, ende ick heb tselfde nu in duytsch gheschreven voer myn Heer teghenwoerdich. Biddende daer om die selfde myn Heer dat hy dit selfde in danck wil nemen: dat doende sal myn Heer my seer oetmoedich dienaer eer ende vrientschap doen K en God, die myn Heer lang moet sparen ghesont ende gheluckich,
Tot Waszenaer den 16 Juny Ano 1562
Myns Heeren oetmoedighe dienaer
Dirick Wouters soen Pastoer
tot Waszenaer.
In de marge schrijft Woutersz. nog het volgende:
Ende dit besceyt heb ick eens deel oeck mede genomen ende geschreven ut een boeck dat Marcelmus, een disipel van Sinte Swibertus, den heyligen biscop, ende van Sinte Wilibroert, den heyligen Aertsbischop van Utrecht, geschreven heeft int Jaer ons heren vic. ende xcv, (695) van sinte Switbertus leven ende miraculen, daer Marcelmus self by gheweest is ende gesien heeft, als hy self schryft.
_____
*1): Hier begint Woutersz. met de afsluiting van zijn Adelskroniek in
briefvorm.
Brussel 18307.
Lamoral, comte Egmond, prince de Gavre et de la Gruthuse, baron de Sotteghem, Armentiers, Fiennes, chevalier du orde de la Toison d'Or, espousa Sabina de Baviere (fille d'Jan de Baviere, comte palatin de Simmeren, et de Beatrix de Baden). Il mourut a Bruxelles le 5 jour d'juin l'an 1568. Elle mourut l'an 1578.
Enfans de Lamoral, comte Egmond, et de Sabina de Baviere, sa femme:
1. Phlippe, (etc.)
2. Lamoral, (etc.)
3. Charles, comte d'Egmond, fut mentionne cy-apres.
4. Maria Egmond, religieuse a Ter Cameren.
5. Jenne Egmond, religieuse a Ter Cameren.
6. Anna Egmond, religieuse a Ter Cameren.
7. Leonora Egmond, femme de George de Hornes, comte de Hautekercke, viscomte de Furnes, seigneur de Honscoute, Stavele, Leeuwegem (fils de Martin de Hornes, comte de Hautekercke, viscomte de Berges-St. Winocq, et d'Anna de Croy). Elle mourut l'an 1582. Il mourut l'an 1588.
8. Magdalena Egmont espousa Floris de Stavele, comte de Herlies, baron de Chaumont et Havesquerque, seigneur d'Estesses (fils de Philippe de Stavele, baron de Glayon, chevalier du orde de la Toison d'Or, et d'Anna Pallant de Culembourg). Il mourut sans en fans.
9. Maria Christina Egmond espousa en premiers nopces Nudaert de Bournonville, seigneur de Carpes, Houree, Lande, Houllefort, fut cree l'an 1582 par Phlippe second, roy d'Espagne, premier comte de Hennin, Lietart, cheff des finances (fils de Guy Bournonville, seigneur de Capres,Houree, et d'Anna Ranchicourt). Elle espousa en secondes nopces l'an 1587 Guillaume de Lalain, comte de Hooghstraten et Rennenbourg, baron de Borsele, chevalier du orde de la Toison d'Or, et d'Eleonora de Montmorancy). Il mourut l'an 1590. Elle espousa en troisiemes nopces Charles, prince de Mansfelt, fils de Pierre Ernest, comte de Mansfelt, et de Margarita de Bredenrode. Il mourut l'an 1595.
10. Sabine Egmond, dame de Beyerlant, espousa l'an 1595 George Eduard, comte de Solms fils d'Ernest, comte de Solms, et de Margarita Solms). Elle mourut l'an 1599 le 4 jour de mars. Il mourut le 2 jour de fevrier l'an 1602 sans en fans.
Wikipedia
Hij was een generaal en staatsman in de Zeventien Provinciën vlak voor het begin van de Tachtigjarige Oorlog (Nederlandse Opstand). In 1568 werden hij en de graaf van Horne op instigatie van Alva beschuldigd van "verraad" en ter dood veroordeeld. Beiden werden op de Grote Markt van Brussel publiekelijk terechtgesteld door onthoofding.
Levensloop
Lamoraal werd geboren op het kasteel van Lahamaide in Henegouwen. Hij was de vierde graaf van Egmont, elfde vrijheer van Purmerend, Purmerland en Ilpendam, heer van Hoog- en Aartswoud(e), Baer, Fiennes, en Zottegem, Armentiers, Lahamaide en Auxy en (vanaf 1553) de eerste prins van Gavere. Hij stamde uit het Huis Egmont, een van de rijkste en invloedrijkste families in de Nederlanden, voortgekomen uit de 'advocati' (= voogden) van de abdij van Egmond, die nabij hun kasteel stond.
Lamoraal was de zoon van Jan IV van Egmont en Francisca van Luxemburg. In 1528 overleed zijn vader. Na de dood van zijn vader stelde keizer Karel V twee neven van Jan IV, Maximiliaan van Egmont en George van Egmont, aan als voogden voor Lamoraal en zijn broer. Karel V voorzag ook in zijn levensonderhoud en Lamoraal werd page aan het keizerlijk hof in Spanje, waar hij een militaire opleiding kreeg. In 1541 besloot Karel V tot een veldtocht tegen de Barbarijse zeerovers. Als trouwe aanhangers van de keizer sloten Lamoraal en zijn broer zich bij zijn leger aan. Nadat zijn broer Karel I van Egmont overleed in 1541 in Cartagena na de slag bij Ras-Tafoura (Algiers), werd Lamoraal de vierde graaf van Egmont.
Huwelijk en nageslacht
Lamoraal huwde op 8 mei 1544 Sabina van Beieren (1528-1578), dochter van Johan II van Palts-Simmern en Beatrix van Baden, waarmee hij zijn rijkdom nog verder vergrootte. Het luisterrijke huwelijk werd ingezegend door de aartsbisschop van Lünden. Onder de gasten waren Karel V, Ferdinand van Oostenrijk en de hertogen van Cleve en van Saksen.
Het echtpaar kreeg 12 kinderen, van wie een talrijk nageslacht, (waaronder de Belgische koninklijke familie)
Loopbaan
Aan het eind van de 3e Gelderse Successieoorlog, in 1543, verwoestte een Habsburgse strijdmacht onder leiding van Lamoraal van Egmont de toen Gelderse en nu Duitse stad Düren. Door de stad in brand te laten steken en inwoners voor een belangrijk deel te laten vermoorden, stelde hij een voorbeeld. Hij was in zoverre succesvol dat de andere Gelderse steden zich overgaven en er zo een einde aan deze oorlog kwam.
Egmont werd tijdens het kapittel van Utrecht op 17 januari 1546 benoemd tot ridder van het Gulden Vlies. Hij nam in 1546 deel aan de Schmalkaldische Oorlog tegen het Schmalkaldisch Verbond. In 1549 begeleidde hij de toenmalige Spaanse kroonprins Filips bij zijn rondreis in de Nederlanden. In 1550 was hij te gast op het Kasteel van Turnhout. In 1552 werd hij tijdelijk gouverneur-generaal van Luxemburg en was hij als kolonel van twee cavalerieregimenten betrokken bij de mislukte belegering van Metz. In 1554 werd Lamoraal door Karel V naar Engeland en Spanje gestuurd om te onderhandelen over een huwelijk van Filips met de Engelse koningin Maria I van Engeland. Op 17 november 1555 werd Lamoraal lid van de Raad van State. In 1557 begon Egmont met de bedijking van het gebied aan de Oude Maas, dat naar zijn vrouw, Sabina van Beieren, Beierland werd genoemd. In dienst van het Spaanse leger versloeg Lamoraal de Fransen achtereenvolgens in Saint-Quentin (1557) en Grevelingen (1558). Als beloning voor zijn trouw werd Egmont in 1559 benoemd tot stadhouder van de graafschappen Vlaanderen en Artesië en tot gouverneur van de Gentse citadel. In 1561 liet Lamoraal een familiegrafmonument maken (onder andere voor zijn moeder Francisca van Luxemburg) in de Zottegemse Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk.
Als edelman maakte Egmont deel uit van de Raad van State. Samen met Willem van Oranje en de graaf van Horne (Driemanschap of Ligue der Groten, 1562) verzette hij zich tegen kardinaal Antoine Perrenot Granvelle, bisschop van Atrecht, die de inquisitie invoerde in Vlaanderen. In een brief aan Filips II (11 maart 1563) bood het Driemanschap hun ontslag aan als Granvelle niet zou vertrekken. Na het vertrek van Granvelle in 1564 verzoende Egmont zich opnieuw met de koning. Op aandringen van de Raad van State vertrok Egmont in 1565 naar Spanje (Madrid en Aranjuez) om Filips II de verlangens van de hoge adel en hun ongenoegen over de situatie in de Nederlanden over te brengen. Egmont meende dat hij de koning overtuigd had wat betreft de rol van de hoge adel in het landsbestuur en de verzachting van de religieuze vervolging, maar hij vergiste zich zwaar. Filips had integendeel besloten de hoge adel uit te schakelen. Na Egmonts terugkeer bleek uit brieven van de koning (Brieven uit het bos van Segovia) dat Filips II terugkwam op zijn beloftes.
Opstand, gevangenschap en onthoofding
Samen met de graaf van Megen lichtte Egmont de landvoogdes Margaretha in over het Eedverbond der Edelen. Op 5 april 1566 overhandigde hij mede het Smeekschrift der Edelen aan Margaretha. Kort daarna brak de Beeldenstorm (10 augustus 1566) uit en werd het verzet tegen de Spaanse overheersing in de Nederlanden groter. In september 1566 verhuisde Lamoraal van het Egmontpaleis in Brussel naar het Egmontkasteel in Zottegem. Als overtuigd katholiek keurde Egmont de Beeldenstorm ten zeerste af en hij zwoer op 17 februari andermaal trouw aan de Spaanse koning, hoewel hij tegelijkertijd ook probeerde de repressie tegen de protestanten te verzachten. Hij nam afstand van de radicale Brederode en stelde in het voorjaar van 1567 broodnodige troepen ter beschikking, die de geuzen versloegen in Oosterweel en het calvinistisch bestuurde Valenciennes heroverden. Hoewel hij op deze manier zijn loyaliteit had getoond en landvoogdes Margaretha van Parma de opstand onder controle leek te hebben, stuurde Filips II de hertog van Alva naar de Nederlanden.
Terwijl Willem van Oranje besloot de Nederlanden te ontvluchten, bleven Egmont en Horne ter plaatse. Een paar weken na zijn aankomst liet Alva de graaf van Egmont, zijn secretaris Jan van Casembroot en de graaf van Horne onder een vals voorwendsel - Alva had een overleg aangekondigd om bij een maaltijd over de situatie te praten - arresteren (9 september 1567). Direct na hun arrestatie werden ze naar Gent overgebracht en in het Spanjaardenkasteel opgesloten. Daar werd Egmont op 12 en 13 november ondervraagd door Juan de Vargas en Louis del Rio, kopstukken van de Raad van Beroerten, die hiervoor een bijzondere volmacht hadden gekregen.
Egmont beriep zich vruchteloos op zijn voorrechten als ridder van de Orde van het Gulden Vlies. Na de arrestatie trachtte zijn echtgenote, Sabina van Beieren, zijn onschuld te bewijzen en steun voor vrijlating te vinden; ze schreef brieven aan Filips II van Spanje, aan de Spaanse koningin, aan de portugese edelman Ruy Gómez de Silva, aan koningin Elizabeth I van Engeland en aan keizer Maximiliaan II. Ondanks de vele pogingen om zijn onschuld te bewijzen, werd Lamoraal wegens hoogverraad in december voor de Raad van Beroerten gebracht. Hoewel Egmont tot het einde toe katholiek bleef en trouw aan de Spaanse koning, werd hij samen met Horne op last van Alva ter dood veroordeeld. Egmont en Horne werden in 1567 en 1568 opgesloten in het Spanjaardenkasteel te Gent. Op 5 juni 1568 werden de edellieden op de Grote Markt van Brussel gedood. De onthoofding van Egmont en Horne leidde tot groot protest in de Nederlanden en wordt wel beschouwd als het begin van de gewapende Nederlandse Opstand en de Tachtigjarige Oorlog tegen de Spanjaarden.
Willem van Oranje trok lering uit de situatie en werd als Willem de Zwijger de spil van het verzet tegen de koning. Toenadering kwam er met de Unie van Brussel, maar toen de Franstalige gewesten zich min of meer achter de koning schaarden met de Unie van Atrecht ten koste van de eenheid van de Nederlanden (waarbij de Nederlandstalige Nederlanden zich verenigden in de Unie van Utrecht), was het hek van de dam, en koos het verzet rond Willem van Oranje voor een strategie buiten de Spaanse context, hetgeen later zou leiden tot het Plakkaat van Verlatinghe en de onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Waardering
De levensloop van Lamoraal en zijn tragische levenseinde vonden onmiddellijk weerklank. De werken die aan Egmont werden toegeschreven, waren nogal eens gebaseerd op onvolledig bronnenonderzoek zonder toepassing van historische kritiek. Hierdoor volgden ze vaak de mode van hun tijd en zagen ze Egmonts (gemythologiseerde en geromantiseerde) leven vooral in het licht van de politieke actualiteit van dat ogenblik.
De terechtstelling werd in talrijke prenten en medailles afgebeeld en in de 16e eeuw in geuzenliederen bezongen. Er bleven ook verschillende portretten van Egmont bewaard, onder andere in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten.
Ook in de literatuur en geschiedschrijving (Thuanus, Strada, Bentivoglio) werd Lamoraal veelvuldig vermeld. Tijdgenoten van Lamoraal omschreven hem als volgt: een schoon man van lichaem, van coninclijce maniere (Anthonius Hovaeus), een grote man met een mooi statuur, goedhartig, verstandig en met een zeer goed geheugen, liefhebber van de valkenjacht (Pierre de Bourdeilles), le plus beau, le plus fort de corps et de courage [...] terrible et soudain en sa colère [...] fort peu versé aux lettres, grossier et ignorant en matière de Estat (Pontus Payen). Michel de Montaigne schreef in de Essais over cette tragédie que le duc d'Albe nous fit voir à Bruxelles, net als Pieter Christiaenszoon Bor in zijn 'Nederlantsche Oorloghen', Pieter Corneliszoon Hooft in zijn Nederlandsche Historien en Emanuel Van Meteren in zijn 'Historie der Neder-landscher ende haerder na-buren oorlogen'.
In de achttiende eeuw schreven Voltaire (Henriade, 1723), Goethe (Über Egmont, Trauerspiel, 1787) en Schiller (Don Carlos, 1787 en Des Grafen Lamoral von Egmont Leben und Tod, 1789) over Egmonts leven. Het muziekstuk Egmont van Beethoven uit 1810 verspreidde Egmonts verhaal nog verder.
Tijdens het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1816-1830) werd onder Willem I vooral de strijd van Egmont tegen Filips II in de verf gezet. Na 1830 werd Egmont door het pas ontstane België opgevoerd als nationale held die de nieuwe staat historisch moest onderbouwen (hoewel er tussen liberalen en katholieken hevige debatten werden gevoerd over Egmont als 'vrijheidsstrijder' dan wel als zwakke 'landverrader').
Lamoraals levensloop werd in gedichten (La mort du comte d'Egmont, Auguste Clavareau (1820), Egmont en Hoorne, Hendrik Tollens (1806), Prijsverzen op de dood van Egmont, Prudens Van Duyse (1839), Essais Poétiques, Charles Hippolyte Vilain XIIII (1843)), toneelstukken (De Dood van Egmont, Frans Van Geert (1853) en De Vrouw van Egmont, Eugeen Zetternam (1859)) en historische werken (onder andere Ontdekking van het graf des graven van Egmond, M.J. De Bast (1819), Eloge du comte d'Egmont, Brunelle (1820), Eloge historique du comte d'Egmont, P. Laitat, Jan-Robert Calloigne (1824), Le procès du comte d'Egmont avec pièces justificatives, De Bavay (1853), Le comte d'Egmont et de Hornes d'après des documents authentiques et inédits, Juste (1862), Histoire du procès et de la mort de Lamoral comte d'Egmont, Van Damme (1869)) bezongen.
Er werden standbeelden opgericht (in 1864 in Brussel en in 1872 in Zottegem) en romantische historiestukken geschilderd (Uitspraak van de doodstraf van Egmont en Horne, Laatste biecht van Egmont, Bisschop Rythovius zegent Egmonts lichaam en Laatste eerbewijzen aan Egmont en Horne door Louis Gallait, Egmont neemt afscheid van zijn echtgenote door Adèle Kindt, De Laatste ogenblikken van Lamoraal (1836) door Jean-Baptiste De Roy). In de Belgische Senaat staat Egmont afgebeeld op een schilderij van Jacques de Lalaing.
Sporen van Egmont
De resten van de graaf van Egmont liggen, samen met die van zijn vrouw Sabina van Beieren (┼ 1578), begraven in de Egmontcrypte van de Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaartkerk op de Markt van de 'Egmontstad' Zottegem. De gekliefde halswervel van Egmont bevindt zich sinds 1984 in een schrijn in de raadzaal van het stadhuis van Zottegem op de Markt, waar ook twee schilderijen naar hem verwijzen: Laatste eerbewijzen aan Egmont en Horne (1882) van Louis Gallait en Het kasteel Egmond aan den Hoef (circa 1580) van de 16e-eeuwse Noord-Hollandse meester Gillis De Saen. In datzelfde Zottegemse stadhuis is sinds 2018 een Egmontkamer ingericht waar allerlei historische objecten rond Lamoraal worden tentoongesteld, waaronder de harten van Lamoraal en van zijn zonen Karel (┼ 1620) en Filips (┼ 1590) (die zich tussen 1952 en 2008 in het rijksarchief van Ronse bevonden). In Zottegem staat in het Egmontpark ook het Egmontkasteel (Egmont liet er de 'Ridderzaal' met erker inrichten) dat sinds 1964 een beschermd monument is. Op de Markt van Zottegem staat sinds 1872 een standbeeld van Lamoraal van Egmont van de hand van Jan-Robert Calloigne. Het huidige is een bronzen kopie van het originele gietijzeren beeld dat in 1968 verhuisde naar het Egmontpark voor het Egmontkasteel.
In 1997 werd een kopie van het standbeeld van Lamoraal van Egmont geplaatst aan de slotgracht in Egmond aan den Hoef. Daar staan de ruïnes en de slotkapel van Kasteel Egmond, het stamslot van het Huis Egmont. Aan het slot ligt bezoekerscentrum 'Huys Egmont' waarin objecten rond Egmont worden geëxposeerd.
Sinds 1879 staat er een standbeeld van Egmont en Horne van de hand van Charles-Auguste Fraikin op de Zavel in Brussel; het standbeeld stond voorheen (vanaf 1864) voor het Broodhuis op de Grote Markt. De studie voor het standbeeld staat op de zolder van de Lakenhal van Herentals.
In Brussel bevindt zich ook het Egmontpaleis dat moeder Francisca van Luxemburg en Lamoraal lieten optrekken.
Sinds 1939 staat Egmont afgebeeld op een gebrandschilderd raam in het oude Raadhuis van Oud-Beijerland, sinds 1959 wordt hij er ook herdacht met een plaquette (hoek Oostdijk/Koninginneweg) en sinds 2016 met een muurschildering (Bierkade). Ook in Weert (Muntpassage) staat Lamoraal van Egmont afgebeeld op een muurschildering.
Egmont was een tijdlang (1565 - 1568) eigenaar van het kasteel van Gaasbeek[, waar nog een 'Egmonttrap' is en een Lamoraal van Egmontdreef in het kasteelpark. Van het kasteel van Lahamaide waar Lamoraal geboren werd blijft enkel de schuur nog over. Tot 2008 was in het Gentse Hof van Fiennes aan de Korenlei restaurant 'graaf van Egmond' gevestigd, een verwijzing naar het pand dat Lamoraal via zijn moeder Francisca van Luxemburg erfde en waar hij in 1556 en 1559 verbleef. In de Gentse Sint-Baafskathedraal staat Lamoraals wapenschild in olieverf op een paneel afgebeeld.
Egmontjaar
In 1968 (400 jaar na de onthoofding) werd op de Zottegemse Markt een nieuw Egmontstandbeeld opgericht (het origineel werd in het Egmontpark geplaatst) en een Egmontbloementapijt aangelegd. In 2018 (450 jaar na de onthoofding) werd gezamenlijk in Egmond, Zottegem en Oud-Beijerland een 'Egmontjaar' of 'Lamoraaljaar' georganiseerd. In Weert was er bovendien een 'Graaf van Hornejaar'. De 450ste verjaardag van de onthoofding werd herdacht met lezingen, concerten, tentoonstellingen, publicaties, bezoeken, uitwisselingen en andere activiteiten. In februari voerde men in Zottegem een speciale Egmontmusical op. Op 5 juni 2018 werden in Zottegem, Egmond, Oud-Beijerland, Brussel en Weert herdenkingsplechtigheden gehouden en kransen neergelegd. In Egmond aan den Hoef was daar de plaatsvervangende Spaanse ambassadeur Fernando Fernández Aguayo bij aanwezig. In september 2018 werd in Zottegem een Egmontbloementapijt aangelegd en een Egmontevocatie gehouden, waarbij verschillende scènes uit Lamoraals leven als levende geschiedenis werden uitgebeeld. In november 2022 werd de vijfhonderdste verjaardag van Egmont herdacht met een plechtigheid in Lahamaide en een concert in Zottegem.
Titels
In 1555 werden de hoge edelen van Holland vergeleken op hun heerlijkheden waarbij Egmont er 12 had (Nassau had er 18). Een echte opwaardering kwam erbij toen de graaf via zijn moeder het prinsdom Gavere in handen kreeg, sindsdien was hij én graaf én prins.
Hieronder een lijst met titels van Lamoraal van Egmont.
- Prins van Gavere
- Graaf van Egmont
- Vrijheer van Purmerend, Purmerland en Ilpendam
- Vrijheer van Ameland
- Heer van Hoog- en Aartswoud(e)
- Heer van Baer
- Heer van Heerlijkheid Fiennes
- Heer van Heerlijkheid Zottegem
- Heer van Heerlijkheid Lahamaide
- Heer van Heerlijkheid Dondes
- Heer van Armentières
- Heer van Auxy
In huidige cultuur
De figuur van Lamoraal van Egmont komen veelvuldig voor in de huidige cultuur:
- Egmont is vereeuwigd in een toneelstuk door Goethe (genaamd Egmont, 1788). Beethoven schreef toneelmuziek bij dit drama (1810), waarvan de 'Egmont-ouverture' nog vaak gespeeld wordt. Zo brachten Jan Decleir, Peter Van den Begin en het Antwerp Symphony Orchestra in 2018 het stuk Egmont. In 2019 werd het stuk uitgevoerd (in een door Eric-Emmanuel Schmitt herschreven versie) door het Nationaal Orkest van België in BOZAR. In 2022 voerden Jan Decleir, I SOLISTI Belgian wind ensemble Antwerp en het Vlaams Radiokoor het stuk Egmont op.
- Moeder Francisca van Luxemburg en Lamoraal hebben het Egmontpaleis aan het Egmontpark in Brussel laten bouwen, waar in 1977 het Egmontpact werd ondertekend. Ook de denktank Egmontinstituut (Egmont - Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen) werd ernaar vernoemd.
- Onder andere in Zottegem, Egmond aan den Hoef, Gent, Antwerpen, Nevele, Oostkamp, Mechelen, Brussel, Seraing, Castricum, Oud-Beijerland, Zuid-Beijerland , Nieuw-Beijerland, Vlaardingen, Alkmaar, Berkel en Rodenrijs, Weert, Horn, Den Haag (Scheveningen), Zoetermeer, Kampen, Hoogwoud, Woudrichem, Bergen, Saint-Pol-sur-Ternoise, Sickenhausen, Wald (Solingen), Sudenburg (Maagdenburg) en Porz (Keulen) zijn straten naar hem vernoemd, net zoals het Egmontpark in Brussel en het Egmontpark in Zottegem. Ook heel wat horecazaken, evenementen (Egmonttasting, Egmontrock, Egmontcup, Egmonts winterdorp, Egmont Cycling Race), Scouting Purmerend, muziekvereniging 'Lamoraal van Egmont' en tandzorg Lamoraal uit Egmond, woonzorgcentrum WZC Egmont, lokaal dienstencentrum LDC Egmont, postzegelclub Egmont, wandelclub WSV Egmont, tafeltennisclub TTC Egmont uit Zottegem, KSV Sottegem-supportersvereniging Egmont Army, BuSo Egmont en Hoorn in Gavere en het Koninklijk Atheneum Zottegem zijn naar hem vernoemd.
- Sinds de ontdekking ervan door Belgisch astronoom Eric Walter Elst in 1993 draagt planetoïde (13097) de naam 'Lamoraal' ter ere van Egmont.
- Sinds 2018 is er in Zottegem een lusvormige Egmontroute voor fietsers, die verschillende historische plekken aandoet die met de graaf verbonden zijn.
- In Oud-Beijerland (Bierkade) en Zottegem (Noordstraat) werden muurschilderingen aangebracht over Lamoraal. Egmont staat ook mee afgebeeld op een muurschildering in Weert (Muntpassage).
Ter gelegenheid van het 450-jarig bestaan van Oud-Beijerland werd in 2009 de herdenkingsmunt het Lamoraaltje geslagen met daarop een beeltenis van Lamoraal.
- Ter gelegenheid van 450 jaar Egmont als ridder van het Gulden Vlies werd in 1996 in Egmond de tijdelijke betaalmunt Nobel uitgebracht met daarop een beeltenis van Lamoraal.
- Jos Van Rooy schreef in 1942 de roman Egmont (en in 1960 het libretto voor opera Egmont van Arthur Meulemans). Schrijver Gunther Opdecam verwerkte Lamoraal in 2018 in het detectiveverhaal Het Egmontmysterie.
- De rockband Ironborn bracht ter gelegenheid van het Egmontjaar het Engelstalige lied 1568 uit over Egmonts terechtstelling.
- De Belgische post gaf in 1981 een postzegel uit met daarop het Zottegemse Egmontkasteel. In 1990 kwam een postzegel uit waarop Lamoraal van Egmont staat afgebeeld (en Beethoven met het muziekstuk Egmont). In 2020 werd een postzegel uitgebracht voor de 50ste verjaardag van de Zottegemse Postzegelclub Egmont met daarop het Egmontstandbeeld.
- De Stichting Historisch Egmond reikt een Lamoraal van Egmontspeld uit aan personen die bijdragen aan de historie van Egmond.
- De Historische Vereniging Oud-Beijerland reikt een Lamoraal van Egmontspeld uit aan personen of instellingen die zich buitengewoon hebben ingezet voor de geschiedvorsing van Oud-Beijerland.
- Lamoraal van Egmonts naam en beeltenis worden ook veelvuldig gebruikt voor dranken. Zijn beeltenis sierde de etiketten van 'Export', 'Zottegemse Grand Cru', 'Egmont Zottegemse tripel' en 'Oud Zottegems' van Brouwerij Crombé. Brouwerij Van den Bossche brouwt 'Lamoral'. Rotary Zottegem brouwde in 2018 speciaal 'KopAf' ter gelegenheid van het Egmontjaar, net zoals Brouwerij Egmond voor deze gelegenheid 'Vaarwel graaf zonder hoofd' brouwde. Ter gelegenheid van het Egmontjaar werd in 2018 een bierpakket uitgebracht met '1568' van de Hoevebrouwers, 'Alva' van Bles, 'Lamoral' van Brouwerij Van Den Bossche en 'Montmorency' van Wertha Bier. Verder bestaat er een kruidenlikeur 'Lamoraal' uit Egmond en een 'Egmont's garden gin' uit Zottegem. Ook verschillende horecazaken dragen zijn naam, zoals bijvoorbeeld in Aalst.
Overleden
5 juni 1568 Brussel, (onthoofd) op 45-jarige leeftijd, begraven
15 juni 1568 Sottegem, zoon van
Johan / Jan IV 2e Graaf van EGMONT 26e Heer van Egmond, Heer van Baer, Lathum, hoogwoude, Aartswoude en Purmerend (zie
XXIIf) en
Françoise van LUXEMBURG.
Gehuwd (1) op 21-jarige leeftijd
8 mei 1544 Spiers (bij schoonouders).
Tijdens de Rijksdag. Echtgenote is

Sabina van BEIEREN
Sabina van BEIEREN, 15 jaar oud, geboren
13 juni 1528
(c) DVN, een project van Huygens ING en OGC (UU). Bronvermelding: Liesbeth Geevers, Beieren, Sabina van, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. URL: https://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/SabinaVanBeieren [13/01/2014]
BEIEREN, Sabina van, ook bekend als Sabina van de Palts (geb. Simmern, Duitsland 1528 - gest. Antwerpen 5-7-1578), vrouw van de in 1568 onthoofde graaf Egmont. Dochter van Johan II van de Palts-Simmern, graaf van Sponheim (1492-1557), en markgravin Beatrix van Baden (1492-1535). Sabina van Beieren trouwde op 8-5-1544 in Spiers (Duitsland) met Lamoraal graaf van Egmont (1522-1568). Uit dit huwelijk werden 13 kinderen geboren, van wie 8 dochters en 3 zoons de volwassen leeftijd bereikten.
Sabina van Beieren stamde uit een zijtak van het illustere Duitse vorstengeslacht Wittelsbach, dat zowel de keurvorsten van de Palts als de hertogen van Beieren leverde. Ze was het tiende en voorlaatste kind van paltsgraaf Johan van Simmern-Sponheim en markgravin Beatrix van Baden. Na de dood van haar moeder in 1557 werd ze opgenomen in het gezin van haar machtige verwant Frederik II, keurvorst van de Palts en diens vrouw Dorothea van Denemarken. Sabina's nieuwe pleegmoeder was een nicht van keizer Karel V.
Grande dame in Brussel
Op zestienjarige leeftijd trad Sabina in het huwelijk met de Nederlandse graaf Lamoraal van Egmont. Het huwelijk, mede geregeld door Karel V, werd voltrokken tijdens de Rijksdag in Spiers (1544), in aanwezigheid van de keizer, zijn familie en andere leden van de Duitse adel. Vanwege haar adellijke afkomst en Habsburgse banden was Sabina voor Lamoraal een aantrekkelijke partij. Als een van de rijkste edelen en een van de meest getalenteerde veldheren van de Nederlanden - die bovendien nog jong was - was Lamoraal voor Sabina ook een goede partij. Na de bruiloft vestigde het echtpaar zich in Brussel, waar Sabina deel ging uitmaken van het Brusselse hofleven. Zij zat regelmatig aan met keizer Karel V en diens zuster Maria van Hongarije, landvoogdes van de Nederlanden. Als lid van de Habsburgse elite en echtgenote van een succesvol veldheer leidde ze het leven van een grande dame. Intussen bleek het huwelijk ook uiterst vruchtbaar. Tussen 1545 en 1568 werden dertien kinderen geboren, van wie acht dochters en drie zoons de volwassen leeftijd bereikten.
In 1559 werd Sabina's oudste broer (Frederik) keurvorst van de Palts. Daarmee trad hij toe tot het illustere en exclusieve gezelschap van Duitse keurvorsten. De graaf en gravin van Egmont reisden ter gelegenheid hiervan af naar Heidelberg. Het was voor het eerst in vijftien jaar dat Sabina haar familie terugzag. Saillant detail van deze reis is dat Sabina zwanger was. Dat was door Egmont zelf als reden gezien om het bezoek vooral niet te lang te laten duren. Kennelijk wilde de graaf dat zijn kinderen in de Nederlanden geboren werden en niet in het gebied van Sabina's familie. Het was echter meer dan een familiebezoek. Lamoraal had opdracht gekregen van Filips II om haar broer zijn gelukwensen over te brengen en hem te verzekeren van Filips' welwillendheid ten opzichte van de Duitse vorsten. Filips wilde op die manier zijn banden met de Duitse vorsten verbeteren. Het mocht niet baten: mede vanwege Frederiks overgang naar het calvinisme onderhield het Habsburgse regime in de Nederlanden geen contact meer met hem. Ook Sabina correspondeerde maar weinig met haar talrijke broers en zusters, die waren overgegaan tot het nieuwe geloof. Lamoraal en zij bleven katholiek. Als intermediair tussen haar echtgenoot en de Duitse adel kon Sabina haar man dus niet echt van dienst zijn.
In de Nederlanden gold Sabina als een van de meest vooraanstaande vrouwen van het land. Dit werd vooral duidelijk tijdens de landvoogdij van Margaretha van Parma. Als hertogin voerde Margaretha een hofstaat waarin een prominente plaats was ingeruimd voor hofdames. Sabina speelde samen met Anna van Saksen, de echtgenote van Willem van Oranje, een belangrijke rol in dat hofleven. Volgens verschillende biografen van Egmont bestond er een zodanige rivaliteit tussen de twee dames dat zij elkaar de voorrang weigerden en zich dientengevolge steeds gelijktijdig door deuropeningen wrongen. Deze rivaliteit zou door Margaretha van Parma nog zijn aangewakkerd om de samenwerking tussen de echtgenoten Egmont en Oranje te ondergraven - een mooie anekdote die echter niet direct door de bronnen wordt ondersteund. Op het huwelijksfeest van Margaretha's zoon Alexander Farnese in Brussel leek er niets aan de hand: Sabina danste er met Willem van Oranje, Lamoraal van Egmont met Anna van Saksen.
Arrestatie en dood van Lamoraal
Aan het geprivilegieerde leven van Sabina van Beieren kwam een eind toen Lamoraal van Egmont in 1567 werd gearresteerd door de hertog van Alva op beschuldiging van hoogverraad. Direct na de arrestatie begon Sabina haar ruime internationale netwerk aan te spreken om hem vrij te krijgen: de ridders van de Orde van het Gulden Vlies - waartoe Lamoraal behoorde -, familieleden in de Duitse landen, zoals haar broer Frederik III en haar Wittelsbacher verwanten in Beieren, keizer Maximiliaan II, koningin Elisabeth van Engeland en zelfs de paus. Ook stuurde zij Hincart, een edelman uit haar huishouden, naar Frankrijk en Spanje om de belangen van haar echtgenoot te behartigen. Volgens de privileges van het Gulden Vlies had Egmont namelijk het recht om uitsluitend door zijn ordebroeders berecht te worden. Daaraan moest haar boodschapper koningin Elisabeth van Valois, Filips' favoriet Ruy Gómez de Silva en zijn biechtvader De la Cueva herinneren. Sabina deinsde er niet voor terug om zelfs koning Filips II onder druk te zetten. In een brief aan hem schrijft ze dat hij toch niet zal willen dat ze in het buitenland steun gaat zoeken, terwijl zij door zijn eigen vader naar de Nederlanden was gehaald. Hoewel er in brede kring sympathie bestond voor Lamoraal en men zijn lot betreurde - zelfs voormalige tegenstrevers als Granvelle - slaagde men er niet in zijn leven te redden. Op 5 juni 1568 werd hij op de Grote Markt van Brussel onthoofd.
De gevangenname en executie van Lamoraal van Egmont hadden grote gevolgen voor Sabina van Beieren. Al direct na zijn arrestatie werden al zijn goederen geconfisqueerd. Sabina moest met haar schare kinderen haar paleis in Brussel verlaten. Berooid trok ze zich met haar kinderen terug in het klooster La Cambre (Ter Kamere) in de buurt van Brussel. Zelfs de hertog van Alva vond dit te gortig en wist Filips II ertoe te bewegen haar een jaargeld toe te kennen. In 1571 kreeg ze toestemming het familiekasteel Gaesbeek te bewonen, drie jaar later - in 1574 - kreeg ze van de magistraat van Antwerpen daar een woning toegewezen. Dankzij de pacificatie van Gent kreeg ze in 1576 alle geconfisqueerde goederen terug.
De zorg voor haar kinderen hield Sabina steeds bezig. Enkele van haar dochters namen de sluier aan; haar oudste trouwde met Joris van Horn, zoon van de nieuwe eigenaar van kasteel Gaesbeek. De oudste zoon, Filips, vocht rond 1575 nog voor Willem van Oranje, maar stapte rond 1576 over naar het koninklijke kamp - wat ongetwijfeld te maken had met de teruggave van de familiegoederen. Hij was nog maar juist aangesteld als kolonel in het koninklijke leger toen de Spaanse furie uitbarstte in Antwerpen. Filips werd door de muitende troepen gevangengenomen. Sabina heeft hemel en aarde bewogen om haar zoon vrij te krijgen.
In 1578 overleed Sabina van Beieren in Antwerpen. Volgens haar testament droeg ze de zorg voor haar kinderen op aan Willem van Oranje. Haar lichaam werd bijgezet in de grafkelder van de Egmonts in Zottegem, waar ook Lamoraals lichaam rustte.
Reputatie
Sabina van Beieren figureert in de vakliteratuur over de Opstand als een van de voorbeelden die de vernedering van de Nederlandse edelen door de hertog van Alva illustreren. Haar zeer hoogadellijke afkomst stond in schril contrast met de ontberingen en armoede die ze na 1568 moest lijden. Thomas Asselijn verwerkte dit thema in zijn toneelstuk De dood van de graven Egmond en Hoorne uit 1685, dat gedurende de zeventiende en achttiende eeuw veel werd uitgevoerd. Goethe, de bekendste auteur die een stuk schreef over Egmont, negeerde haar echter volkomen. In zijn toneelstuk Egmont verving hij Egmonts loyale echtgenote en haar elf kinderen door het burgermeisje Klärchen, met wie de graaf een hartstochtelijk liefdesrelatie zou hebben gehad.
Literatuur
- G. Dansaert, Une belle figure de femme aimante au XVIe siècle. La comtesse Lamoral d'Egmont (Brussel 1934).
- R. Avermaete, Lamoral d'Egmont, 1523-1568 (Brussel 1943).
- L. De Vos, 'Het huwelijk van Lamoraal van Egmont met Sabine van Beieren', Jaarboek van de Zottegemse Culturele Kring (1960-1961) 7-52.
- B. De Troeyer, Lamoraal van Egmont. Een critische studie over z?n rol in de jaren 1559-1564 in verband met het schuldvraagstuk (Brussel 1961).
- W.C. Mees, Lamoraal van Egmond (Assen 1963).
- H. van Nuffel, Lamoraal van Egmont in de geschiedenis, literatuur, beeldende kunst en legende (Leuven/Parijs 1968).
- H. Raab, 'Sabine von Simmern, Gemahlin des Grafen Egmont', Zeitschrift für bayerische Landesgeschichte 44 (1981) 233-240.
- A. Goosens, Le comte Lamoral d'Egmont (1522-1568): les ale∩as du pouvoir de la haute noblesse a' l'aube de la re∩volte des Pays-Bas (Mons 2003).
- Els Kloek, 'De weduwen van Egmont en Horne. Sabina van Beieren (1528-1578) en Walburgis van Nieuwenaer (1522-1600)', Spiegel Historiael 40 (2005) 299-304, 353.
- A. Goosens, Slachtoffer van verraad en intrige. Graaf Lamoraal van Egmond, 1522-1568 (Leuven 2007) [uit het Frans vert. door H. Vandormael].
- L. Geevers, Gevallen vazallen. De integratie van Oranje, Egmont en Horn in de Spaans-Habsburgse monarchie (1559-1567) (Amsterdam 2008).
Rengenier C. Rittersma, Egmont da capo - eine mythogenetische Studie (Münster 2009).
Illustratie
Getekend portret. Uit: de Receuils d'Arras (Koninklijke Bibliotheek, Den Haag).
Auteur: Liesbeth Geevers
Biografienummer in 1001 Vrouwen: 119
laatst gewijzigd: 13/01/2014
De datum onder dit biografisch lemma geeft aan wanneer er voor het laatst aanvullingen en/of correcties in het stuk zijn doorgevoerd. Met ingang van 2023 is het project afgesloten.
Overleden
19 juni 1578 Antwerpen op 50-jarige leeftijd, begraven
Sotteghem, dochter van
Jan II van BEIEREN Hertog van Simmeren, Graaf van Sponheim, Paltzgraaf b.d. Rijn en
Beatrix van BADEN‑HOCHBERG.
Gehuwd (2).
3.
_I.jpg)
Philips van EGMONT
Philips 5e Graaf 29e Heer van Egmond van 1568 tot 1590, Prins van Gavre, baron van Gaasbeek, Fiennes, Hamaide, Vierces en Auxy, heer van Armentières, Arquinghem en Sotteghem, geboren
1558 Brussel,
5e Graaf van Egmond van 1568 tot 1590.
Opschrift afbeelding:
PHilippe 1 fils aisnie de Lamoral 1. 29 Seignr et 29
7 Comte dEgmont.[v. Alkemade Nr. 29]
Deze tekening wijkt v.w.b. de stijl sterk af van de voorgaanden. Het is een voor die tijd gebruikelijk portret zoals we die overal elders in kastelen tegenkomen.
Duidelijk is dit een aanvulling op de serie tot en met Lamoraal I.
Opvallende details:
1. Gulden Vliesketen, dus het portret is na 1586 vervaardigd.
2. Géén zwaard, wel de bijbehorende draagriem.
3. Er is geen wapen van de echtgenote weergegeven.
van der Schelling
Philips de I. oudste zoon van Lamoraal de Ie. de XXIXe Heer en VII Graaf van Egmond, Prins van Gavre, van Steenhuijsen en vant H. Rijk, en Grande van Spanjen, troude Vrow Maria van Hoorn, Hij was erfgenaam van de deugden van zijnen Vader, zowel als van zijne goederen. Hij stierf zonder kinderen, in een slag van Ivrij in Vrankrijk, als Generaal van de krijgslieden van zijne Majestijt, en zijne Armee, aldaar gezonden tot hulp tegen de Hugenoten, den 14 Maart 1590. Hij regeerde 22 jaaren, en is begraven te Hierges.
Brussel 18307.
Phlippe, comte Egmond, prince de Gavre et Steenhuse, baron de Sotteghem, Armentiers, Fiennes, gouverneur et capitain-general de la province d'Artois, chevalier du orde de la Toison d'Or, fut tuee en la bataille de Jury l'an 1590, nayant V d'enfans de sa femme Maria de Hornes (fille de Martin de Hornes, comte de Hautekerke, viscomte de Berges-Winocq, et d'Anna de Croy).
Dek
Volgde zijn vader in 1568 op las 5e graaf van Egmont. Hij kreeg van de Staten-Generaal 21 september 1576 commissie als kolonel over een regiment van 10 compagnieën. Maar in 1579 trad hij in Spaanse dienst, hij werd later stadhouder van Artois en ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Bij resolutie der Staten van Holland werd 4 oktober 1582 Purmerend van het huis en de heerlijkheid Egmont ontslagen. Hij trok met hulptroepen naar Frankrijk.
Overleden
14 maart 1590 Ivry, Frankrijk.
Gesneuveld. Hij had geen kinderen en werd opgevolgd door zijn broer Lamoraal II.
Brussel 18307 noemt 5 kinderen, maar niet bij naam. Begraven
Hierges.
Zijn hart te Zottegem.
Gehuwd
27 september 1579 met
Maria van HORNE.
Volgens Hovaeus was zij een zuster van George van Horne (gehuwd met Leonora
van Egmont).
Dochter van
Maarten Graaf van HORNE Burggraaf van Winoksbergen en
Anna de CROY.
4.

Lamoraal II van EGMONT
Lamoraal II 6e Graaf 30e Heer van Egmont van 1590 tot 1617, Prins van Gavre, Baron van Gaasbeek, Fiennes, Hamaide, Vierves en Auxy, Heer van Armentières, Arquinghem en Sotteghem,
studeerde te Keulen en Mainz, geboren
na 1558.
Vlg. Brussel 1857 geboren in ~1564. In 1572 was bij bijna 8 jr. oud.
6e Graaf van Egmond van 1590 tot 1617.
Opschrift afbeelding: 30 Lamoral, 2 fils second de Lamoral 1 xxx S. et.
viii Comte degmont.[v. Alkemade Nr. 30].
van der Schelling
Lamoraal de IIe tweede Zoon van Lamoraal de Ie XXXe Heer, en VIIIe Graaf van Egmond Prins van Gavre, van Steenhuijsen en van't H. Rijk, Graaf van Fiennes, Markgraaf van Ville,en Grande van Spanjen, troude Vrouwe Maria van Pierevisve, een Nigt van den Hertog van Rohan, en stierf te Brugge zonder kinderen, den 23 Meij 1617 en legt begraven te Zottegem, hebbende geregeert 27 jaaren.
Brussel 18307.
Lamoral, comte d'Egmont, prince de Gavre, a pres son frere Phlippe, fut mariee en France avec Maria de Pierrevive, fille du baron de Lisingny. Il mourut sans en fans l,an 1617.
Dek
Volgde in 1590 zijn broer Karel op als 6e graaf van Egmont. Hij bewoonde tijdelijk het huis te Egmond, stak diep in de schulden en verkocht in 1607 het graafschap Egmond en de heerlijkheid Purmerend aan de Staten van Holland.
Overleden
23 mei 1617 Brugge.
Hij had geen kinderen en werd opgevolgd door zijn broer Karel II. Begraven
Zottegem.
Gehuwd
21 augustus 1608 met
Marie de PIERREVIVE.
Zij was een nicht van de Hertog van Rohan.
Dochter van
NN de PIERREVIVE Heer van Lesigny.
Anna,
werd in 1588 non in een Clarissenklooster bij Atrecht (vlg. J. Kok, Utrecht), geboren
1560.
Sabina Vrouwe van Beierland, geboren
1562.
Overleden
4 maart 1599.
Vlg. J. Kok 1614, Begr. Delft. Begraven
Oud-Beierland,
in de kerk.
Gehuwd
14 maart 1595 Delft met
George Eberhard graaf van SOLMS‑LICH vrijheer tot Mingenberg, 26 jaar oud,
benoemd tot kolonel in Statendienst 27 februari 1586, chef van het Zeeuwse regiment 26 februari1587, geboren
30 juli 1568.
Overleden
23 februari 1602 op 33-jarige leeftijd, zoon van
Ernest Graaf van SOLMS‑LICH en
Margarita van SOLMS‑BRAUNFELS.
Eleonora.
Overleden
1582 's-Gravenhage.
Gehuwd
26 januari 1574 met
George van HORNE Graaf van Houtkerck, Burggraaf van Veurne en Wijnoxbergen, Baron van Hondschoote.
Overleden
1608 Kasteel Geldrop,
[Schmelzer geeft 1588], zoon van
Maarten Graaf van HORNE Burggraaf van Winoksbergen en
Anna de CROY.
Maria,
Non te Kamere (Brussel).
Maria schrijft na 1568 de brieven voor haar moeder.
Dek
Was zeer ontwikkeld en schreef haar moeders brieven, toen haar vader was gevangengenomen; werd na 1568 non in de abdij ter Kamere bij Brussel. Later woonde zij in de stad Brussel.
Overleden
circa 1584 Brussel.
Françoise.
Dek
Woonde circa 1584 in 's-Gravenhage, stierf ongehuwd aldaar.
Gecremeerd
13 juli 1589, begraven
's-Gravenhage, in de Hofkapel.
In een loden kist met inscriptie. Het hart in een afzonderlijke hartvormige loden doos. [HBE Lamoraal 489].
Magdalena.
Gehuwd met
Floris van STAVELE Graaf van Herlies, Baron van Chaumont en Haveskerke, Heer van Esterres.
Zoon van
Philips van STAVELE en
Anna van PALLANDT van CULEMBORCH.
Johanna,
Non te Kamere. Priores Elisabeth Klooster Brussel.
Dek
Trad na de dood van haar zus Maria op 25 jarige leeftijd in het klooster ter Kamere bij Brussel, later priores van het Sint Elizabethsklooster te Brussel.
Arnholdus (Arthus) (bastaard) van BENEDEN,
hij is in 1609 Amman van de Stad en Vrijheid van Sottegem, later Hoogbaljuw van het Land van Sottegem.
Hij is een bastaard van Lamoraal I. Woont op het kasteel te Sottegem.
Overleden
28 maart 1655, begraven
in de kerk van Sottegem.
Gehuwd
1597 met
Anna Abrahamsdr. de ROSIN.
Overleden
25 maart 1655, begraven
in de kerk van Sottegem.
Karel II 7e Graaf van EGMONT 31e Heer van Egmont van 1617 tot 1620, geboren
na 1547.
Mees noemt Juni 1564. Vlg. Brussel 1857 was hij in 1572 5½ jr. oud.
7e Graaf van Egmond van 1617 tot 1620.
Opschrift afbeelding: Charles, 2 fils cadet de lamoral. 1 xxxi Sr.
31 [v. Alkemade Nr. 31].
Opmerkelijk is de Gulden Vliesketen zonder Lam. Het schilderij moet dus na 1599 vervaardigd zijn.
Hij was toen ~52 jr.
De stand van de voeten is onjuist.
Draagt het schild op een vreemde wijze.
van der Schelling
Karel de IIe jongste Zoon van Lamoraal de Ie. XXXIe Heer en IXe Graaf van Egmond, Prins van Gavre, van Steenhuijse en van't H. Rijk, en Graaf van Hoorn, Fiennes, Bueren, Leerdam, Grande van Spanjen, enz., troude Vrouwe Maria de Lens Erfbaronesse van de Graafschappen van Boulonje, Aubignies, Habart, Longeville, en andere groote goederen, bij welke hij verwekt heeft vier kinderen, Louis Graaf van Egmond, Machtild Princes van Chimsij, Anna Gravinne van Warfuse, Philippote - Sabine gestorven ongetroud. Hij was een strijdbaar, braaf, en wijs Prins, en Gouverneur van het Graafschap, Kasteel en Bosc van Namur. Hij heeft bekleed verscheijde Gerandschappen, in Donomsrken*1) Duijtsland, en stierf in den Haag den 18 Junij alleen geregeert na de dood van zijn Broeder drie jaaren.
_____
*1): Donomsrken = Denemarken.
Brussel 18307.
Charles, comte d'Egmond, prince de Gavre, baron de Sottegem, Armentiers, Fiennes, pair de Cambresis, gouverneur de Namur, chevalier du orde de la Toison d'Or, mourut l'an 1619, espousa Maria de Lens, dame hertiere d'Aubignies, fille de Gilles de Lens, seigneur d'Aubignies, et d'Leonora de Douvrain, de laquelle il procrea
1 Louis, qui suit cy-apres.
2 Magdalena Egmont, femme d'Alexander d'Aremberge, prince de Chimay, comte de Beaumont et d'Avesnes, baron de Commines, chevalier du orde de la Toison d'Or, fils de Charles de Ligne, prince d'Aremberge et du St. Empire, chevalier du orde de la Toison d'Or, et d'Anna de Croy, heritiere d'Arschot. Il mourut l'an 1629.
3 Albertine Egmond, femme de Renee de Renesse, cree premier comte de Warfuse par l'Empereur Rodolphe II, vicomte de Montenacq, baron de Reves et Gaesbeke, seigneur de Bieveren, Perselle, cheff des finances du roy d'Espagne, fils de Guillaume de Renesse, seigneur de Perseille, et Anna de
Rubempre.
4 Sabine Egmond.
Dek
Kreeg in 1593 te Brussel enige verbeurdverklaarde bezittingen van zijn vader terug, ridder in de Orde van het Gulden Vlies werd 4 november benoemd tot gouverneur van Namen, volgde in 1617 zijn broer Lamoraal (in naam) op als 7e graaf van Egmond, prins van Gavre en Steenhuijse, heer van Fiennes, Armentières, La Hamaide en Beierland; verkocht Beierland in 1619 aan Diederik van der Nath.
Overleden
18 januari 1620 's-Gravenhage.
Volgens Hovaeus na een lange ziekte. Begraven
Armentières, Frankrijk.
Vlg. Bont in Zottegem. Zijn hart te Zottegem. Zoon van
Lamoraal I 4e Graaf van EGMONT 28e Heer van Egmont van 1541 tot 1568, Heer van Purmerend, Hoogwoude, Aartswoude, Fienne, Sotteghem, Donoes, Armentiëres en Auxy (zie
XXIIIh) en
Sabina van BEIEREN.
Gehuwd
1590 Artois.
Dek: Zij was misschien eerder gehuwd met Anthony de Croy. Echtgenote is
Marie de LENS Erfbaronesse van de Graafschappen van Boulonje, Aubignies, Habart, Longeville en andere grote goederen.
Zij was mogelijk weduwe van Anthony de Croy.
Dochter van
Gilles de LENS Baron van Aubigny en Artois en
Léonore de DOUVRAIN Vrouwe van Longueville.
Magdalena.
Overleden
7 november 1663 Keulen, begraven
30 juli 1664 Brussel,
in de Sainte-Gudule.
Gehuwd
1613 met
Alexander van ARENBERG Prins van Chimay, Hertog van Croy, Graaf van Beaumont, Baron van Commines en Avesnes, geboren
1590.
Volgens Hovaeus was hij een broer van de Hertog van Aarschot.
Overleden
16 augustus 1629.
Sneuvelde in Spaanse dienst bij de verrassing van Wezel. Zoon van
Karel van LIGNE Prins van Arenberg, (uit het huis Ligne) en
Anna de CROY erfdochter van Aarschot, Chimay en Beaumont.
Alberta.
Overleden
28 juli 1621.
Gehuwd
1611.
Volgens Hovaeus. Echtgenoot is
René van RENESSE Graaf van Warfusé, Burggraaf van Montenaken, Baron van Resnes en Gaasbeek.
Dek
Hij werd op 20 januari 1609 door keizer Rudolf II tot graaf verheven. Hij kocht Gaasbeek in 1617 voor 380.000 gulden van Sabina van Hoorne, dochter van Leonore van Egmont.
Overleden
16 april 1637 Luik,
bij een oproer te Luik, zoon van
Willem van RENESSE Heer van Perseille en
Anna de RUBEMPRÉ.
Philippa‑Sabina.
Overleden,
ongehuwd.
Lodewijk Ernst (Louis I) 8e graaf van EGMONT 32e Heer van Egmont van 1620 tot 1654, Prins van Gavre, Baron van Hamaide, Heer van Fiennes, Armentièresenz.,
kamerheer van koning Philips III van Spanje, geboren
1600.
Volgens Hovaeus.
8e Graaf van Egmond van 1620 tot 1654.
Opschrift afbeelding: 32 Louijs I fils unique de Charles 2, xxxii Sr. et x me comte dEgmont.[v. Alkemade Nr. 32].
Opmerkelijk is de Gulden Vliesketen, dus het schilderij moet na 1624
vervaardigd zijn.
De eerste met een lange haardracht.
Een vergelijkbaar portret is dat van Wolfert v. Brederode.
van der Schelling
Louijs de Ie eenige Zoon van Karel de IIe, de XXXIIe Heer en Xe Graaf van Egmond, Prins van Gavre, van Steenhuijsen, en van't H. Rijk enz, Graaf van Hoorn, Fiennes, Bueren, Leerdam, Ysselstein, Markgraaf van Longeville, en Baron van Hamaijde, Auxl, het Kasteel van Avoed *** Grande van Spanjen, troude Maria Margareta Erfgravinne van Berlaimont, Baronesse van Waurin, Lens, Hierges, Escournaix, en besittende andere groote goederen, bij welke hij verwekt heeft een Zoon en een Dogter, welke vroeg in hare eerste jeugd gestorven is. Hij was Prins van een groote geest en koninklijk onderhoud. Hij bekleede een Ambassade, die zeer heerlijk was wegens de doorlugtigste Infante Princes dezer Nederlanden, aan zijne Majesteit van Spanjen, alwaer hij koninlijk ontfangn en onthaalt is. Hij overleed te St. Cloux in Vrankrijk, alwaar hij begraven is den 27 Julij 1654. hebbende geregeert 34 jaaren.
Brussel 18307.
Louis, comte d'Egmond, prince de Gavre, baron de Hamaide et Abbignyes, grand d'Espagne, chevalier du orde de la Toison d'Or, espousa Maria Margarite, comtesseheritiere de Berlaimont, baronesse d'Escornaix fille de Florent, comte de Berlaimont, chevalier du orde de la Toison d'Or, gouverneur et capitain-general de la province de Luxembourg, et de Margarita, comtesse de Lalain, baronesse d'Escornaix de laquelle il procrea Phelippe, qui suit.
Dek
Ridder in de Orde van het Gulden Vlies, sloot zich in 1632 aan bij de samenzwering van de zuidnederlandse adel tegen Spanje, vluchtte daarom in 1634 het land uit, naar Parijs.
Begraven
27 juni 1654 Parijs, St. Cloud.
Vlg. Dek 27 juli 1654. Zoon van
Karel II 7e Graaf van EGMONT 31e Heer van Egmont van 1617 tot 1620 (zie
XXIVf) en
Marie de LENS Erfbaronesse van de Graafschappen van Boulonje, Aubignies, Habart, Longeville en andere grote goederen.
Gehuwd
9 februari 1621 met
Maria Margaretha Gravin de BERLAYMONT Barones van Hierges en lens, Vrouwe van Floyon.
Overleden
17 maart 1654 Brussel, dochter van
Floris van BERLAYMONT en
Maria Margaretha gravin van LALAING barones van Escornaix.
NN (dochter),
ongehuwd.
Jong overleden.
Philips Lodewijk (Philips II) 9e graaf van EGMONT 33e Heer van Egmond van 1654 tot 1682, Prins Gavre, Grande van Spanje,
kapitein-generaal van de vreemde ruiterij in Spaanse dienst, Spaans gezant aan het Engelse hof, werd 1679 onderkoning van Sardinië, geboren
1622 Brussel, gedoopt
Brussel.
Hij werd tijdens een grote plechtigheid ten doop gehouden door Infante Isabella Clara Eugenia in naam van zijn Peter Koning Philips IV v. Spanje.
Dek
Ten doop gehouden door de infante Isabella.
9e Graaf van Egmond van 1654 tot 1682.
Opschrift: Philippe 2 fils uniq de louis. 33 Seig, et 11 me comte de
33. [v. Alkemade Nr. 33]
Opvallend:
1. Hoed met veren.
2. Gulden Vliesketen, dus dit schilderij is na 1670 vervaardigd.
3. Staf in de rechterhand.
4. Erg lange haardracht hetgeen mode was in die tijd.
van der Schelling
Philips de 2e. eenige Zoon van Louijs, de 33e Heer, en 11e Graaf van Egmond, Prins van Gavre, Steenhuijsen en van 't H. Rijk, erfgenaam van het oude Huijs van Arkel, Graaf van Bueren, Leerdam, Ysselstein, Fiennes en Barlaimont, van Lens, Hierges, Beavrin, Hautepenne, Hamaide, Montignij, Houteroche, Zottegem, Escornaix, Arquinghem, Wavrin, Averdon, Auxi, het Kasteel, Heer van de Eijlanden Ameland, Bilt, Beijerland, van de steden Armentiers, Purmerent, en Grande van Spanjen. Ridder van het Gulde Vlies, Seneschal en Erfmaarschalk van Vlaanderen, troude Vrouwe Maria Ferdinanda van Croij, Erfmarquisin van Rentij, Princes van het H. Rijk, Gravin van Meurs en van Hoorn, Markgravin van Bourburg, Gravelin en Frankenberg, Vrow van Cherves, Eperlerques, Rumingen, bij welke Vrow hij verscheijdene kinderen verweckt en nagelaten heeft, Den Prins is gedoopt in de Koninclijke Kapelle met groote plegtigheden in't jaar 1622 Hij was Generaal van't krijgsvolk in Nederland, Generaal van de vreemde Cavallerije, Extraordinaris Ambassadeur van den Koning in Engeland en Onderkoning van Sarinie alwaar gestorven is den 17 maart 1682 zijnde begraven te Cagliari, zijnde de Hoofdstad van het voornoemde Rijk.
Brussel 18307.
Phlippe, comte d'Egmond et Berlaimont, prince de Gavre, baron de Haimaide et Abbignys, grand de Espagne, chevalier du orde de la Toison d'Or, espousa .... de Croy (fille de Philippe Francort de Croy, duc de Havre, et de Maria Clara de Croy), e laquelle il procrea.
Overleden
7 maart 1682 Sardinië, begraven
16 maart 1682 Cagliari, Sardinië, zoon van
Lodewijk Ernst (Louis I) 8e graaf van EGMONT 32e Heer van Egmont van 1620 tot 1654, Prins van Gavre, Baron van Hamaide, Heer van Fiennes, Armentièresenz. (zie
XXVd) en
Maria Margaretha Gravin de BERLAYMONT Barones van Hierges en lens, Vrouwe van Floyon.
Gehuwd
4 augustus 1659 Parijs met
Maria Ferdinanda (erfdochter) de CROY van RENTY.
Dochter van
Karel Philips de CROY Markies van Renty en
Maria Clara de CROY Markiezin en erfdochter van Havré.
Philips, geboren
circa 1660.
jong.
Maria Clara Angelica, gedoopt
4 februari 1661 Brussel.
Overleden
Brussel op 53-jarige leeftijd, begraven
5 mei 1714 Sainte-Guduke, Brussel.
Gehuwd met
Nicolaas PIGNATELLI hertog van Bisaccia,
generaal van de legers in het koninkrijk Napels.
3.

Procope Francois van EGMONT
Procope Francois 11e Graaf 35e Heer van Egmond van 1693 tot 15 september 1707, Prins van Gavre,
generaal van de ruiterij in Spaanse dienst, geboren
18 september 1664.
Vlg. Dek.
Vlg. Franstalige tekststrook ┼ 1707. 30 jr. oud, dus geb. 1707-30= 1667.
11e Graaf van Egmont van 1693 tot 15 september 1707.
Opschrift afbeelding: 35
Procope Francois. [v. Alkemade Nr. 35].
Opvallend:
1. Het jeugdige uiterlijk.
2. De Gulden Vliesketen, dus het schilderij is na 1706 vervaardigd. Procope was toen minimaal 29 jaar.
3. Staf in de rechterhand.
4. Kruithorentje (?) aan de riem.
van der Schelling
Procope Francois de 35e Heer, en 13e Graaf van Egmond jongste zoon van Philips en leste mans oir van zijnen Huijse, 9e Prins van Gavre endes H. Rijks, 14e Ridder des Gulden Vlies, Generaal van de Cavallerije inde Nederlanden en in Spanjen, stierf te Fraga in den ouderdom van 30 jaaren den 15 September 1707 en is aldaar begraven. Hij was getroud met Vrow Maria Angelica, Marquisin van Kosnak en van Grinjols. Door zijn overlijden zonder kinderen na te laten, is de fidei-commissaire successie van de goederen en titelen van den Huijse van Egmond, onder belastinge van daar van den Naam en wapenen te moeten voeren, gevallen op Procope Maria. Zoon van zijne oudste Zuster Vrouwe Maria Klara Angelica, gesproten uit haar huwelijk met Don Nicolaas Pinjatelli Hertog van Bisacha.
Brussel 18307.
Procope komt hier niet voor.
Dek
Ridder in de Orde van het Gulden Vlies.
Overleden
15 september 1707 Fraga, Catalonië op 42-jarige leeftijd.
Hij was de laatste mannelijke telg van het Geslacht van Egmont.
Dek
Hij stierf kinderloos als laatste man van zijn geslacht.
Zijn erfgenaam was Procope Maria Pignatelli, zoon van zijn zuster Maria Clara van Egmont-Pignatelli. Begraven
Fraga.
Gehuwd op 32-jarige leeftijd
25 maart 1697 Parijs met
Maria Angelica erfdochter van KOSNAK.
Vlg. Dek Louise).
Overleden
14 april 1717, dochter van
Frans Markies van KOSNAK en GRINJOLS.
4.

Louis Erneste II van EGMONT
Louis Erneste II 10e Graaf 34e Heer van Egmont van 1682 tot 1693,
generaal van de cavalerie in Spaanse dienst, geboren
1665.
Vlg. Dek 1666.
10e Graaf van Egmont van 1682 tot 1693.
Opschrift: 34
louis erneste [v. Alkemade Nr. 34]
1. Gulden Vliesketen, dus dit schilderij is na 1687 vervaardigd.
2. Staf in de rechterhand.
van der Schelling
Louijs Erneste Zoon van Philips de 34e Heer, en 12e Graaf van Egmond, Prins van Gavre en des H. Rijks, Grande van Spanjen, Ridder des Gulden Vlies, en eenige en universele erfgenaam van het groot goed zijnes Vaders, troude Vrow Maria Theresa Princes van Arenberg.
Dese Prins gaf zig van zijn jeugd af in de voornoemde Staaten van Europa, en ontfing aan alle Hoven daar hij zich ophield de tekens van genegenheid, vriendschap, eer, en onderscheijdinge zoo voor zijne personele verdiensten, als voor zijn rang. Maar in Spanjen zijnde, hoopte hem de Koning met Eerampten en weldaaden op. Hij maakte hem Gouverneur, en sedert *** Generaal van zijn Cavallerije in dat Land, en hij ontfing van zijn gansche Hof de merken van zeer zonderlinge hoogachtinge en goedwilligheid.
Dese Vorst van groote hoop is door de dood weggerukt in den ouderdom van 28 jaaren en int algemeen zeer beklaagt geweest, Hij is overleden den 17 September 1693 zonder kinderen na te laten, hebbende verkooren begraven te worden bij de ongeschoijde Carmeliten van Brussel.
Brussel 18307.
.... comte d'Egmond et Berlaimont, prince de Gavre, baron de Hamaide et Abbignyes, grand d'Espagne, chevalier du orde de la Toison d'Or, general de la cavallerie. Il mourut l'an 1693 sans fans de sa femme .... d'Arenberge (fille de Charles Eugene, duc sovain d'Arenberge, duc d'Arschot et de Croy, prince de porcean, chevalier du orde de la Toison d'Or, gouverneur de Hainaut, et de Maria Henriette de Cusance).
Opvallend is dat de schrijver de naam van de graaf en van diens echtgenote niet kent (laat dit open).
Louis Erneste is de laatste die door de schrijver wordt vermeld. In de stamboom op bl. 33 van dit handschrift komt hij echter niet voor.
Overleden
17 september 1693 Brussel.
Hij had geen kinderen en werd opgevolgd door zijn broer Procope Francois. Begraven
Brussel.
Bij de Ongeschoeide Karmelieten, gesticht in 1612.
Gehuwd
10 februari 1687 Parijs met
Maria Theresia van ARENBERG, geboren
1667.
Overleden
31 mei 1716, dochter van
Karel Eugenius Hertog van ARENBERG en AARSCHOT (uit het Huis Ligne) en
Maria Henriëtte Gravin van CHAMPLITE (CUSANCE).
? Angelica,
kanunnikes te Nivelle.
? Maria Theresia.
Gehuwd met
Jan de TRAZEGNIES Burggraaf van Arnemuiden.
Maria Christina van EGMONT, geboren
1555 Brussel, gedoopt
19 januari 1555.
Overleden
1622 Brussel, dochter van
Lamoraal I 4e Graaf van EGMONT 28e Heer van Egmont van 1541 tot 1568, Heer van Purmerend, Hoogwoude, Aartswoude, Fienne, Sotteghem, Donoes, Armentiëres en Auxy (zie
XXIIIh) en
Sabina van BEIEREN.
Gehuwd (1)
22 oktober 1579 met
Edward de BOURNONVILLE Graaf van Hennin en Lietart,
Financier van Koning Philips in 1573, geboren
1533 Artesië.
Wikipedia
Hij was een Zuid-Nederlands militair in dienst van keizer Karel V en koning Filips II van Spanje. Hij twijfelde erg of hij wel tot de opstandelingen van Willem de Zwijger zou toetreden.
Hij was Spaans gouverneur van de steden Leuven (hertogdom Brabant) en Atrecht (graafschap Artesië) alsook van heel Artesië.
Levensloop
Met keizer Karel V
Bournonville was een edelman met bezittingen in het graafschap Artesië. Hij was heer van Bournonville, Hennin-Liétard en van Ranchicourt. Bij zijn geboorte erfde hij ook de titels van baron van Capres (zoals zijn bijnaam ook wel was), baron van Barlin en baron van Houllefort. Hij ging in militaire dienst bij keizer Karel V. Bournonville vocht, zoals andere edelen uit de Nederlanden, met Karel V in het Rooms-Duitse Rijk, met name in de Schmalkaldische Oorlog (1546-1547). Tijdens de regering van Karels opvolger in de Nederlanden, Filips II van Spanje, brak de Tachtigjarige Oorlog uit.
Met koning Filips II van Spanje
Bournonville ondertekende vlot het Smeekschrift der Edelen (1566) dat dringend meer religieuze tolerantie eiste in de Nederlanden. Een jaar later verzoende hij zich opvallend met Margaretha van Parma, landvoogdes van de Spaanse Nederlanden (1567). Margaretha stuurde hem op oorlogspad, naar Filips van Noircarmes, de Spaanse gouverneur van Henegouwen. Filips omsingelde de stad Valencijn, tijdens het Beleg van Valencijn (1567). Hugenoten hadden zich verschanst in Valencijn. Filips en met hem, Oudard de Bournonville en andere edelen, verjoegen de protestanten uit Valencijn.
De hertog van Alva vertrouwde Bournonville en nam hem vervolgens op in zijn troepen. De Spaanse troepen voerden verder de strijd op tegen de protestanten. Bournonville vocht mee en werd beloond met het gouverneurschap van Leuven. In 1572 vocht hij terug in het graafschap Henegouwen, ditmaal tijdens de protestantse bezetting van Bergen. De Spaanse troepen verjoegen Lodewijk van Nassau en andere protestanten uit Bergen. Henegouwen was geen haard meer van protestantse opstandelingen, dankzij de bloedige repressie door de Spaanse troepen. Bournonville trok mee op met de troepen van Alva naar Zeeland, naar Haarlem en Naarden. Tijdens het verblijf van Bournonville in Holland, benaderde Willem de Zwijger hem. Willem vroeg hem over te lopen naar de opstandelingen. Bournonville weifelde in belangrijke mate.
In 1576 nam Bournonville dan toch de wapens op tegen de Spanjaarden, namelijk tijdens de Spaanse Furie in Antwerpen. Bournonville hekelde het bloedvergieten door de Spanjaarden, want hij kon het niet meer aanzien. Spaanse soldaten namen Bournonville en andere edelen gevangen, martelden hen en lieten hen dan gaan. Willem van Oranje beloonde Bournonville met het bevel over een regiment van de cavalerie en met het Staatsbestuur over Atrecht (in Artesië, zijn thuisland). Bournonville aanvaardde het aanbod van Willem van Oranje, maar verraadde hem later. Bournonville bood zich opnieuw aan in dienst van Filips II, koning van Spanje. Filips II beloonde hem met de verheffing van zijn domein Hennin-Liétard van een heerlijkheid tot een graafschap. Van Filips II mocht graaf de Bournonville gouverneur van Atrecht blijven maar uiteraard niet meer als Staats gouverneur maar als Spaans gouverneur. Bournonville werd bovendien gouverneur van geheel het graafschap Artesië. Bournonville werd beloond met het ambt van lid van de Raad van State in de Spaanse Nederlanden en met de prestigieuze functie van voorzitter van de Raad van Financiën. Deze Raad in Brussel besliste namelijk over de werkingsmiddelen van het Spaanse leger in de Nederlanden.
Overleden
28 december 1585 Artesië, zoon van
Guy de BOURNONVILLE en
Anna de RANCHINCOURT.
Gehuwd (2)
1587 met
Willem de LALAING Graaf van Hoogstraten en Renneburg, Heer van Borselen en Zuilen.
Overleden
1590, zoon van
Anthony de LALAING graaf van Hoogstraten en
Eleonora de MONTMORENCY vrouwe van Nivelle.
Gehuwd (3) met
Karel Graaf van MANSFELD,
chef der Artillerie onder Parma 1579, gewond bij Antwerpen 1585, tijdelijk opperbevelhebber der Spaanse troepen 1592, streed later tegen de Hongaren, geboren
1545(?) Luxemburg.
Overleden
14 augustus 1596.
Gesneuveld bij de strijd tegen de Hongaren. Zoon van
Pierre Ernest Graaf van MANSFELD en
Margareta van BREDERODE.
Alexander I, geboren
4 november 1585.
Hij was een Zuid-Nederlands militair en diplomaat.
Leven
Zijn ouders behoorden allebei tot de adel: vader Oudard, die stierf in het jaar van zijn geboorte, was graaf van Hénin in Artesië en moeder Marie-Christine was een Egmond. Ze liet Alexander opvoeden aan de Europese hoven (Brussel, Wenen, Firenze), begeleid door de jezuïet Duplessis. Bij hun terugkeer wist deze de moeder weinig positiefs te melden over de vorderingen van zijn leerling: "Mevrouw, ik breng u mijnheer terug in goede gezondheid".
Alexander was nauwelijks vijftien jaar oud toen koning Hendrik IV zijn Franse leengoederen verhief tot een hertogdom (1600). Met hulp van zijn moeder kocht hij de stamgoederen van de familie terug van Jean de Lamet (Bournonville, Conteville, Pernes, Huppelande, Haverskerke) en verkreeg hij dat ze opnieuw werden opgericht tot hertogdom (1608). Van Maurits van Oranje kocht hij de heerlijkheden Buggenhout, Baasrode en Sint-Amands.
In 1611 trouwde de jonge hertog met Anne van Melun (1590-1666), bij wie hij vijftien kinderen zou krijgen. Ze lieten het Mansfeltgoed in de Brusselse Wolstraat verbouwen tot een rijkelijke residentie, beroemd om de in drie terrassen aangelegde tuin (1618).[1] Een deel ervan stond Bournonville af voor de stichting van het miniemenklooster. Tijdens een van zijn vele afwezigheden bood het Hof van Bournonville onderdak aan Maria de Medici, op de vlucht voor Richelieu (1631).
Bournonville was een man van de oorlog. Hij diende onder aartshertog Albrecht, maar aarzelde niet wanneer keizer Ferdinand II een beroep deed op Brussel voor zijn Boheemse campagne. Bij de inname van Písek op 30 september 1620 verloor Bournonville een oog. Terug in de Nederlanden nam hij het bij Fleurus op tegen Ernest van Mansfeld (1622). Datzelfde jaar kreeg hij het Gulden Vlies. Hij werd belast met drie diplomatieke zendingen en werd gouverneur van Rijsel (1631).
In 1632 complotteerde hij met zijn schoonbroers, Espinoy en Aarschot, tegen het Spaanse regime.[2] In maart 1634, toen ze de zaak al vergeven achtten, kwamen er signalen dat de autoriteiten hard zouden optreden. Gewaarschuwd door Maria de Medici, vluchtte Bournonville van zijn huis in Bondues naar zijn hertogdom. Hij weigerde in dienst van Frankrijk te treden en reisde door naar Zwitserland, bij markies Albert Eugène van Lullin. Daar bereikte hem het bericht dat de Grote Raad van Mechelen hem op 16 april 1636 ter dood had veroordeeld en zijn goederen onder sekwester had geplaatst. Zijn oudste zoon Alexander, die goede diensten verleende aan het hof in Brussel, bekwam in 1649 de handlichting en in 1652 de verzekering dat zijn vader uit ballingschap kon terugkeren. Niettemin stond de hertog in 1651 al zijn gronden af aan de jongere zoon Ambroise-François (1619-1693). Een en ander resulteerde in een aanslepende familievete, waarbij Alexander II de geldigheid van de schenking aanvocht. Ondertussen mocht Ambroise zich pair de France noemen, want koning Lodewijk XIV maakte in 1652 het hertogdom Bournonville tot een duché-pairie.
Vader Bournonville stierf enkele jaren later te Lyon. Zijn vrouw repatrieerde het lichaam en liet het begraven in de Antwerpse karmelietessenkerk waar ze zich had teruggetrokken.
Overleden
22 maart 1656 Lyon op 70-jarige leeftijd, begraven
karmelietessenkerk, Antwerpen.
Antony Graaf van Hoogstraten en Renneburg, Baron van de Montigny, geboren
1586.
Overleden
26 september 1614.
Gehuwd
voor 1614 met
Maria Margaretha Gravin de BERLAYMONT Barones van Hierges en lens, Vrouwe van Floyon.
Overleden
17 maart 1654 Brussel, dochter van
Floris van BERLAYMONT en
Maria Margaretha gravin van LALAING barones van Escornaix.
Frederik van EGMONT (Schele Gijs) 1e graaf van Buren en Leerdam, geboren
circa 1440.
Dek
Kreeg in 1472 van zijn oom, hertog Arnold, de heerlijkheid Buren, erfde in 1483 van zijn vader de heerlijkheden IJsselstein en Leerdam; hij was een krachtige steun van keizer Maxi,iliaan, die him in 1492 verhief tot graaf van Buren en Leerdam. Hij speelde een grote rol in de Gelderse, Utrechtse en Friese oorlogen, had de bijnaam Schele Gijs.
Overleden
1521, begraven
IJsselstein, zoon van
Willem IV van EGMONT 24e Heer van Egmont *1) van 1451 tot 1483 (zie
XXb) en
Walburga van MEURS Vrouwe van Baer, Lathum en Swaerverden.
Gehuwd (1)
1464 met
Aleida van CULENBORG vrouwe van Sint-Maarrensdijk.
Overleden
20 juli 1471, begraven
in de kerk van IJsselstein, dochter van
Gerrit II van CULENBORG heer van Culemborg en
Elisabeth van BUREN.
Gehuwd (2)
na 1471 met
Walburga van MANDERSCHEID.
Gehuwd (3).
(bij Katharina van Kessel) Katharina bastaarddochter van EGMOND.
Zij kreeg van haar vader op 5 mei 1497 een som geld, bij haar huwelijk met Lodewijk.
Gehuwd.
Zij verkochten 1 december 1515 land in het kerspel Elst, haar toebedeeld van haar moeder met
Lodewijk van PRAET van MOERKERKEN heer van Kernesse,
kastelein te Schoonhoven, ridder,.
Floris van EGMOND ("Fleurken dunbier") graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendonk en Jaarsveld,
krijgsoverste onder Philips de Schone, vergezelde deze in 1501 naar Spanje, geboren
1469.
Werd in 1505 ridder in de Orde van het Gulden Vlies, vocht tegen hertog Karel van Gelre, 1515-1518 stadhouder van Friesland, in 1518 stadhouder van Holland, Zeeland en Westfriesland, volgde in 1521 zijn vader op als graaf van Buren en Leerdam, bovendien heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendonk en Jaarsveld, in 1522 generaal van het keizerlijk leger in de strijd tegen Frankrijk, na 1531 raadsheer van Maria van Hongarije.
Overleden
25 oktober 1539, zoon van
Frederik van EGMONT (Schele Gijs) 1e graaf van Buren en Leerdam (zie
XXId) en
Aleida van CULENBORG vrouwe van Sint-Maarrensdijk.
Gehuwd
12 oktober 1500 huw. voorw. Echtgenote is
Margaretha van BERGEN (uit het huis Glymes), geboren
na 1481.
Overleden
na 1551, dochter van
Cornelis van BERGEN heer van Grevenbroek en
Maria van STRIJEN vrouwe van Zevenbergen.
Walburga.
Overleden
12 april 1547.
Gehuwd
26 augustus 1523 huw. voorw. Echtgenoot is
Robert II van der MARCK (de Jonge) heer van Mirwart, Neuchâteay, Lomprez, Villance en Aigremont, geboren,
circa 30 mei 1506.
Overleden
30 april 1536, zoon van
Robert I van der MARCK graaf van Arenberg en
Machteld van MONTFOORT.
Anna.
Gehuwd (1)
26 augustus 1523 huw. voorw.
De 2 zonen van Joseph en Anna zijn zeer bekend geworden n.l. door hun tragische uiteinde in de 80-jarige oorlog.
Philips, de oudste zoon, kreeg van zijn stiefvader bezit en titel van het graafschap Hoorne, werd 1556 Vliesridder, later stadhouder van Gelre en Zutphen en admiraal, lid van de Raad van State en medestander van Willem de Zwijger. Samen met Lamoraal van Egmont werd hij 5 juni 1568 te Brussel onthoofd.
Floris, de tweede zoon, baron de Montmorency, werd eveneens Vliesridder en stadhouder van Doornik. Hij werd in 1566, samen met de markies van Bergen, naar Spanje gezonden om op verzachting der plakkaten aan te dringen. Zijn reisgenoot bezweek al spoedig aan een uitputtende ziekte. Floris de Montmorency werd 15 oktober 1570 te Simancas, op bevel van Philips II in de gevangenis gewurgd. Zijn goederen waren verbeurd verklaard met
Joseph de MONTMORENCY heer van Nivelle, Hubermont enz..
Overleden
1530, begraven
Weert, zoon van
Philips de MONTMORENCY en
Maria van HOORNE vrouwe van Montigny.
Gehuwd (2)
6 december 1530 met
Jan graaf van HOORNE heer van Altena, Weert enz., geboren,
tussen 1470 en 1475.
Erfelijk opperjagermeester van het Heilige Roomse Rijk.
Overleden
1540, zoon van
Jacob van HOORNE en
Philippa van WÜRTTEMBERG.
Maximiliaan van EGMOND graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendon en Jaarveld,
generaal van Karel V.
Ridder in de Orde van het Gulden Vlies 1531, volgde in 1539 zijn vader op als graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendon en Jaarveld.
Hij werd in 1540 stadhouder van Friesland en kreeg voor zijn militaire prestaties in 1546 van de keizer het graafschap Tecklenburg.
Overleden
24 december 1548 Brussel,
overleed aan een gezwel in zijn hals, gekleed in volle wapenuitrusting en omringd door zijn vrienden en bedienden, in de hofzaal van zijn paleis, zoon van
Floris van EGMOND ("Fleurken dunbier") graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendonk en Jaarsveld (zie
XXIIg) en
Margaretha van BERGEN (uit het huis Glymes).
Gehuwd (1)
1531 met
Françoise de LANNOY vrouwe van Santes, Lannoy, Rollaincourt, Boulers en Tronchiennes.
Overleden
1562, dochter van
Hugo de LANNOY en
Maria van BOUCHOUT vrouwe van Odijk enz.
Gehuwd (2).
Anna van EGMOND gravin van Buren en Leerdam, vrouwe van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendonk en Jaarsveld, geboren
maart 1533 Grave.
Overleden
24 maart 1558 Breda, dochter van
Maximiliaan van EGMOND graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendon en Jaarveld (zie
XXIIIi) en
Françoise de LANNOY vrouwe van Santes, Lannoy, Rollaincourt, Boulers en Tronchiennes.
Gehuwd
8 juli 1551 Buren met
Willem I van ORANJE (Willem de Zwijger), 18 jaar oud, geboren
24 april 1533 Dillenburg.
Overleden
10 juli 1584 Delft op 51-jarige leeftijd.
Philips Willem, geboren
19 december 1554 Buren.
Graaf van Nassau, Prins van Oranje, Graaf van Buren en Diest.
Overleden
20 februari 1618 Brussel op 63-jarige leeftijd.
Gehuwd op 51-jarige leeftijd
23 november 1606 Fontainebleau met
Eleonore de BOURBON‑CONDÉ, 19 jaar oud, geboren
30 april 1587.
Overleden
20 januari 1619 op 31-jarige leeftijd, dochter van
Henri (Henri I) de BOURBON‑CONDÉ en
Charlotte Catherine de La TRÉMOILLE.
Maria van NASSAU, geboren
7 februari 1556 Breda.
Overleden
10 oktober 1616 Buren op 60-jarige leeftijd.
Gehuwd op 39-jarige leeftijd
7 februari 1595 Buren met
Philipp van HOHENLOHE‑NEUENSTEIN, 44 jaar oud, geboren
17 februari 1550.
Overleden
6 maart 1606 IJsselstein op 56-jarige leeftijd, zoon van
Ludwig Kasimir van HOHENLOHE en
Anna van SOLMS‑LICH.
Justinus (bastaard) van NASSAU, geboren
circa 1559.
Hij was een buitenechtelijke zoon van Willem van Oranje. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was hij officier en vervulde hij diplomatieke opdrachten. Van 1601 tot 1625 was hij gouverneur van Breda.
Afkomst
Voor zover bekend was Justinus het enige buitenechtelijke kind van Willem van Oranje. Zijn moeder was Willems vriendin Eva Elincx, mogelijk dochter van Zebrecht Elincx, waard in Het Kleine Hert te Breda en in 1555 gezworene van de rederijkerskamer van den Vroechdendael, wiens tante Yde Peters Elinck reeds drie dochters had uit een relatie met Johan van Nassau (1450-1512, een natuurlijke zoon van Jan IV van Nassau), die alle drie non waren geworden. Willem heeft Justinus officieel erkend en opgevoed.
Loopbaan
Justinus vatte in 1576 studies aan te Leiden en werd op 17 mei 1583 luitenant-kolonel in staatse dienst. Op 28 februari 1585 werd hij luitenant-admiraal van Zeeland. Hij vocht tegen de Spaanse Armada en veroverde twee galjoenen. In 1595-1596 was hij militair actief in Frankrijk.[2] Van 1601 tot 1625 was hij gouverneur van Breda, waar hij namens zijn halfbroers Filips Willem, Maurits en Frederik Hendrik de heerlijke rechten over de heerlijkheid en de baronie van Breda uitoefende. In 1625 gaf Breda zich over aan Spinola na twee jaar van beleg, waarna Justinus naar Leiden vertrok. Daar stierf hij in 1631.[Wikipedia].
Overleden
26 juni 1631 Leiden, begraven
Leiden, in de Hooglandse Kerk, zoon van
Willem I van ORANJE (Willem de Zwijger) en
Anna van EGMOND gravin van Buren en Leerdam, vrouwe van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendonk en Jaarsveld (zie
XXIVh).
Gehuwd
4 december 1597 met
Anna van MÉRODE‑PIETERSHEIM, 32 jaar oud, geboren
9 januari 1565 Lanaken.
Overleden
8 oktober 1634 Leiden op 69-jarige leeftijd, begraven
Leiden, in de Hooglandse Kerk, dochter van
Johan IX van MÉRODE‑PIETERSHEIM graaf van Olen, heer van Westerlo, Pietersheim, Diepenbeke, Perwijs, Duffel, en Herlaar, Leefdael, IJsselmonde en Ridderkerk en
Margaretha van PALLANT.
Louise Henriëtte, geboren
circa 1604.
Overleden
circa 1644.
Willem Maurits van NASSAU jonker van Nassau, heer van Grimhuizen,
ritmeester in staatse dienst, geboren
1 juni 1603 Breda.
Overleden
22 november 1638 Leiden op 35-jarige leeftijd, zoon van
Justinus (bastaard) van NASSAU (zie
XXVe) en
Anna van MÉRODE‑PIETERSHEIM.
Gehuwd op 28-jarige leeftijd
13 december 1631 's-Gravenhage met
Maria van AERSSEN van SOMMELSDIJK, geboren
circa 1611.
Overleden
9 oktober 1641, dochter van
François van AERSSEN heer van Sommelsdijk en
Petronella van BORRE.
Justinus II Jonker van Nassau heer van Grimhuizen, geboren
23 januari 1633 's-Gravenhage.
Overleden
2 oktober 1658 op 25-jarige leeftijd,
hij stierf ongehuwd en kinderloos.
Justina van NASSAU, geboren
4 maart 1635 's-Gravenhage.
Overleden
1721, dochter van
Willem Maurits van NASSAU jonker van Nassau, heer van Grimhuizen (zie
XXVId) en
Maria van AERSSEN van SOMMELSDIJK.
Gehuwd op 17-jarige leeftijd
10 november 1652 's-Gravenhage met
George van CATS o.a. ambachtsheer van Heiloo, heer van Oesdom en Ter Coulster 1656-1676 en 9e heer van Schagen 1658-1676, geboren
1632.
Hij bewoonde het kasteel Ter Coulster te Heiloo.
Al ten tijde van Willem de Bastaard de eerste heer van Schagen waren er vaak moeilijkheden over de betalingen van renten uit de visserijen. In 1658 moest de heerlijkheid ten gunste van de crediteuren van Willem III van Beieren-Schagen worden verkocht. Mr. Pieter de Salengre verkocht de heerlijkheid met alle toebehoren voor 263.000 gulden aan George van Cats. Toen bleek dat ook George van Cats de heerlijkheid niet kon behouden kocht Floris in 1676 de heerlijkheid voor 170.000 gulden.
Overleden
na 1676, zoon van
Theophilus van CATS heer van Cats, Ter Coulster, Heiloo, Ruyven, Maelstede en Oesdom en
Deliana van BREDERODE barones van Wesenburg.
Willem Maurits heer van Heiloo en Oesdom, van Coulster, vrijheer van Hoogwoud, Eertswoud en Veenhuizen,
ritmeester in Staatse dienst, hoogheemraad van Schieland, extraordinaris ambassadeur aan Spanje in 1719, geboren
1670.
Van Cats en zijn echtgenote Catharina bewoonden het kasteel Ter Coulster te Heiloo, de geboorteplaats van Van Cats, maar hij verbleef veel voor zijn werkzaamheden als ambassadeur van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in Spanje, in Den Haag en het buitenland. Na zijn werkzame leven ging hij er weer wonen tot zijn overlijden. Het kasteel had destijds vijfentwintig kamers, zo blijkt uit de boedellijst die na zijn dood werd opgemaakt en bewaard gebleven is. [Wikipedia].
Overleden
1 december 1743 Heiloo, Kasteel Ter Coulster.
Gehuwd
5 maart 1719 Scheveningen.
Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren. Echtgenote is
Catharina van der NOOT vrouwe van Hoogwoude en Aertswoude, 19 jaar oud, geboren
30 mei 1699 's-Gravenhage.
Overleden
29 september 1727 's-Gravenhage op 28-jarige leeftijd, dochter van
Lamoraal baron van der NOOT en
Maria Cornelia barones van den BOETZELAER.
Anna Justina van NASSAU, geboren
5 juli 1638.
Overleden
3 juni 1721 's-Gravenhage op 82-jarige leeftijd, dochter van
Willem Maurits van NASSAU jonker van Nassau, heer van Grimhuizen (zie
XXVId) en
Maria van AERSSEN van SOMMELSDIJK.
Gehuwd op 20-jarige leeftijd
2 maart 1659 met

Willem Adriaan II van HORNE
Willem Adriaan II graaf van HORNE,
Nederlands meester-generaal der artillerie, geboren
1633 Kessel.
Na het overlijden in 1669 van de meester-generaal Wigbolt van der Does wensten de Staten van Holland Van Horne en de andere staten Frederik van Nassau-Zuylestein benoemd te zien. Pas bij commissiebesluit van 12 april 1672 benoemden de Staten-Generaal Van Horne tot meester-generaal der artillerie. Hij had vervolgens een belangrijk aandeel in de krijgsverrichtingen ter land en ter zee in de tweede helft van de zeventiende eeuw en ontwierp nog in 1672 een nieuwe samenstelling van het personeel te velde, die werd aangenomen (resolutie Raad van State van 2 mei 1672). Ten tijde van zijn benoeming had hij de rang van sergeant-majoor in het leger, was hij kolonel van een regiment infanterie, gouverneur van Heusden en in 1688 werd hij benoemd tot gouverneur van Vlaanderen. Van Horne volgde zijn vader op als graaf van Horne, baron van Kessel en heer van Batenburg.
De Koninklijke Militaire School (KMS), in Nederland de bakermat voor onderofficieren, was gevestigd op de naar hem in (1938 - 2014) vernoemde Van Hornekazerne in Weert.
Overleden
4 maart 1694, zoon van
Johan Belgicus graaf van HORNE baron van Kessel en Batenburg en
Johanna van BRONCKHORST‑BATENBURG‑STEYN vrouwe van Batenburg van 1659 tot 1676.
Isabella Justine van HORNE gravin van Horne-Batenburg, geboren
1661.
Zij volgde haar vader op als vrouwe van Batenburg.
Overleden
3 juli 1734, dochter van
Willem Adriaan II graaf van HORNE,
Nederlands meester-generaal der artillerie, en
Anna Justina van NASSAU (zie
XXVIIc).
Gehuwd
16 april 1701 met

Ernst van BENTHEIM-STEINFURT
Ernst graaf van BENTHEIM‑STEINFURT, 39 jaar oud, geboren
18 november 1661.
Ten gevolge van het huwelijk kwam de heerlijkheid Batenburg in het bezit van de familie Bentheim-Steinfurt. Het hartschild werd daarop uitgebreid met het wapen van Batenburg.
Overleden
10 maart 1713 op 51-jarige leeftijd, zoon van
Ernst Willem graaf zu BENTHEIM‑STEINFURT en
Geertruy van ZELST.
Friedrich Belgicus Karl graaf van BENTHEIM und ‑STEINFURT, geboren
24 januari 1703.
Overleden
7 juni 1733 op 30-jarige leeftijd, zoon van
Ernst graaf van BENTHEIM‑STEINFURT en
Isabella Justine van HORNE gravin van Horne-Batenburg (zie
XXVIIIc).
Gehuwd met
Franziska Charlotte gravin zur LIPPE‑DETMOLD, geboren
11 november 1704 Detmold.
Overleden
12 juni 1738 Burgsteinfurt op 33-jarige leeftijd, dochter van
Frederik Adolf van LIPPE‑DETMOLD en
Amalia zu SOLMS‑HOHENSOLMS.
Paul Ernst Karl graaf von BENTHEIM‑STEINFURT‑BATENBURG, geboren
30 augustus 1729.
Overleden
30 juni 1780 op 50-jarige leeftijd, zoon van
Friedrich Belgicus Karl graaf van BENTHEIM und ‑STEINFURT (zie
XXIXb) en
Franziska Charlotte gravin zur LIPPE‑DETMOLD.
Gehuwd
1748 met
Charlotte Sophia Louise prinses van NASSAU‑SIEGEN, geboren
6 juni 1729 Siegen.
Overleden
2 april 1759 Burgsteinfurt op 29-jarige leeftijd, dochter van
Vorst Frederik Willem II van NASSAU‑SIEGEN en
Sophie Polyxena Concordia zu SAYN‑WITTGENSTEIN‑HOHENSTEIN.
Eleonore Auguste Amalie Sophie gravin von BENTHEIM‑STEINFURT, geboren
26 april 1754 Burgsteinfurt.
Overleden
18 februari 1827 op 72-jarige leeftijd.
Ludwig Wilhelm Geldricus Ernst von BENTHEIM‑STEINFURT vorst van Bentheim en Steinfurt, geboren
1 oktober 1756 Burgsteinfurt.
In 1803 erft de graaf de rechten op het verpande graafschap Bentheim. Aan de zelfstandigheid komt een einde in 1806 als het graafschap wordt gemediatiseerd door het groothertogdom Berg. Na het Congres van Wenen in 1815 blijft deze status bestaan binnen het koninkrijk Pruisen. Als in 1819 de verpanding van het graafschap Bentheim wordt beëindigd, krijgt zijn zoon deze status ook in het koninkrijk Hannover. Op 21 januari 1817 verkreeg hij de Pruisische titel: vorst van Bentheim en Steinfurt. Verder voerde hij de titels graaf van Tecklenburg en Limburg, heer van Rheda, Wewelinghoven, Hoya, Alpen en Helpenstein.
Na zijn overlijden werd hij opgevolgd door zijn zoon Alexius van Bentheim en Steinfurt.
Overleden
20 augustus 1817 Burgsteinfurt op 60-jarige leeftijd, zoon van
Paul Ernst Karl graaf von BENTHEIM‑STEINFURT‑BATENBURG (zie
XXXb) en
Charlotte Sophia Louise prinses van NASSAU‑SIEGEN.
Gehuwd op 19-jarige leeftijd
17 juli 1776 met
Juliane Wilhelmine von SCHLESWIG‑HOLSTEIN‑SONDERBURG‑GLÜCKSBURG, 22 jaar oud, geboren
30 april 1754.
Overleden
14 september 1823 op 69-jarige leeftijd, dochter van
Friedrich von HOLSTEIN GLUCKSBURG en
Henriette Augusta von LIPPE‑DETMOLD.
Henriette, geboren
10 juni 1777.
Overleden
8 december 1851 op 74-jarige leeftijd.
Gehuwd op 25-jarige leeftijd
6 september 1802 met
Karl Ludwig August von SOLMS‑HOHENSOLMS‑LICH, geboren
1762.
Overleden
1807, zoon van
Karl Christian von SOLMS‑HOHENSOLMS graaf van Solms-Lich van 1744 tot 1803 en
Sophia Charlotte von DOHNA SCHLOBITTEN.
Philips van NASSAU heer van Grimhuijsen, geboren
circa 1605.
Overleden
1676, zoon van
Justinus (bastaard) van NASSAU (zie
XXVe) en
Anna van MÉRODE‑PIETERSHEIM.
Gehuwd.
Anna Margaretha.
Overleden
12 maart 1676.
Alexander bastaard van IJSSELSTEIN heer van Gameren.
Behoorde in 1566 tot het Compromis der Edelen. lid van de Ridderschap bam Nijmegen.
Overleden
1597, zoon van
Maximiliaan van EGMOND graaf van Buren en Leerdam, heer van IJsselstein, Sint-Maartensdijk, Kortgene, Kranendon en Jaarveld (zie
XXIIIi).
Gehuwd met
Agnes van HAEFTEN.
Dochter van
Kohan van HAEFTEN heer van Gameren en
Lucretia bastaarddochter van BREDERODE.
Maximiliaan van IJSSELSTEIN heer van Gameren.
Lid van de Ridderschap van Nijmegen.
Overleden,
voor of in het jaar 1600, zoon van
Alexander bastaard van IJSSELSTEIN heer van Gameren (zie
XXIVi) en
Agnes van HAEFTEN.
Gehuwd
1600 met
Anna van den BERCH van NIJMEGEN.
Zij verkocht Gameren in 1618.
Overleden
na 1629.
Willem heer van Gameren.
Verscheen in 1616 en 1617 onder de ridderschap van Nijmegen.
Gehuwd met
Judith van BEIJNHEM HENDRIKSDOCHTER.
Christoffel bastaard van IJSSELSTEIN.
Vermeld in de inventaris van de Nassause domeinarchieven als baljuw te Sint-Maartensdijk en te Scherpenisse 15 maart 1400 en 31 december 1505.
Zoon van
Frederik van EGMONT (Schele Gijs) 1e graaf van Buren en Leerdam (zie
XXId).
Willem van IJSSELSTEIN.
Vermeld in de inventaris van de Nassause domeinarchieven als drost van Genemuiden 13 september 1538, 22 maart 1541, 12 december 1542 en 8 januari 1543. Hij komt daarbij voor als jonker van IJsselstein en als neef van Maximiliaan van Egmonmd, graaf van Buren.
Zoon van
Christoffel bastaard van IJSSELSTEIN (zie
XXIIh) en
Vermoedelijk Jacomijn van WIJNGAARDE JOOSTDOCHTER.
Gehuwd met
Vermoedelijk Jacomijn van WIJNGAARDE JOOSTDOCHTER.
Jan.
Gehuwd met
Anna van GALEN.
Christoffel van IJSSELSTEIN,
kolonel der infanterie in Staatse dienst, gouverneur van Geertruidenberg 1573-1575, luitenant-generaal van Jan van Nassau in Gelderland 1579.
Behoorde in 1566 tot het Compromis der Edelen. Door de vijand gevangengenomen bij Goor in 1581, vrijgekocht door de Staten in 1582, gouverneur van Heusden 1588, vertrok hetzelfde jaar wegens onlusten over de betaling, trad in dienst van Hendrik IV van Frankrijk.
Overleden
1593 Frankrijk, zoon van
Willem van IJSSELSTEIN (zie
XXIIIj) en
Vermoedelijk Jacomijn van WIJNGAARDE JOOSTDOCHTER.
Gehuwd met
Magdalena van ALENDORP.
Dochter van
Vincent van ALENDORP,
drost van Bedbur.
Philips Ernst,
vermeld als rutmeester in Statendienst 1624 en 1625.
Vincent,
werd in 1621 benoemd tot ritmeester in Statendienst, in 1632 benoemd tot commandeur van Orsoy, in 1635 bevorderd tot kolonel (der cavalerie).
Nam in 1630 graaf Jan de Jongste van Nassau-Siegen gevangen, veroverde in 1632 Kerpen en Lommerson. Fungeerde nog als kolonel in de zomer van 1655, maar overleed kort daarna, aangezien 5 januari 1656 te Orsoy een nieuwe commandeur werd benoemd.
Overleden
1655/1656.
Willem bastaard van EGMOND.
Woonde vermoedelijk te Collen.
Zoon van
Frederik van EGMONT (Schele Gijs) 1e graaf van Buren en Leerdam (zie
XXId).
Gehuwd,
wellicht Dirkje de Rover met
Dirkje de ROVER.
Willem van IJSSELSTEIN.
Hij kreeg in 1551 een lijfrente.
Willem van EGMONT Heer van Haps,
vermeld als kamerheer van Maximiliaan van Oostenrijk in 1477.
Vlg. J. Kok was Willem, Heer van Haps in 1472 gehuwd met Margaretha van Rijswijk, erfdochter van Boxmeer (afkomstig uit een jongere tak van de Heren van Kuilenburg). Uit dit huwelijk o.a. Anna van Boxmeer die huwde 1e Willem van Polanen, Graaf van 's-Heerenberg ┼ 1513 en 2e ** Graaf van Werdenberg.
Dek
Zat 1478-1481 met zijn broers op het Valkhof gevangen.
Overleden
1494, zoon van
Willem IV van EGMONT 24e Heer van Egmont *1) van 1451 tot 1483 (zie
XXb) en
Walburga van MEURS Vrouwe van Baer, Lathum en Swaerverden.
Gehuwd (1)
na 1474 met
Margaretha van CULEMBORCH‑MEER Vrouwe van Boxmeer, Sambeek, Spalbeek, Stevensweert, Ochten en Vrijnenstein.
Overleden
17 december 1505.
Gehuwd (2).
Maria van EGMOND, geboren
voor 1488.
Zwakzinnig.
Anna van EGMOND, geboren
circa 1488.
Erfde van haar moeder de heerlijkheden Boxmeer, Sambeek, Spalbeek, Stevensweert, Ochten en Vrijnenstein.
Overleden
4 september 1517 Montreal bij Koblenz.
Gehuwd (1)
23 december 1503 huw. voorw. slot Boxmeer in januari 1506 met
Willem III graaf van den BERGH heer van den Bylandt, Pannerden, Milingen, Ulft, Gendringen, Etten, Didam en Westervoort, 35 jaar oud, geboren
24 juli 1468 's-Heerenberg.
Overleden
3 mei 1511 Zaltbommel op 42-jarige leeftijd, begraven
Hedel, zoon van
Oswald I 1e graaf van den BERGH en
Elisabeth van MEURS.
Gehuwd (2)
23 juli 1512 met
Philips III graaf van VIRNENBURG en NIEUWENAAR heer van Staffenburg.
Overleden
1534, zoon van
Philips II graaf van VIRNENBURG en
Walburga van SOLMS.
Willemina bastaarddochter van EGMOND.
Kreeg een rente van 40 rijnse guldens per jaar, vermeld in haar vaders testament van 18 juni 1483.
Herman bastaard van EGMOND,
pastoor te Boksmeer.
Vermeld op 8 mei 1498, 11 december 1518 en 25 mei 1519. In 1520 werd er een opvolger te Boksmeer benoemd.
(bij Aleid Kreijnck) Hendrik (bastaard) van EGMONT,
bastaard bij Aleid Kreijnck.
Dek
Vermeld op 6 april 1476 als borg voor zijn vader in een verkoopacte, getuigde 24 augustus 1484 in een kwestie in het kerspel van Lochem, trad 30 juni 1497 op met het gemeentebestuur van Zutphen, hij vernieuwde in 1501 namens zijn vrouw de leeneed voor tienden te Baak.
Overleden
voor 1511, zoon van
Willem IV van EGMONT 24e Heer van Egmont *1) van 1451 tot 1483 (zie
XXb).
Gehuwd met
Agnes KREIJNCK van BAECK.
Zie uitvoerig Middeleeuwse Kastelen Gelre blz. 62.
Dochter van
Hendrik KREIJNCK en
Agnes van BAECK.
Henrica van EGMOND van BAECK.
Overleden
5 december 1544, begraven
Zutphen.
Gehuwd met
Johan GOLSTEIN.
Overleden
6 mei 1547.
Margriet van EGMOND van BAECK.
Overleden
20 augustus 1556, begraven
Vorden.
Gehuwd
1504 met

Berend van HACKFORT
Berend van HACKFORT heer van Hackfort,
rentmeester en drost van het graafschap Zutphen, drost van Diepenheim 1524, ambtman van het oldambt 1530, drost van Schuilenburg 1534, beroemd krijgsoverste, diende hertog Karel van Gelre, geboren
circa 1475.
Na de dood van zijn vader Jacob IV van Hackfort erfde Berend de landgoederen Hackfort en Herxen, terwijl Vorden naar zijn broer Hendrik ging. Na de dood van Hendrik in 1513 kreeg Berend alsnog Vorden in handen.
In 1502 of 1503 trad hij in dienst van hertog Karel van Gelre. Hij werd bevelhebber van Enschede en generaal stadhouder (plaatsvervanger van de hertog). Ook vervulde hij verschillende ambten in Gelre, waaronder schout van Zutphen, rentmeester van Bredevoort en drost van Diepenheim. Na Gelres nederlaag tegen Karel V in 1504 werd hij gevangengenomen, maar ook na zijn vrijlating bleef hij actief in Gelre. Op hoge leeftijd werd hij in 1536 landdrost van Bergh. Ook was hij medevoogd van de minderjarige graaf Willem IV van den Bergh. In 1543 was hij medeondertekenaar van het Traktaat van Venlo.
In 1504 trouwde hij met Margareta van Egmond, een onwettige dochter uit het geslacht Egmond, waarbij hij het landgoed Baak als huwelijksgift kreeg. Ze kregen twee dochters, Jacoba en Agnes, maar geen zonen, zodat zijn bezittingen (waaronder Kasteel Hackfort) na zijn dood naar zijn dochter Jacoba gingen en, via diens schoonzoon Philips van Leefdael, in handen kwamen van het geslacht Van Raesfeld.
Na zijn dood op 80-jarige leeftijd werd Berend van Hackfort begraven in de Dorpskerk van Vorden, waar zijn grafsteen nog steeds te zien is. In het Stedelijk Museum Zutphen hangt een 17e-eeuws portret van Van Hackfort, dat is gebaseerd op de afbeelding op zijn grafsteen.
Overleden
22 maart 1557, begraven
Vorden,
in de kerk.
Pieter (bastaard) van EGMONT.
Dek
Vermeld 1436, rigter van de Veluwe 1463, deed 10 juli 1470 hiervan afstand.
Zoon van
Johan / Jan II van EGMONT (met de Bellen) 23e Heer van Egmont van 1409 tot 1451 (zie
XIXa).
Gehuwd (1) met
Baerte van ZUTPHEN.
Gehuwd (2).
Gijsbrecht bastaard Pietersz van EGMON1 (bij Hendrika Wijnaltsdochter),
onderschout.
Woonde in Holland, werd 30 augustus 1518 gewettigd. Zijn ouders waren later gehuwd.
Willem van EGMONT Heer van IJsselstein, geboren
circa 1387.
Dek
Was een trouw volgeling van de elect Jan van Beieren, werd 1421 tresorier van Holland, kreeg in 1436 IJsselstein van zijn broer, lid van de Raad van Holland. Hij had geen wettige kinderen, wel veel bastaarden.
Januari 1451. Begraven
IJsselstein, in de kerk, zoon van
Aarnoud I / Arend I van EGMONT 22e Heer van Egmont van 1369 tot 1409 (zie
XVIIIa) en
Jolanda (Jolenta) gravin van LEININGEN.
Gehuwd (1)
1 maart 1442 huw. voorw. Zij hadden geen wettige kinderen en waren wel veel bastaarden. Echtgenote is
Anna de HENNIN (Bossu).
Overleden
1461.
Zie ook Ridderschap, A. Janse blz. 223.
Volgens Dek februari 1478. Begraven
's-Gravenhage, dochter van
Wouter de HENNIN heer van Bossu en
Sibylia van ST. WIJNOCBERGEN.
Gehuwd (2).
Bely bastaarddochter van IJSSELSTEIN.
Gehuwd met
Baarthout van RIETWIJK.
Arend bastaard van IJSSELSTEIN,
kastelein van Woerden, ridder.
Overleden
1530,
zeer oud, zoon van
Willem van EGMONT Heer van IJsselstein (zie
XIXb).
Gehuwd met
Barbara van BORSELEN.
Dochter van
Floris van BORSELEN heer van Cortgene en
Barbara van WASSENAAR (?).
Jacob,
ridder en kolonel in de oorlog.
Overleden,
kinderloos.
Willem,
kapitein.
Overleden,
kinderloos.
Cornelis.
Overleden
voor 1528,
kinderloos.
Gehuwd met
Margriet van WIJNGAARDEN.
Vermeld als weduwe 1528-1530 te Leiden.
Christoffel.
Overleden,
kinderloos.
Hillegond,
huwde een Frans Edelman.
Maria.
Overleden
1 juli 1568 Utrecht,
oud 89 (?).
Gehuwd met
Gelmer van GROENEVELT.
Overleden
1533 Italië.
Anthoinette.
Gehuwd met
Jean de PEURSON,
een Frans edelman.
Catharina (getocht door haar man 25 april 1509).
Gehuwd met
Dirk van SWIETEN ridder, heer van Leijenburg en Loenersloot, geboren
circa 1458.
Hij huwde eerder met een dochter van Frederik van Renesse, heer van Rijnouwen en van Elisabeth van Cruijningen.
Overleden,
1517 of 1518, zoon van
Arend van SWIETEN en
Otte van NIJENRODE.
Joleijte,
abdis van Outwijck bij Utrecht.
Overleden
1544.
Margriet,
staatsiedame van de gravin van Egmond.
Lijsbeth.
Overleden
1549,
ongehuwd.
Jenna.
Gehuwd met
Jan van REIMERSWAAL (zou dit de Jan van Reimerswaal kunnen zijn, die 23 december 1515 te Inclenoort enz. ? Zie: Heren van Reimerswaal, uitg. 1957, blz. 19).
Dochter,
abdis ten Dale bij Utrecht.
Overleden
1558.
Willem (bastaard) van EGMONT.
Dek
Werd 15 april 1413 door zijn halfbroer heer Jan beleend met tienden te Zeist en 20 morgen land te Zegveld.
Als zijn bastaarden worden genoemd: Arend ┼ 1504 en Willem.
Zoon van
Aarnoud I / Arend I van EGMONT 22e Heer van Egmont van 1369 tot 1409 (zie
XVIIIa).
Arend bastaard van EGMOND.
Overleden
mrt 1458,
doodgeslagen kort voor 12 maart 1458.
Willem van EGMONT Heer van Zevenhuizen en Zegwaard.
Dek
DE HEREN VAN ZEVENHUIZEN EN ZEGWAARD
Ridder, werd in 1370 door zijn oudste broer beleend met Zevenhuizen, bovendien werd hij in 1400, na overdracht van zijn zuster Beatrix, beleend met 120 pond 's jaars uit de tienden van Zegwaard. Hij kreeg op 3 september 1410 vergunning om turf te delven in zijn ambachten te Zevenhuizen en Zegwaard
Vlg. Hovaus Heer van Soetermeer.
Zoon van
Johan/ Jan I van EGMONT 21e Heer van Egmont van 1321 tot 1369 (zie
XVIIa) en
Guyote van AMSTEL‑IJSSELSTEIN Vrouwe van Ysselstein (erfdochter),
Guyote was in 1370 nog in leven.
Gehuwd met
Machteld van HEMERT.
Arend van EGMOND.
Werd, nog onmondig zijnde, in 1401 beleend met het huis Hamersteijn gelegen bij het huis ter Horst. Op 5 mei 1405, toen zijn vader werd beleend met huis en hofstede tot Palenstein in het ambacht Zegwaard, werd bepaald dat het leen later op hem zou overgaan. Circa 1409 bepaalde zijn vader dat het ambacht van Zegwaard, met tienden en toebehoren en 100£ 's jaars p[ hem zou vererven. De elect Jan van Beieren verpandde hem 21 februari 1424 de ambachtsheerlijkheid van Zoetermeer met de renten, visserijen, vogelrijen enz. voor 5 jaar. Dit was om een bedrag van 100 schilden, dat de hertog hem voor een hengst schuldig was. Philips van Bourgondië verleende hem 17 mei 1439 het recht van de turfmaat in Zegwaard. Hij was in 1440 hoogheemraad van Schieland.
Ottelina (Otte) van EGMOND.
Kocht in 1451 het slot te Beuningen van Johan van Apeldern en werd er 14 augustus 1451 door de Heer van Egmond mee beleend, zij werd die dag ook met Zegwaard beleend. In 1436 verklaarde de Heer van Egmond, dat zij de dochter van zijn oom was. In de bestaande geslachtslijsten plaatst men Ottelina 2 generaties te laag.
Overleden
20 november 1485.
Gehuwd met
Ridder Adriaan van SWIETEN heer van Opmeer, van de Lier en Zouteveenen,
schout van Leiden.
Overleden
31 augustus 1486, zoon van
Jan van SWIETEN heer van Opmeer en
Catharina van de ABEELE.
Jan van EGMOND heer van Zevenhuizen,
schout van Delft.
Overleden
1428 vermoord, zoon van
Willem van EGMONT Heer van Zevenhuizen en Zegwaard (zie
XVIIIb) en
Machteld van HEMERT.
Gehuwd met
Agnes van HEENVLIET.
Dochter van
Jan van HEENVLIET heer van Kattendijke, Stavenisse en Hindelopen en
Margaretha van den COULSTER.
Willem van EGMOND heer van Zevenhuizen, Zegwaard en Zoetermeer.
Fundeerde in 1448 een prebende op 2 morgen in Polsbroek en grond in Benscoop. Hij werd 16 september 1468 met Zegwaard, wat aan zijn tante Otte had behoord, beleend door de jonge Heer tot Egmond.
Zoon van
Jan van EGMOND heer van Zevenhuizen (zie
XIXd) en
Agnes van HEENVLIET.
Gehuwd met
Johanna van HEEMSKERK.
Dochter van
Wouter van HEEMSKERK en
Catharina van HEUKELOM.
Wouderina,
non te Rijnsburg, vermeld aldaar op 17 april 1498 en 11 september 1500.
Wouter van EGMOND heer van Benthuizen, Zevenhuizen, Zegwaard en Zoetermeer.
Werd 22 mei 1473 door Jan jonge Heer tot Egmond (de latere 1e graaf) beleend met de goederen die van zijn vader afkomstig waren.
Overleden
1491 Rotterdam, zoon van
Willem van EGMOND heer van Zevenhuizen, Zegwaard en Zoetermeer (zie
XXe) en
Johanna van HEEMSKERK.
Gehuwd
1484,
voor 6 augustus 1484 met
Josina van SCHAGEN.
Zij werd 13 november 1480 beleend met de heerlijkheden Schagen, Barsingerhorn, Haringhuizen, Colhorn en de Keinze. droeg haar lenen in 1542 over aan haar neef Jan van Schagen.
Overleden
25 juni 1543, dochter van
Albrecht van SCHAGEN heer van Schagen en
Adriana van NIJENRODE.
Johanna, geboren
1486.
Overleden
1493.
David heer van Benthuizen.
Overleden
1493,
als jongman.
Gerrit van EGMONT,
ridder, 1391-1396 hoogheemraad van Delfland, 1393 raadsheer van hertog Albrecht van Beieren, 1394 baljuw van 's-Gravenhage, 1397 baljuw van Medemblik, 1398 één van de 14 landsbewaarders van Friesland, 1400 baljuw van Kennemerland en West-Friesland, Kastelein van Stavoren.
Volgens Hovaeus was hij de stamvader van de Heren van Naaldwijk.
Dek
Werd in 1370 met zijn broer Albrecht, door zijn moeder beleend met erf en tienden te Hermalen enz. Op 5 juni 1386 kreeg hij het aandeel van Albrecht er ook bij. Op 24 augustus 1404 oorkondde hertog Albrecht: "dat hij om menigen trouwen dienst aan Heer Gherit van Egmonde ten vrij eigen gaf een stuck land, die Rodeweer, gelegen in het ambacht van de Wateringen: 21 morgen groot, die hij van de grafelijkheid van Holland als recht momber ende voecht van die vrouwe van der Wateringe, sine wittachtige wijve, tot een recht leen te houden plach". Heer Gerrit droeg deze 21 morgen dezelfde dag weer op aan zijn zoon Jan.
Zoon van
Johan/ Jan I van EGMONT 21e Heer van Egmont van 1321 tot 1369 (zie
XVIIa) en
Guyote van AMSTEL‑IJSSELSTEIN Vrouwe van Ysselstein (erfdochter),
Guyote was in 1370 nog in leven.
Gehuwd
circa 1380.
In of kort voor 1380 (toen tochtte zijn vrouw hem aan het huis te Wateringen) met
Wilhelmina van WATERINGEN Vrouwe van Wateringen.
Vlg. Br. 18307 Jenne, Dochter van Dirk van Raephorst en Machteld van Outshoorn.
Dek
Hertog Albrecht verzekerde haar op 11 augustus 1388 de visserij te Vlaardingen.
Dochter van
Aelbrecht van WATERINGEN.
Jan van EGMOND heer van Wateringen.
Werd 24 augustus 1404 door zijn vader met 21 morgen aldaar beleend, hij zegelde nog in augustus 1414.
Overleden
1415,
naar men opgeeft 1415, zoon van
Gerrit van EGMONT (zie
XVIIIc) en
Wilhelmina van WATERINGEN Vrouwe van Wateringen.
Gehuwd.
In de Grafelijkheidsrekeningen van Holland, door Henrick Nothaft uitgegeven tussen 1 november 1423 en mei 1424, folio 42, is er sprake van betaling van bontwerk, dat de bontwerker "gelevert hadde voir mijns Heeren bastaertdochter, doe sij Jan van Egmonde besliep", voor 10 Arnhemse guldens. Nu blijft de vraag of de bontwerker pas werd betaald: 8 jaar na de dood van Jan van Egmond? Echtgenote is
Bastaarddochter van BEIEREN.
Dochter van
Jan van BEIEREN,
elect van Luik.
Wilhelmina vrouwe van Wateringen.
Zij tochtte 17 oktober 1435 haar man aan de helft van huis en goed te Wateringen.
Overleden
1482 Antwerpen.
Gehuwd met
Willem van NAALDWIJK,
ridder, maarschalk, raadsheer en rentmeester-generaal van Holland.
Zoon van
Hendrik van NAALDWIJK en
Catharina van HEENVLIET.
Gerrit bastaard van EGMOND,
baljuw van Delfland 1423-1437.
Zegelde als knape in augustus 1414 (samen met zijn broer Jan). Hij werd 29 oktober 1421 kapitein te Oudewater en kocht 23 augustus 1425 land van de abt van Egmond. Op 29 juli 1435 oorkondde Willem van Egmond, heer van IJsselstein, dat compareerde "onse neve Gerit Heeren Gerritz. van Egmont, hij droeg op van eigen goed: de hoffstede en de husinghe ende berghe ende geboemte tot Althenae met toebehoren, d.w.z. 11 morgen zoals die vrou van Cruijningen voir en Goesswijn van de Poell nae beseten, gebruyct ende gehad hebben".
Verder o.a. land aan de Madesloot, bij het klooster Coninxvelt en bij het klooster van de Lede. In totaal 44 morgen.
Hij werd 17 februari 1436 door Philips de Goede beleend met een korentiende in het ambacht van Pijnacker, na overdracht van Dirk de Blote. Op 30 november 1436 werd hij bovendien beleend met de ambachtsheerlijkheid van Keten en ½ Spalant, nadat hij die gekocht had van Jan van Wassenaar, broer van Hendrik Wassenaar. De naam van zijn echtgenote was niet te vinden.
Zoon van
Gerrit van EGMONT (zie
XVIIIc).
Gerritje.
Zij werd 30 januari 1447 als erfgename van haar vader met de korentiende te Pijnacker beleend. Reeds 29 juli 1435 was bepaald, dat de 44 morgen, die haar vader toen verwierf, op haar zouden overgaan. Nog op 9 november 1493 was haar kleinzoon er de leenman van.
Gehuwd
1435,
voor 29 juli 1435 met
Hendrik van NIJEVELT.
Jan Bastaard.
Vermeld op 29 juli 1435, werd 30 januari 1447 beleend met het ambacht in Ketel en de gerechte helft van Spalant, maar droeg dit over een Willem van Nijeveld, een zoon van zijn zus.
Otte(lina) bastaard.
Vermeld 29 juli 1435.
Gerrit bastaard.
Vermeld 29 juli 1435.
Willem bastaard van EGMOND.
Vermeld 29 juli 1435, dijkgraaf van Schieland 1438.
Overleden
1447,
voor 4 augustus 1447, zoon van
Gerrit bastaard van EGMOND (zie
XIXf).
Gehuwd met
Volewijf van ZEVENBERGEN.
Zij werd 4 augustus 1447 genoemd als weduwe van Willem, bastaard van Egmond, i.v.m. venen te Zevenhuizen. Na de dood van haar broer Gerard van Zevenbergen werd zij 27 maart 1453 beleend met Batenbroek = Betrenbroek.
Overleden
1476,
kort voor 19 maart 1476, dochter van
Hendrik bastaard van ZEVENBERGEN heer van Batenbroek.
Margaretha.
Overleden
voor 1498.
Gehuwd
1469 met
Jan van REIMERSWAAL,
baljuw en dijkgraaf van Schieland 1471-1479.
Overleden
voor 1489, zoon van
Nicolaas Kervinc van REIMERSWAAL heer van Lodijke en Nieuw-Strijen en
Geertruida van GAVEREN.
Albrecht bastaard van EGMOND,
vermeld als schout van IJsselstein 23 april 1431 tot 8 mei 1435.
In 1435 stond hij met enkele anderen borg voor Willem van Egmond, heer van IJsselstein. Hij had 6 morgen land op het Oudelant "boven de Poirte" van IJsselstein, waaraan hij zijn vrouw had getocht.
Overleden
1439, zoon van
Gerrit van EGMONT (zie
XVIIIc).
Gehuwd
voor 1439 met
Petertje HAZERTS.
Overleden
circa 1496.
Alberta van EGMOND.
Dochter van
Albrecht bastaard van EGMOND (zie
XIXg) en
Petertje HAZERTS.
Gehuwd met
FOCK.
Aelbert.
Hij werd 15 maart 1497 door Heer Frederik van Egmond beleend met de goederen te IJsselstein die van zijn grootouders afkomstig waren.
Joannes van EGMONT.
Overleden
4 november 1365,
[Tabula], [Br. 18307 en Hovaeus]. Zoon van
Johan/ Jan I van EGMONT 21e Heer van Egmont van 1321 tot 1369 (zie
XVIIa) en
Guyote van AMSTEL‑IJSSELSTEIN Vrouwe van Ysselstein (erfdochter),
Guyote was in 1370 nog in leven.
Gehuwd (1) met
Wilhelmina van WATERINGEN.
Overleden
1387.
Deze datum is mogelijk onjuist. Johannes ┼ 1365 en huwde een tweede maal. Dochter van
Albert van WATERINGEN Heer van Wateringen.
Gehuwd (2) met
Henriëtte van RODENBURG Vrouwe van Weldam.
Wilhelmina.
Overleden
1482.
Gehuwd met
Willem van NAALDWIJK.
Overleden
1444, zoon van
Hendrik van NAALDWIJK en
Catharina van HEENVLIET.
Gerrit van EGMONT Heer van de Doortoghe, geboren
circa 1320,
vermoedelijk.
Dek
Werd door zijn oudste broer beleend te Doortoghe; baljuw van Rijnland en het land van Woerden in 1357. Hij was een van de voormannen van de Kabeljauwen en diende graaf Willem V trouw.
Gerrit uitvoerig vermeld in Hoekse en Kabeljauwse Twisten.[Dr. H.M. Brokken].
Overleden
circa 1397,
zeker voor 25 oktober 1398, zoon van
Wouter III van EGMONT 20e Heer van Egmont van 1312 tot 1321 (zie
XVIa) en
Jkvr. Beatrijs van de DOORTOGE.
Gehuwd (1),
tussen 1338 en 1357 met
Johanna van RAAPHORST.
Dochter van
Dirk van RAAPHORST en
Machteld van OUDTSHOORN.
Gehuwd (2).
Willem van EGMOND.
Beleend met een leen van Holland 25 oktober 1398, zegelde als knape 29 november 1411 een acte, warbij zijn broer land in Naaldwijk en Monster verkocht. Hij vermaakte reeds op 25 december 1408 aan de begijnen te 's-Gravenzande een stenentil en op 16 mei 1416 enig land aan dezelfde begijnen, in verband met de uiterste wil van zijn moeder.
(van Heer Gerrit?) Jacob bastaard van EGMOND.
Werd 6 december 1399 door Albrecht van Beieren beleend met de helft van een huis en hofstede te Haarlem. OP 19 mei 1403 handhaafde Albrecht hem als schout van Purmerend, na een geschil daarover. In 1428 werden hij en Heer Dirk van Egmond door Jan met de bellen als zijn neven aangeduid.
Dirk van EGMOND heer van Doortoghe.
Ridder voor 1401, werd in 1408 door zijn neef Arend van Egmond met de hofstede te Doortoghe beleend. Op 18 november 1429 confirmeerde Jacoba van Beieren dat hij tot een recht leen hield: 16 morgen land in Hageambacht, 10 morgen land in Rijswijckerambacht, 18 morgen land in het ambacht van Alphen en een tiende in Naaldwijck.
"Op ten Heijligen Kerstavond Anno XXX (= 1430) overmits dat gebod, datter gedaen wort van mijne Genadige vrouwe wegen, dat een yegelick die leen van haer helt en an haer niet versocht hadde, soude comen ende doen haer hulde ende manscip van siin leengoederen als hij sculdich waer, soe is daer gecomen Heer Dirc van Egmonde ende heeft an derselve miin genadighe vrouwe van Hollant versocht ende zij heeft hem verlijet, behoudelick enen yegelicke siin recht dat huijs tot Liesveld, enz.
Te houden na inhout der ouden hantvesten ende brieven, die daer of sijn.
Presentibus consilis 24 December 1430".
Overleden,
tussen 24 december 1430 en 18 juni 1432, zoon van
Gerrit van EGMONT Heer van de Doortoghe (zie
XVIIb) en
Johanna van RAAPHORST.
Gehuwd,
voor 9 april 1410 (op die datum verlijftochtte hij zijn vrouw) met
Henrica van LIESVELT, geboren
na 1383.
Samen met haar kinderen verkocht zij op 9 juli 1432 aan het Convent der Regulieren van Bethanien te 's-Gravenzande 13 morgen land in monsterambacht.
Overleden,
na 9 juli 1433, dochter van
Gerrit van der WOERT heer van Liesvelt en
Sophia van HOEKELUM.
Johanna.
Beleend met Doortoghe 18 juni 1432.
Overleden,
voor 15 april 1450 (toen haar zoon Adriaan als haar erfgenaam werd beleend).
Gehuwd,
voor 5 september 1430 met
Jan van der LECK heer van Castricum, Kronenburg, Oud-Haarlem, geboren
circa 1390.
Werd in 1431 beleend met Kralingen en Honingen, als erfgenaam van zijn moeder. Hij werd 1 mei 1437 beleend door Philips de Goede met een tiende te Naaldwijk, 10 morgen land te Rijswijk en 18 morgen te Alphen. Dit had hertog Philips, toen het hem was nagelaten door de dood van heer Dirk van Egmond, die ze in rechtleen hield, gegeven aan Hugo de Lannoy; deze verkocht de goederen aan Jan van der Leck.
Overleden,
voor 10 juli 1472, zoon van
Dirk van der LECK uit het huis Polanen en
Gillisje van CEALINGEN.
Hendrica Fije.
Vermeld 5 september 1430 in het testament van haar vader, waarbij zij goederen onder Heukelom kreeg. Zij trad op 9 juli 1432 nog met haar moeder op.
Nicolaas van EGMONT.
Dek
Werd 21 oktober 1303 beleend te Heemstede.
Overleden
21 mei 1305, zoon van
Gerrit III van EGMONT 18e (Heer) van Egmont (zie
XVa) en
Elisabeth van STRIJEN.
Gehuwd,
waarschijnlijk met
Elisabeth van HEEMSKERK.
Nicolaas werd 21 oktober 1303 beleend te Heemstede door Nicolaas van Putten.[Reg. Hann. blz. 9] Na opdracht uit eigen. [Ridderschap, A. Janse blz. 415] 11 augustus 1305 Getuige van de Graaf van Holland. [v. Mieris II blz. 119] Abt Berthout van Oyen (1308-19) noemt hem zijn neve.
Volgens Bont werd hij samen met zijn broer Jan (┼ 1312) begraven in één graf in de Noorder Abside van de Abdijkerk.
Volgens J. Kok was hij Domproost te Utrecht.
Volgens Dek ┼ 1305. Brussel 18307 noemt 1335. Necr. noemt 22 mei 1305.
Had vlg. Dek een dochter Elisabeth (VA-3a). [Wapenheraut VII blz. 304]
.
Dochter van
Hendrik van HEEMSKERK.
Sophia van EGMONT.
Sophia ┼ 3 maart 1309. [Dek, ook verm in Necr. Bald.] Zij huwt met Jacob van Woude, Heer van Warmond ┼ 1303. Jacob was een zoon van Jacob van Woude en ** van Warmond. Het Geslacht van Woude stamde mogelijk uit Woubrugge (Utrecht).
De eerste vermelding van een Huis te Warmond stamt uit 1362. Jacob van Woude wordt door de Vrouwe van Voorne beleend met zijn Huis te Warmond.*1)
_____
*1): Volgens Beelaerts van Blokland voerde hij in 1285 een wapen dat doet
denken aan de van Amstels en het oude Geslacht van Wassenaer.
Overleden
3 maart 1309, dochter van
Gerrit II van EGMONT 16e Heer van Egmond van 1222/34 tot: 1242 (zie
XIIIa) en
Elisabet van MONFOORT.
Gehuwd met
Ridder Jacob van den WOUDE Heer van Warmond.
Dek
Getuige van graaf Floris V in 1280 en in 1293.
NN.
Gehuwd met
Floris van DUVENVOORDE.
Weduwnaar van NN van Brederode [NN van Doirtoge] [Wassenaar de Oudste blz. 14 en Ned. Leeuw 1964 kol. 76/77].
Gerrit van EGMONT 13e (Heer) van Egmont van 1208 tot 1217.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren VIIc. ende XVII. den XXen. In Februario. starf heer Gerrijt heer van Egmont heer Wouters zoon In dat heijlige lant Joncker ende nijet Ridder. ende zijn broeder heer Wouter Is zijn erffgenaem geweest. doe hij geregeert hadde IX. Jaeren.[Woutersz. fol. 7 (65) + 23V]
Vrij vertaald: Gerrijt stierf 20 februari 1217 in het Heilige Land en regeerde 9 jaar. Zijn broer Wouter volgt op.
De tekst van het onderschrift wijkt af van de tekst uit de Adelskroniek.
Hier staat: zijn broeder heer Wouter is zijn erffgenaem.
In de kroniek staat: daer hy by wan Wouter, die nae hem heer warde.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1. Hoed met twee veren en juweel.
2. Enorm borstsieraad.
3. Rood onderkleed.
4. Hellebaard, géén zwaard. Let op de tekens op de hellebaard (+ en x).
5. Driepuntssporen.
Woutersz. vermeldt: "Gerit van die naem die eerste, heeren Wouterssoen worde die xiii (13e) heer tot Egmont".
Van Alkemade vermeldt: "Gerard jongste zoon van Wouter de Ie van die naam, is volgens de meeste en oudste getuijgenissen onder de Heeren van Egmond begrepen". Later, bij de omschrijving van Willem I, stelt ook van Alkemade dat Willem I de eerste zoon was.
Mijn mening is dat Willem I in 1208 zijn vader Wouter I opvolgde.
De kroniekschrijver(s), waar de schilder zich bij het vervaardigen van de oudste reeks portretten op baseerde, vermeldde(n) Gerrit I uitvoerig ondanks dat hij "slechts" tot een zijtak behoorde. Deze Gerrit I en zijn nakomelingen werden echter belangrijk genoeg geacht om op deze plaats vermeld te worden.
Willem I is dus volgens de grondgedachte de 13e opvolgende Heer van Egmont.
Gerrit en zijn zoon Wouter waren wel Heren uit het Geslacht van Egmont, maar géén Heren van de Heerlijkheid Egmond.
van der Schelling
Gerard jongste Zoon van Wouter de Ie van die naam, is volgens de moeste en oudste getuijgenissen onder de Heeren van Egmond begrepen; Hij troude Vrow Sandrina Dogter van de Graaf van Nassau, bij welke hij had een Zoon genaamt Wouter. Hij was een zeer devoot, goed, eerlijk en zagtmoedig Prins. Hij stierf op de reijs naar het Heijlige Land.
Woutersz blz. 23V + 24R.
Gerit, van die naem die eerste, heeren Wouterssoen worde die xiii (13) heer tot Egmont ende was een devoet geestelick man ende seer sacht van naturen ende hadde te wyve Sandryn, des graven dochter van Naszouwe, daer hy by wan Wouter, die nae hem heer warde, ende Lubertus, die nae abt van Egmont warde, ende noch drie andere soenen als Wouter die jonge, die men stout kindt noemde, Aernt ende Claes, die alle drie vrome ridderen waeren ende van desen quam een groet geslacht in Hollant. Mer desen Abt Lubertus was die eerste die den myter*1) ende bischops habyt ontfingt ende gaf ende maeckte van syn eyghen patrimonie goeden dat die religiosen altyt wyn souden drincken ende tarwenbroet souden eten, ende hy was oeck vicecancellarius van Coning Willem, Grave van Hollant. Hy starf int jaer xiic. ende Lxiii. opten v. dach van augustus (5 augustus 1263) ende is by den Abt Stephanus (die oeck vant huys van Egmont was) begraven. Ende dese heer Gerit van Egmont heeft oeck uit devocie als syn heer vader heer Wouter dat heylige graff te Jherusalem versocht, mer is onder weghe gestorven, als hy negen jaer gheregiert hadde, ende is int heylige lant begraven int jaer xiic. ende xvii den xx. dach van februarius. (20 februari 1217) Ende vrou Sandryn starf vi. (6) jar nae haer man, den v. (5) dach in november ende is tot Egmont in die buyrkerck begraven by heer Wouter haer mans vader.
_____
*1): Vlg. Hovaeus was hij de eerste die de Mijter ofte Bisschopshabijt
ontving.
De mijter werd te Rome in 1200 ingevoerd, in Holland voor het eerst in 1230.
Brussel 18307 fol. 40V.
Gerard d'Egmond, chevalier, mourut a Hierusalem, l'an 1217 le 10 jour de mars et gist a Hierusalem. Il espousa Sandrina de Nassau, de laquelle il procrea Hubert Egmond, prelat d'Egmond, l'an 1263, Floris Egmond, chastellain d'Medenblick, et Woutier Egmond.
Detmold L3 Nr. 429 fol. 128V.
Dese heer Gherit van Egmondt ridder sterff int jaer ons heren MCC xvii (1217) en liet een zoen achter die afgenoemt was Wouter van Egmondt ende die en was ghien ridder.
Brussel 6049 fol. 1231.
Gherardus de Egmonda miles, filius Walteri de Egmonda et frater Wilhelmi de Egmonda, genuit Walterum de Egmonda et idem Gerardus obiit anno dominum mccxviio. (1217)
Utrecht Nr. 7a.
Dese heer Gerrit van Egmont ridder sterft int jaer mccxvii (1217) ende laet een soon achter genaemt Wouter van Egmont, ende die en was geen ridder.
Overleden
24 februari 1217.
Op weg naar het Heilige Land. Vlg. Hovaeus 1207. Vlg. Joh. à Leydis 1227.
Begraven
In het Heilige land.
Ondanks dat Gerrit vlg. Joh. à Leydis in 1227 in het Heilige Land werd begraven, wordt hij wel vermeld in het Necrologium van Baldewinus: februari F (=24) Gerardus de Egmonda, miles, anno Mo CCo xvij (1217).
Zoon van
Wouter I (Kwade Wouter) van EGMONT 12e Heer van Egmont van 1168 tot 1208 (zie
XI) en
Klementona (Mabelia) van GELRE,
Volgens Gumbert Hendrik II van Gelre en Agnes van Arnstein.
Gehuwd met
Sandrina van NASSAU.
In de gangbare genealogieën van Nassau worden gewoonlijk weinig dochters
vermeld, omdat zij voor de genealogie van het Geslacht niet of minder interessant waren. Sandrina kan een dochter geweest zijn van Graaf Rupert III van Nassau Laurenberg (1159- 1191). Hij huwde voor de 1e maal met een dochter van Willem Gleiberg, Graaf van Giesen en voor de 2e maal vóór 1169 met Elisabeth van Leilingen (1204/1270).
Overleden
5 november 1223, begraven
Buurkerk Egmond Binnen.
1.

Wouter II van EGMONT
Wouter II 14e (Heer) van Egmont van 1217 tot 1224, geboren
vóór 1203.
Onderschrift afbeelding:
"IN tJaer ons Heeren XIIc. ende XXIIII. den XVIen. dach In Meij starf heer Wouter heer van Egmont heer Gerrijts broeder ende neijt Ridder, ende hadde VI. Jaeren geregeert.[Woutersz. fol. 7V (66) + 24]
Vrij vertaald: Wouter broer van Gerrit stierf 16 Mei 1224 en regeerde 6 jaar.
Opvallend is dat hij hier Gerrijts broeder wordt genoemd in tegenstelling tot de Adelskroniek waar staat dat hij Gerits soen was.
Opvallende details in deze tekening zijn:
1.Hoed met twee veren.
2. Twee gemmen op de borst..
3. Hellebaard, géén zwaard.
4. Stersporen.
5. Kraag en rok van maliën.
Over deze Wouter verschillen de diverse bronnen van mening.
- Dek geeft aan dat Wouter I een tweede zoon had, Wouter genaamd (Dek I-2).
Deze treedt in februari 1221 op als getuige van Graaf Willem I te Antwerpen en stierf vóór 23 juli 1223.
Gerard was volgens Dek de derde zoon van Wouter I. Hij is volgens Dek de
stamvader van de Heren van Egmond Merenstein.
Volgens Dek had deze ook een zoon, Wouter genaamd (Dek IIIB). Deze overleed op 29 mei 1223. De naam van zijn vrouw is niet bekend.
Volgens Dek waren de kinderen die genoemd zijn niet de kinderen van Gerard, maar van deze Wouter.
- Het Necrologium van Baldewinus vermeldt op Mei B (= 29) Mo CCo xxiij (1223) een Walterus de Egmunda.
- Woutersz. noemt in zijn Adelskroniek Wouter, zoon van Gerard. Hij noemt géén kinderen.
Onder de tekening staat echter Wouter, heer van Egmont, heer Gerrijts broeder.
- van der Schelling noemt in zijn vertaling van het Franse tekststrookje Wouter zoon van Gerard en vermeldt wél de kinderen. Vreemd genoeg vermeldt hij geen sterfdatum.
De tekening heeft als opschrift: Gautier dEgmont fils de Gerard. Het is echter een totaal andere tekening. Bij Woutersz. zien we deze tekening bij Willem, heer Wouters zoon.
Terwijl boven een vergelijkbare tekening bij van Alkemade staat: Gerard fils puisné de Gautier.
- Detmold geeft door middel van een tekeningetje aan dat Wouter een zoon is van Gherit.
Hij noemt ook de kinderen en géén sterfdatum.
v/d Schelling
Wouter Zoon van Gerard en van Vrouwe Sandrine van Nassau, troude Vrouwe
Magdalena Dochter van den Landgraaf van Hessen, bij welke hij verscheijdene kinderen gehad heeft.
Lubbert was XVIe Abt van Egmond. Aarnout troude Vrow Agatha van Rajestein.
Nikolaas troude Vrow Katharina van Wichrade.
Wouter en Menso stierven ongehuwd zijnde.
Detmold L3 Nr. 429 fol. 128V.
Dese Wouter van Egmondt sterff int jaer ons heren M.CC.xxiij (1223) dese hadde vijff zonen als heer Lubbert die abt van Egmondt. Aernt van egmondt ridder Claes van Egmondt ridder Wouter stoutkeijnt van egmondt ridder. en een ghenoemt Menso.
Aernt van Egmondt wan gherit van egmondt ridder en een bastaert die ghenoemt was Wouter die vriess ridder en baelijn van kermerlant heer gherit die wan voert heer Dirck screvelt abt van egmondt.
Woutersz blz. 24R.
Wouter, die twede van dier naem, heeren Gerits soen, worde die xiiii (14) heer tot Egmont ende hadde te wyve Malesma, des lantgraven dochter van Heszen, daer hy een soen by wan, die hy noemde Willem. Ende dese heer Wouter was een recht op syn man ende was wel gesien by den graef van Hollant, mer hy en was noch gheen ridder geslaghen want hy starf jong int jaer ons heeren XIIc. ende xxiiii den xvi. dach in mey, (16 mei 1224)*1) dat deerlick was ende worde in die buyrkerck tot Egmont begraven, als hy
vii. (7) jaer geregiert hadde. Ende vrou Malesma starf int jaer XIIc. ende xxxi. (1231) ende is by haer man begraven.
_____
*1): Vlg. Hovaeus 20 mei, regeerde 5 jaar.
Detmold L3 Nr. 429 fol. 128V.
Dese Wouter van Egmondt sterff int jaer ons heren M.CC.xxiij (1223) dese hadde vijff zonen als heer Lubbert die abt van Egmondt. Aernt van egmondt ridder Claes van Egmondt ridder Wouter stoutkeijnt van egmondt ridder. en een ghenoemt Menso. Aernt van Egmondt wan gherit van egmondt ridder en een bastaert die ghenoemt was Wouter die vriess ridder en baelijn van kermerlant heer gherit die wan voert heer Dirck screvelt abt van egmondt.
Brussel 6049 fol. 123 1).
Iste Walterus obiit anno domini mccxxiii. (1223) Porro huius Walteri filii dicentur fuisse Lubbertus, abbas Egmondensis, Arnoldus de Egmonda miles, Nicolaus de Egmonda miles alius Egmondensis, Walterus cognominatus Stoutkint miles et Menso frater eorum. De Nicolao de Egmonda seu Egmondensi, milite supra dicto, processerunt Johannes et Wilhelmus, filii Gerardi in Wyck. Walterus cognominatus Stoutkint genuit Florentium de
Egmonda, castellanum in Medenblyck et quam plures etiam processerunt de eodem Waltero in Alcmaria et Nueport, commorantes prope Alcmariam, videlicet Jonghe, Wilhelmus, Walterus et Havich.
Utrecht Nr. 7a.
Dese Wouter van Egmont sterft doe men screef mccxxiii. (1223) Hy had vyff soonen, als Hubert, Abt van Egmont, Aernt van Egmont, ridder Claes van Egmont, ridder Wouter stoutkint van Egmont ridder, ende een genaemt Menso. Aernt wan Gerrit van Egmont ridder ende een bastaert, die genoemt was Wouter de Vries ridder ende baeliou van Kenmerlant. Heer Gerrit wan voort Dirck Gerevelt, abt van Egmont.
Conclusie
Wouter verbleef rond 1221 geruime tijd aan het Gravelijke Hof van Willem I.
Graaf Willem I was voor de 1e maal gehuwd met Aleida van Gelre ovl. 4 februari 1218 en voor de 2e maal in juli 1220 met Maria van Brabant. Uit het eerste huwelijk stammen 5 kinderen. De oudste zoon Floris IV werd op 24 juni 1210 geboren. Hij was dus in 1221 11 jaar oud. We mogen ervan uitgaan dat gezien de familiebetrekkingen van Graaf Willem I veel belangrijke
personen aan zijn Hof verbleven. Mogelijk is Wouter hier in kontact gekomen met de dochter van de Wernerische Landgraaf van Hessen.
Overleden
16 mei 1224, begraven
20 mei 1224 Egmond, Buurkerk.
Volgens Brussel 1857. Het Necrologium noemt 29 mei 1223.
Gehuwd.
Dek noemt 23 juli 1223, evenals Detmold. De Tabula geeft aan 29 mei 1223. Echtgenote is
Magdalena van HESSEN.
Overleden
1231, begraven
Egmond, Buurkerk, dochter van
NN Landgraaf van HESSEN.
Lubbert II (Hubert),
Abt van Egmond, geboren
1239.
Lubbert, Wouter de Jonge, Aernt en Claes worden door Dek en van Alkemade niet als de broers maar als de kinderen van Wouter genoemd.
Ook Beelaerts van Blokland noemt Lubbert, Arnholdus, Nicolaas, Waltherus en
Menso als de kinderen van Wouter. [Ned. Leeuw 1938].
Abt Lubbert
In 1240 werd hij verkozen tot Abt. Hij moet toen minimaal 18 jaar oud geweest zijn. In die tijd werd men op 16 jarige leeftijd als volwassen beschouwd, maar voor de functie van Abt diende men toch ouder te zijn.
Scholing was onontbeerlijk om deze functie te kunnen vervullen.
Toch moeten we hier niet al te veel waarde aan hechten. We zien meerdere malen dat zonen van vooraanstaanden op jonge leeftijd een belangrijke titel toebedeeld kregen.
Pater Hof omschrijft hem alsvolgt Blz. 58/59:
Het is een merkwaardig verschijnsel, dat wij, na de dood van Lubbert I, nu reeds voor de derde maal geconfronteerd worden met een abt uit het geslacht van Egmond. Men zou dit op het eerste gezicht kunnen toeschrijven aan vrees of misschien met een minder hard woord, aan politiek ten opzichte van de groeiende macht van de advocaten. In werkelijkheid is de juiste achtergrond van de gebeurtenissen voor ons niet meer te achterhalen, maar het feit zelf dat verschillende leden van dat geslacht monnik in de abdij waren, wijst toch wel op een toestand, waarin van vijandelijkheid nauwelijks kan gesproken worden. Een andere kwestie is of misschien nu reeds de meerderheid van de kloosterbewoners uit de adellijke geslachten van het land begon te stammen en dus de hele mentaliteit langzamerhand ging veranderen?
Wat er van zij, de keuze van Lubbert is een van de gelukkigste geweest, die de abdij in deze periode gekend heeft. Zowel door zijn persoonlijke gaven, als door de banden met de groten uit het graafschap en zeker ook door de gunstige tijdsomstandigheden is deze kloostervoogd erin geslaagd om de hem toevertrouwde abdij zowel op geestelijk als op materieel gebied tot hoge bloei te brengen. De bestuursperiode van Lubbert is dan ook in lange tijd niet geëvenaard. Noemden wij de keuze van abt Lubbert een teken van vrede tussen abdij en advocaat, anderzijds is zij ook garantie geweest voor de duurzaamheid van deze toestand.
Reeds in het begin van het abbatiaat van Lubbert stierf Gerard I*1) een oudoom van de abt en werd diens zoon Willem advocaat, zoals ten tijde van abt Hendrik geregeld was.
De abt heeft zich, zonder tot nepotisme te vervallen, niet onbetuigd gelaten ten opzichte van zijn familie. Niet minder dan vijf oorkonden hebben hier betrekking op:
Uit oorkonden weten we het volgende:
8 september 1244 [ARA Egm. inv. 3 fol. 27 vo R33.
gedr. OHZ I- 408 (ook verm. in Tabula)]
Hij ontslaat met toestemming van het Kapittel de zoon van zijn zuster Gertrudis uit de ministerialiteit.
8 oktober 1248 [ARA Egm. inv. 3 fol. 29 R37.
gedr. OHZ I- 484]
Hij geeft aan Willem II v. Egmont (Dek IVA) de tienden die hij in pacht had in leen tegen gelijke voorwaarden.
19 april 1251 [ARA Egm. inv. 3 fol. 33 vo R50.
gedr. OHZ I- 541]
Geeft aan zijn broer Arnhold (Dek IVB) enige tienden in leen ter delging van een schuld die hij als Abt had vanwege het herstel van de dijken te Hargen en Schagen.
31 december 1252
Verkoopt aan zijn broer Arnhold (Dek IVB) en aan *** enig land te Winnemersweet ter delging van een schuld.
1252
Schenkt 3 Librae aan het Convent uit de pachtopbrengst van het Altrudeland onder Rynegom.
24 juli 1262 [ARA Egm. inv. 3 fol. 41 R73.
gedr. OHZ II- 90]
Bepaalt dat de lenen die zijn broer Arnhold (Dek IVB) van de Abdij had voortaan erfelijk zullen zijn.
Overleden
5 augustus 1263.
Begraven voor de Mariakapel van de Abdijkerk. Tussen het graf van Abt Floris en het gemeenschappelijke graf van de Abten Andreas, Bruno en Reinier in.
Gertrudis.
Vermeld in een oorkonde van Abt Lubbert als zijn zuster.
Ridder Claes (Nicolaas).
Lubbert, Wouter de Jonge, Aernt en Claes worden door Dek en van Alkemade niet als de broers maar als de kinderen van Wouter genoemd.
Ook Beelaerts van Blokland noemt Lubbert, Arnholdus, Nicolaas, Waltherus en
Menso als de kinderen van Woute. [Ned. Leeuw 1938]
Nicolaas, Ridder. Blijkens het Kalendarius van zijn broer Lubbert "anno eodem CCIxiij Lubbertus 2 primus abbas Egmondenis regalis, obiit nonis Augusti Hic Lubbertus abbas et Arnoldus de Egmonda miles, Nicolaus de Egmonde et Walterus dictus Stoutkint, milites et Menso fratres fuerunt".
[à Leydis blz. 42].
Ridder Wouter de Jonge (Stoutkind).
Wouter Stoutkind voert 1242/48 de voogdij over Willem II. De kinderen van
Wouter I waren in 1208 dus nog niet volwassen (ouder dan 16 jaar).
1248 Getuige in een privilege voor Haarlem. [OH - 412 en 413]
Over Wouter Stoutkind is een artikel verschenen in de Ned. Leeuw 1914, blz.
354 door W.A. Beelaerts van Blokland.
Lubbert, Wouter de Jonge, Aernt en Claes worden door Dek en Van Alkemade niet als de broers maar als de kinderen van Wouter genoemd.
Overleden
1266,
vermoedelijk na 1266. Sneuvelde hij 20 augustus 1272 samen met een zoon Willem bij Heilo? (Uit Obreen, Floris V, blz. 51, leidt men dit af.).
Menso.
Dek. Mogelijk de vader van Abt Hugo Mensonius (1335-1345).
Anderen noemen hem Hugo Harlemius. Mogelijk naar zijn geboorteplaats.
Ada.
Overleden
18 april 1256.
Necr. Bald.
Aernt (Arnold) van EGMONT.
Lubbert, Wouter de Jonge, Aernt en Claes worden door Dek en van Alkemade niet als de broers maar als de kinderen van Wouter genoemd.
Ook Beelaerts van Blokland noemt Lubbert, Arnholdus, Nicolaas, Waltherus en
Menso als de kinderen van Wouter. [Ned. Leeuw 1938]
Kocht 1252 land van zijn broer Lunnert onder Winnemersweet, leenman van de abdij 1264, 1267.
Overleden
7 juli 1275, zoon van
Gerrit van EGMONT 13e (Heer) van Egmont van 1208 tot 1217 (zie
XIIb) en
Sandrina van NASSAU.
Gehuwd (1) met
Naam vrouw onbekend.
Gehuwd (2).
Wouter de VRIESE,
baljuw van Kennemerland.
Bastaard van Arnold.
Overleden
20 augustus 1272,
sneuvelde bij Heilo tegen de Westfriezen.
Gerard van EGMOND.
Vermeld als leenman van de abdij in 1293.
Overleden
31 maart 1332, zoon van
Aernt (Arnold) van EGMONT (zie
XIIIb) en
Naam vrouw onbekend.
Gehuwd (1) met
Femeijnse (van het goed waarmee zij verlijftocht was, is sprake bij haar kinderen).
Gehuwd (2).
Willem Gerardszoon Ser Arnoudszoon.
Verkocht 18 juni 1352 al het goed, wat hij van zijn moeder erfde, aan zijn zuster. Ook compareerde hij nog op 5 oktober 1354.
Gehuwd met
Adelis Collaerd Catsdochter.
Machteld.
Zij verkochten 20 december 1354 enig land onder Egmond en Limmen. Hun recht op de erfenis van haar moeder stonden zij 4 januari 1355 af aan IJsbrant van der Schure, i.v.m. het verzoek daartoe door haar broer gedaan op 5 oktober 1354.
Gehuwd met
Splinter HAES.
Dirck SCREVEL,
abt van Egmond.
Bastaard van Gerard.
Overleden
29 september 1335.
Floris van EGMONT,
kastelein van Medemblik 1296 [Br. Hschr. 18307].
Komt niet voor met de achternaam Van Egmond, mogelijk was hij een bastaardzoon.
Verdedigde Medemblik tegen de Vriezen, na de dood van Graaf Floris V, totdat hij door Jan van Avenes werd ontzet.
Zoon van
Gerrit van EGMONT 13e (Heer) van Egmont van 1208 tot 1217 (zie
XIIb) en
Sandrina van NASSAU.
Aelbrecht Floris heren Wouterszoon.
Was 29 april 1306 gegoed te Beverwijk, kreeg 14 juli 1329, als beloning voor die diensten die zijn vader aan de graaf had bewezen, 8 pond Hollands 's jaars in recht leen. Hij werd 28 maart 1335 door heer Jan van Polanen beleend met land te Opmeer. In mei 1335 verwierf hij in vrije eigendom binnen de ban van Alfen, het Breedeweer, een stuk land van 36 morgen.
Op 14 juli 1329 werd als zijn echtgenote genoemd Elisabeth van den Woude, dochter van heer Jacob van den Woude en Sophia van Egmond (ZIE HOOFDSTUK 1, BLZ. 10).
Zoon van
Floris van EGMONT (zie
XIIIc).
Jan van EGMOND van MERENSTEIN (uter Wike).
Werd tussen 10 februari en 5 augustus 1345 tot ridder geslagen, was in 1350 één van de leiders van de Hoeken en werd 3 mei 1350 voor het eerst met de toenaam van Merenstein (Meresteyn) vermeld. Hij komt ook voor als uter Wike, vermoedelijk omdat hij in Beverwijk woonde. Hij verkocht 9 december1366 zijn hofstede ter Wijc aan Coenraad Cuser; hij zegelde 12 november 1375 n.l. Egmond, met een vrijkwartier van hetmelijn i.v.m. de verkoop van de door zijn overgrootvader verworven rechten op 100 hoenders per jaar uit Limmen. Hij verkocht 19 augustus 1378 de Duvencamp aan de Rodenburger-wateringe in Zoeterwoude aan de rentmeester van Kennemerland.
Overleden
1382,
voor 16 maart 1382, zoon van
Aelbrecht Floris heren Wouterszoon (zie
XIVd).
Gehuwd (1) met
Genephi van RODENBURCH.
Zij was 13 maart 1346 gegoed te Zoeterwoude.
Gehuwd (2) met
Baerte van IJSSELSTEIN.
Die 29 november 1360 getocht werd door haar man.
Dochter van
Otto van IJSSELSTEIN.
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN.
Compareerde 19 augustus 1378 met zijn vader, werd 16 maart 1382 als opvolger van zijn vader beleend, was ridder 30 september 1397 toen hij werd beleend met goederen van zijn overleden oom Gijsbrecht van IJsselstein, trok 1398 mee op de tegen de Friezen; werd op 19 april 1401, door Arend heer van Egmond en IJsselstein, beleend met Rippickerweert, afkomstig van zijn moeders familie.
Zoon van
Jan van EGMOND van MERENSTEIN (uter Wike) (zie
XVb) en
Baerte van IJSSELSTEIN.
Gehuwd
circa 1385 met
Agnes van BEESDE.
En lijftochtte haar 15 april 1385. Zij werd 19 maart 1392 beleend met 10 pond 's jaars, levenslang, uit de tollen van Geervliet "om gunste ende liefde", door Albrecht van Beieren. In 1409 verkocht zij het erf ter Weijde in het land van Buren, verkregen van haar oom Steven van Beesde, kanunnik te Utrecht.
Bertha ((Beerte)).
Zij kreeg in 1414 van haar oudste broer een halve korentiende te Assendelft als erfleen en was in 1440 nog in leven.
Gehuwd
voor 1414 met
Doeve van RIETWIJCK.
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN.
Diende Willem VI in 1408 met 2 man te Woudrichem in de Arkelse oorlog, liet in 1421 zijn lenen registreren en werd dezelfde dag door de elect Jan van Beieren beleend.
Hij werd 22 juni 1426 door Philips de Goede met de heerlijkheid Assendelft beleend, aangezien heer Barthout van Assendelft verbannen was; Barthout kreeg later zijn leen weer terug. Op 30 april 1429 beleende Jacoba van Beieren hem met "al zulck goed als zijn ouders hielden, te weten 7½ vierdel lands in den ban van Heemskerck op 't Goghendorp, 8 geerzen land in den ban voors daerbi ende Heren Jans van der Meij plach te wezen, 4 maden en ¼ in Heemskerckerbroeck, 18 geerzen in de ban van Voirscoten opte Grote Venne, ½ tyenden in Scommeer, 2£ Hollants ende 100 hoenre 's jaers uyt den abts huerwaer in Limmen, 2£ Holl. 's jaers uyt de herfstbede van Oesdom, 36 morgen lands in den ban van Alphen ende geheeten sijn die Bredeweer, waaruit 14 scelling ter capelrie behoef, 10 sc. sjaers uit het Rentmeesterschap van Kennemerlant".
Hij schonk echter het Bredeweer op 27 april 1430 aan zijn broer Otto.
Philips de Goede bevestigde hem 22 maart 1439, in zijn leengoed.
Op 8 januari 1435 tochtte hij zijn vrouw Stevina van der Boeckhorst.
Overleden
1468, zoon van
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN (zie
XVIc) en
Agnes van BEESDE.
Gehuwd met
Stevina van der BOECKHORST.
Op 8 januari 1435 tochtte Aelbrecht.
Jacob.
Werd 23 april 1491 na opdracht, beleend met land te Muijlkercke.
Overleden,
voor 22 oktober 1500, kinderloos.
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN.
Erfde Rippickerweert als leen van IJsselstein en werd 11 mei 1469 beleend met de goederen van zijn vader in Noord-Holland o.a. te Heemskerk. Een opgave van zijn bezit, tussen 1472 en 1474, bij de Hollandse Leenkamer 283, CXXI (Vador feudorum) luidt als volgt:
"Aelbrecht van Egmonde, wonende tot IJsselstein, houdt: het huys te Meresteijn met omtrent VII viertel lands en 36 geersen lands gelegen in Heemskerck, waardich omtrent LXXXR.gld. sjaars, (resitutie van 20 R.gld in verband met onderhoud van huis en grachten, 10½ sjaers uit het rentmeesterschap van Kennemerland) van de Heerlijkheid IJsselstein: "Meresteijn", omtrent 65 morgen in het Sticht van Utrecht in het kerspel van den Gheijne, weerdich omtrent LXXX Riinschen guldens sjaers tot XI gr. 't stuck, daer hij of mid (?) sjaers voir den reparatie en restructie van den huijse ende graften XX Rgld sjaers.
Item boch gaet daer wt XX Rgld sjaers X jaer lang geduerende. Ith van dijckage ende morgengelt sjaers omtrent VI R gld, blijft zuver dat hij jaerlix ontfangt XXXVIII £".
Hij werd 22 oktober 1500 beleend met de goederen van zijn overleden broeder.
Overleden
1 augustus 1507, zoon van
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN (zie
XVIIc) en
Stevina van der BOECKHORST.
Gehuwd
voor 1478 met
Henrica van SPANGEN.
Aelbrecht tochtte haar 4 februari 1482.
Overleden
8 december 1502, dochter van
Engelbrecht van SPANGEN en
......... van ALCKEMADE.
Steven.
Hij kreeg als minderjarige op 6 maart 1478 een leen te Benschop van 5 morgen, waarvoor zijn vader op die dag hulde deed aan de heer van IJsselstein.
Overleden
1480,
voor 10 september 1480.
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN.
Werd 29 december 1507 beleend met Rippickerweert, door heer Frederik van Egmond en 5 juli 1508 met de overige goederen van zijn overleden vader. Hij was kastelein van Woerden en eigenaar van het blauwe huis of "het blauwe slootgen" Merestein te Heemskerk. Hij droeg 11 maart 1533 namens zijn vrouw nog enig land over, maar overleed voor 14 maart 1539.
Overleden
1539,
voor 14 maart 1539, zoon van
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN (zie
XVIIIf) en
Henrica van SPANGEN.
Gehuwd,
tussen 20 juli 1505 en 24 september 1519 met
Anna van FOREEST.
Zij werd 20 juli 1505 beleend met 8 gemeten lands te Geervliet, maar 24 september 1519 verkocht haar man deze grond.
Overleden
1540, begraven
IJsselstein, dochter van
Herpert van FOREEST en
Maria van CATS.
Adriana,
priorin te Rijnsburg, ingekleed aldaar 1519/1520, geboren
circa 1511.
Overleden,
voor 21 november 1591, op welke datum over haar prebende werd beschikt.
Anthonis.
Werd 15 augustus 1539 door Floris van Egmond, graaf van Buren, beleend met 5 morgen lands, gelegen in de Legen Viesen als onversterfelijk leen, ten Zutphens recht. Op 4 november 1540 legde hij de eed af van voor Maximiliaan van Egmond, de nieuwe graaf van Buren. Hij tochtte 15 juni 1562 zijn vrouw Margriet Buno.
Gehuwd met
Margriet BUNO.
Jacob,
priester te Beverwijk.
Maria.
Zij werd 10 augustus 1541, na de dood van haar moeder, beleend met 1/3 korentiende wn smaltiende bij Delft.
Overleden,
voor 6 maart 1556.
Gehuwd (1) met
Jan van HUCHTENBROEK.
Een ridder uit Utrecht.
Overleden,
voor 8 juni 1545.
Gehuwd (2).
Vermeld als haar man 20 april 1548 met
Jacob van CATS.
Zoon van
Willem van CATS en
Maria van BRUELIS.
Hendrika, geboren,
voor 10 december 1526 (toen zij in het testament van haar ouders de jongste dochter werd genoemd), beleend met grond te Saerdam 10 augustus 1541. Zij testeerde 26 augustus 1600.
Overleden
1606.
Gehuwd
1542 met
Jacob van DUIVENVOORDE ridder, heer van Earmond, het Woud en Alkemade, geboren
1509,
kocht 1542 voor 4800 karoliguldens het huis Zijlhof bij Leiden, ondertekende 1566 het Smeekschrift, hoogheemraad van Rijnland 1567-1575, raadsheer in het Hof van Holland.
Overleden
juni 1577 Leiden, zoon van
Mr. Jan van DUIVENVOORDE en
Maria van MATENESSE.
Jan van EGMOND van MERENSTEIN,
kastelein van Woerden.
Werd 14 april 1539 beleend met de goederen van Heemskerk enz. en 15 augustus 1539 met Rippickerweert, dit laatste werd 5 oktober 1544 bevestigd door de graaf van Buren.
Overleden
1546, zoon van
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN (zie
XIXh) en
Anna van FOREEST.
Gehuwd met
Amelia van GROMBACH, geboren
circa 1515.
Overleden
1606 Harlingen.
Albrecht.
Woonde op het huis Merenstein te Beverwijk, sloot zich aan bij de Compromis der Edelen 1566, diende later onder Lodewijk van Nassau, daarna bij de Watergeuzen, benoemd tot krijgs-commissaris van de Prins van Oranje in 1573, kapitein in Staatse dienst, baljuw en schout van 's-Gravenhage 1584-1586. Hij verkocht Merenstein aan de Reguliere monniken te Beverwijk.
Overleden
5 april 1595, begraven
Beverwijk.
Gehuwd
voor 1567 met
Sara bastaarddochter van BREDERODE, geboren
circa 1544.
Zij kreeg 20 mei 1547 van haar vader een toezegging van 1000 Caroliguldens, maar moest in 1585 de vrouwe van Vianen daarvoor een proces aandoen, zodat ze 27 januari 1588 eindelijk in het gelijk werd gesteld.
Overleden
25 november 1631, begraven
Beverwijk,
naast haar beide echtgenoten, dochter van
Reinoud III van BREDERODE heer van Brederode en
Catharina Goossens van HOLTEN.
Anna.
Vermeld in een verklaring van haar moeder, gedaan te Franiker 21 augustus 1576.
Gehuwd met
NN van SALENCY.
Frederik van EGMOND van MERENSTEIN.
Werd 3 januari 1547 beleend met de goederen van zijn overleden vader, zijn oom Anthonis van Egmond was hulder, omdat hij nog onmondig was. Zelf legde hij eerst op 1 december 1565 de leeneed af.
Overleden
circa 1575, zoon van
Jan van EGMOND van MERENSTEIN (zie
XXh) en
Amelia van GROMBACH.
Gehuwd met
Hectoria van HOUCXWIER, geboren
circa 1543.
Overleden
1615.
Jan, geboren
1566.
Overleden
1599,
op zee, ongehuwd.
Lucia van EGMOND van MERENSTEIN.
Beleend op 21 november 1600, na de dood van haar broer, met de goederen te Heemskerk enz.
Overleden,
voor 18 december 1603, op welke datum haar zoon pieter werd beleend, dochter van
Frederik van EGMOND van MERENSTEIN (zie
XXIh) en
Hectoria van HOUCXWIER.
Gehuwd met
Mr. Hugo RUIJSCH,
raad-ordinaris van het hof van Holland te Dordrecht.
Hulder voor de lenen van zijn zoon in 1603.
Overleden
1615.
Otto van EGMOND (van MERENSTEIN).
DE HEREN VAN KENENBURCH
Hij verkocht in 1427 land te Velsen aan de abt van Egmond en kreeg van zijn broer Albrecht het Bredeweer (groot 36 morgen, gelegen in de ban van Alphen aan de Rijn) waarmee hij 27 april 1430 werd beleend. Op 13 juli 1430 werd hij beleend met woning en grond te Heemskerk; 30 oktober 1438 werd hij na koop beleend met 4£ jaarlijkse rente uit de herstbede van Akersloot en op dezelfde datum verwierf hij "Zevenhovercamp" in de ban van Heemskerk.
Overleden,
voor 6 oktober 1466, zoon van
Aelbrecht van EGMOND van MERENSTEIN (zie
XVIc) en
Agnes van BEESDE.
Gehuwd met
Machteld.
Agnes van van EGMOND.
Gehuwd,
voor 24 april 1444 met
Adriaen van der HOEVE.
Beleend met 1/8 Abbenbroek 19 december 1442, beleend met huis, hofstad en 10 morgen in Maasland 24 april 1444.
Zoon van
Mr. Geryt van der HOEVE en
Hadewij van ABBENBROEK.
Dochter van EGMOND (naam onbekend).
Gehuwd met
Bengaert SAEY.
Dochter van EGMOND (naam onbekend).
Gehuwd met
....... van ALPHEN.
Vermeld 25 februari 1469 en 4 maart 1469.
Margriet van EGMOND.
Kreeg als weduwe van Anthonis van Noortich op 24 december 1477 van het hof van Holland gedaan, dat haar broer Albrecht haar jaarlijks 10£ moest uitbetalen. Ook op 23 februari 1486 was zij in een proces gewikkeld.
Aelbrecht van EGMOND.
Erfde in 1476 het Breedeweer en droeg dit over op zijn broer Jan, begiffigde 20 september 1470 en 23 oktober 1487 de parochiekerk te Heemskerk.
Zoon van
Otto van EGMOND (van MERENSTEIN) (zie
XVIId) en
Machteld.
Gehuwd (1) met
Haze de BLOOTE van LIEVENBURCH.
Zij werd 17 november 1461 beleend met 48£ en 50 hoenders per jaar, na de dood van haar broer Jacob en bracht haar man Kenenburch onder Schipluiden.
Overleden,
tussen 4 maart 1469 en 23 augustus 1471, dochter van
Dirk de BLOOTE.
Gehuwd (2),
kort voor 24 december 1477 met
Janna van RENESSE.
Beleend op 20 augustus 1480 met een hofstede en boomgaard in Naaldwijkerbroek door heer Henric van Naaldwijk. Hulder was haar man.
Dochter van
Jan van RENESSE en
Beatrix Gerritsdochter van de POEL.
Margriet,
non te Leeuwenhorst.
Vermeld op 11 september 1497, toen haar broer voor het Hof van Holland erkende haar 1£ schuldig te zijn, voor haar erfdeel.
Janna.
Erfde haar moeder's bezit in Naaldwijkerbroek, werd er in 1512 door graaf Robert van der Marck opnieuw mee beleend en droeg het in 1527 over op Bartholomeus van Egmond.
Otto van EGMOND heer van Kenenburch.
Werd omtrent 1470 heer van Kenenburch (na de dood van zijn moeder), op 23 augustus 1471 beleend met 48£ en 50 hoenders per jaar, in 1486 door Maximiliaan van Oostenrijk te Dordrecht tot ridder geslagen, erfde 9 oktober 1497 (na de dood van zijn vader) een huis, hofstede enz. in de ban van Heemskerk en 4 pond uit de herfstbede van Akersloot en Uitgeest, dit laatste leen droeg hij over op zijn broer Jacob.
Overleden
1510, zoon van
Aelbrecht van EGMOND (zie
XVIIIg) en
Haze de BLOOTE van LIEVENBURCH.
Gehuwd
2 juni 1472 huw. voorw. Echtgenote is
Catharina van RAAPHORST.
Haar man tochtte haar 28 september 1473.
Overleden
1513, dochter van
Bartholomeus van RAAPHORST en
Magtilda POTS.
Machteld.
Vermeld op 26 oktober 1490 als non in het gemeen convent van de zusters van St. Marie te Haarlem. Volgens de kroniek van Gouthoeven was zij non te Delft.
Albert.
Vermeld 5 januari 1509, ridder van de Duitse Orde te Utrecht, landcommandeur in Maasland 1528-1543.
Overleden
26 februari 1560.
François.
Werd als jongman doorstoken.
Jan.
Vermeld 5 januari 1509; was in dienst van de hertog de Montmorency.
Overleden
Parijs,
ongehuwd.
Ursula,
non in het Sint Agneta klooster te Delft.
Overleden
23 september 1559 Delft.
Adriaan van EGMOND heer van Kenenburch.
Werd 16 januari 1511, na de dood van zijn vader, beleend met 4£ en 50 hoenders op Schiebroek, verkocht 18 februari 1513 aan zijn schoonvader 5£ erfelijke rente uit dit leengoed, maar kreeg deze 5£ (uit de Zuid Maaslandse tienden en uit de tienden van Hodenpijl) op 21 maart 1531 weer terug en werd er 1 maart 1532 mee beleend. Volgens Van Gouthoeven was hij in 1524 met zijn broer Bartholomeus in 's-Gravenhage op de begrafenis van Jan heer van Wassenaar.
Overleden,
voor 5 september 1533, zoon van
Otto van EGMOND heer van Kenenburch (zie
XIXi) en
Catharina van RAAPHORST.
Gehuwd,
voor 18 februari 1513 met
Henrica HEERMAN van OEGSTGEEST, geboren
circa 1494.
Overleden
7 december 1537 Leiden, dochter van
Jacob HEERMAN van OEGSTGEEST en
Henrica van der DOES.
Cornelia.
Overleden
1595 Haarlem.
Gehuwd met
Jan Gerritszoon van SCHOOTEN,
hoogheemraad van Rijnland.
Overleden,
voor 15 juli 1569.
Otto van EGMOND heer van Kenenburch, geboren.
De Navorser 78, blz. 163 zegt dat hij in juni 1507 werd geboren; dat zal wel fout zijn, aangezien zijn moeder circa 1494 werd geboren, terwijl Otto nog in 1533 door zijn oom als hulder werd bijgestaan.
Werd na de dood van zijn vader 5 september 1533 beleend met de 5£ jaarlijkse erfrente uit de Zuidmaaslandse tienden en uit de tiende van Hodenpijl, waarbij zijn oom Bartholomeus nog als hulder optrad. Na aankoop van Dirk van Leeuwen werd hij 1 september 1550 beleend met een tiende achter Kenenburch, hij kocht 11 januari 1555 lijfrenten voor zijn kinderen. Hij werd in 1555 tot ridder geslagen en was daarna registermeester van Holland, ambachtsheer van Maasland 1583-1586.
Overleden
9 oktober 1586, begraven
Schipluiden,
in de kerk, zoon van
Adriaan van EGMOND heer van Kenenburch (zie
XXi) en
Henrica HEERMAN van OEGSTGEEST.
Gehuwd
circa 1541 met
Agnes CROESINK.
Overleden
22 september 1585, begraven
Schipluiden,
in de kerk, dochter van
Jacob CROESINK heer van Benthuizen en
Sandrina bastaarddochter van CRUIJNINGEN.
Adriana, geboren
circa 1543.
Kreeg 11 januari 1555 een jaarlijkse lijfrente van 18£ van haar vader, was aanvankelijk non te Rijnsburg.
Overleden
1587.
Gehuwd met
Willem BLOIS van TRESLONG heer van Oudenhoven, Greysoort en Peterghem in Vlaanderen, Treslong in Henegouwen, Benthuizen, Cabauw en Stein in Holland, geboren
circa 1529 Den Briel.
Ondertekende 1566 het Smeekschrift, ging over tot de Hervprming, vocht bij Heiligerlee en Jemmingen, diende bij de Watergeuzen toen Den Briel 1 april 1572 werd veroverd, later baljuw en dijkgraaf van Voorne, admiraal van Zeeland, luitenant-houtvester 1592, groot-valkenier van Holland 1593.
Overleden
1594,
op het huis Swieten bij Leiden, zoon van
Jasper BLOIS van TRESLONG en
Catharina van WIJNGAARDEN.
Cornelis, geboren
circa 1544.
Was 10 jaar oud toen hij op 11 januari 1555 van zijn vader een lijfrente van 18£ per jaar kreeg.
Overleden
1565 Parijs,
door het vallen van een trap.
Jacob heer van Kenenburch, geboren
circa 1545.
Kreeg 11 januari 1555, eveneens een jaarlijkse lijfrente van 18£ van zijn vader, werd 22 november 1586 beleend met de goederen van zijn overleden vader, ambachtsheer van Maasland 1586-1618 en van Maassluis 1612-1618, diende in het Staatse leger, kolonel sinds 1574, gewond bij Coevorden 1592, gouverneur van Diksmuiden in Vlaanderen. Hij kreeg 17 maart 1600 octrooi op zijn lenen. Volgens Gouthoeven huwde hij Doralisye van der Schale te Cyprus.
Overleden,
voor 10 juli 1618.
Gerrit, geboren
circa 1552.
Kreeg 11 januari 1555 eveneens een jaarlijkse lijfrente van 18£ van zijn vader, kapitein "werd van 's konings volk in Sint Annaland in Zeelant geschoten ende stierf als jongman 1572".
Adriaan,
ridder van de Duitse Orde.
Overleden
Malta.
Jan,
baljuw van Brielle en Voorne.
Diende in het Staatse leger 1583, kreeg 3 maart 1589 commissie als kapitein, luitenent-kolonel van graaf Philips van Nassau 1593, te Ostende 1597.
Overleden
1612,
kinderloos.
Gehuwd
1 juli 1594 Tiel met
Anna VIJGH.
Dochter van
Dirk V VIJGH en
Heilwig van ROSSEM.
Henrica.
Vermeld 30 mei 1584 in het testament van haar broer Jacob, zij woonde 1636 in 's-Gravenhage.
Gehuwd
1595 met
Philips van der AA,
uit Brabant.
Elisabeth van EGMOND, geboren
circa 1549.
Kreeg 11 januari 1555 eveneens een jaarlijkse lijfrente van 18£ van haar vader. Haar man stierf voor 18 oktober 1583. Op die datum werd zij beleend met 1/6 van 1/4 van 1/16 van Middelharnis, met als hulder haar broer Jacob.
Overleden
1613 's-Gravenhage, dochter van
Otto van EGMOND heer van Kenenburch (zie
XXIi) en
Agnes CROESINK.
Gehuwd met
Frederik van ZEVENTER.
Overleden,
voor 18 oktober 1583.
Otto.
Hij was baljuw en dijkgraaf van Den Briel, was later de enige erfgenaam van zijn moeder's broer Jacob van Egmond.
Bartholomeus van EGMOND.
Vermeld in een acte van 5 januari 1509 met zijn vader en zijn broers Albrecht en Jan, kastelein van Oudewater 1519, baljuw van Noordwijk 1545-1547.
Overleden
29 april 1555, begraven
Noordwijk, zoon van
Otto van EGMOND heer van Kenenburch (zie
XIXi) en
Catharina van RAAPHORST.
Gehuwd met
Anna van ALMONDE.
Overleden
13 oktober 1561, begraven
Noordwijk, dochter van
Mr. Jacob van ALMONDE heer van Wena, Bloemersdijk en Beukelsdijk en
Catharina van EVERSDIJCK.
Anna, geboren
circa 1519.
Woonde 19 november 1586 te Noordwijk, toen zij een proces voerde.
Overleden
Noordwijk,
ongehuwd "en dronk geen wijn".
Otto.
Overleden
1559 Wijk bij Duurstede,
doorstoken, ongehuwd.
Jacob.
Ridder van de Duitse Orde, commandeur te Middelburg.
Overleden
1596.
Jasper.
Ridder van de Duitse Orde, commandeur in Maasland 5 mei 1561.
Overleden
6 mei 1595, begraven
Maasland,
in de kerk.
Catharina.
Gehuwd
voor 1545 met
Hugo BLOIS van TRESLONG.
Meesterknecht van de houtvesterij van Holland 1555-1576.
Zoon van
Lodewijk BLOIS van TRESLONG en
Anna van ASSENDELFT.
Arnoldijn.
Gehuwd
Sassem met
Pieter Jacobsz PIJNSSEN.
Adriaan van EGMOND.
Deed 13 maart 1598 de leeneed namens zijn kleinzoon Bartholomeus.
Overleden
1604 Amersfoort,
op hoge leeftijd, zoon van
Bartholomeus van EGMOND (zie
XXj) en
Anna van ALMONDE.
Gehuwd met
Agnes de BEER.
Dochter van
Egbert de BEER.
Otto,
1580-±1596 drost van Salland.
Woonde in 1636 te Lier in Brabant, diende in het leger van graaf Frederik van de Bergh 1605 en verzocht te Brussel om adelsgunst.
Gehuwd,
kinderloos met
Joanna van LONGNES,
uit Mechelen.
Egbert van EGMOND.
Beleend 11 december 1576 met het goed "ten Klooster" te Scherpenzeel als erfgenaam van een tante, Anna de Beer.
Overleden,
kort voor 1598, zoon van
Adriaan van EGMOND (zie
XXIj) en
Agnes de BEER.
Gehuwd met
Alijt SCHEPELAER (ook wel (Schepels).
In 1605 werden in de stad Hasselt hun onmondige kinderen vermeld.
Albert.
In krijgsdienst in Brabant.
Catharina,
non te Leuven.
Theodora.
Gehuwd met
Pedroa Antonio URSINI,
eer Italiaan.
Machteld.
Begraven
7 september 1596 Sint Gudule, Brussel,
ongehuwd.
Bartholomeus van EGMOND.
Werd 13 maart 1598 beleend met het goed "ten Klooster", onmondig te Hasselt 1605, vermeld 28 maart 1632 en 25 maart 1644 in het renuntiatieboek van de gemeente Deventer.
Overleden
Deventer,
voor 8 juni 1646, zoon van
Egbert van EGMOND (zie
XXIIl) en
Alijt SCHEPELAER (ook wel (Schepels).
Gehuwd met
Johanna van LAER (tot Hoenlo).
Zij woonde 17 november 1648 in de Polstraat te Deventer.
Overleden,
na 24 juni 1670, dochter van
Herman van LAER en
Aleida BRUIJNS.
Een kind.
Wat nog onmondig was toen de moeder op 8 juni 1646 een stuk veenland verkocht, in de Beulake, ten overstaan van het schoutengericht Vollenhove. Dit kind was waarschijnlijk identiek met Hademan van Rgmond, vermeld voor het schoutengericht te Olst 18 september 1652, als broer van Egbert.
Egbert van EGMOND.
Kreeg 26 mei 1638 een Overijssels leengoed van zijn moeder n.l. het halve erve te Duur (kerspel Olst), beleend 13 oktober 1646 met het leengoed "ten Klooster", 6 juni 1680 door de heer van Almelo beleend met de Grote Duren, later ook de Luchtenberg, gelegen in het kerspel Olst.
Overleden
voor 1693, zoon van
Bartholomeus van EGMOND (zie
XXIIIk) en
Johanna van LAER (tot Hoenlo).
Gehuwd
1638 met
Margaretha BRUIJNS.
Zij werd 23 januari 1668, na de dood van haar broer Henrich Bruijns, beleend met het erve De Brugge, gelegen in de buurtschap Middel, kerspel Olst.
Overleden,
tussen 23 november 1677 en 6 juni 1680, dochter van
Hendrik BRUIJNS en
Margaretha STUERMAN.
Aleida Mechteld.
Testeerde te Zwolle 21 februari 1718 en 18 maart 1718.
Begraven
4 maart 1719 Zwolle.
Gehuwd
26 mei 1668 Zwolle,
voor schepenen met
Arnold Thomas de SWEERSEN,
burgemeester van Zwolle tijdens de Munsterse bezetting 1672-1674.
Zoon van
Boldewijn de SWEERSEN en
Margriet SCHIMMELPENNINCK.
Margaretha.
Gehuwd
12 november 1682 Zwolle,
voor de schepenen met
Arnold van OLDENEEL tot den HEERENBRINCK.
Zoon van
Frans Ignatius van OLDENEEL en
Anna van OLDENEEL.
Bartholomeus.
Hij trad 20 december 1684 voor de leenbank van Essen op als gemachtigde en werd "toe den luchtenberg" genoemd.
Maria Esau.
Vermeld 1718 in het testament van haar zuster Aleida Mechteld.
Alphart,
overste luitenant in dienst van de bisschop van Munster.
Maakte 24 mei 1700 te Ootmarsum een testament, wat 10 juli 1703 te Zwolle werd geopend in tegenwoordigheid van Engbert Knoppert, Arend van Oldeneel en Jan Boldewijn de Sweersen. Zijn vrouw Rutgera van Loen, stierf eerder, blijkbaar kinderloos. Universeel erfgenaam van Alphart was Hendricus Franciscus Josephus van Oldeneel, zoon van Margaretha van Egmond.
Gehuwd met
Rutgera van LOEN.
Overleden,
voor 10 juli 1703, dochter van
Frans Roeland van LOEN tot HARSEVOORT (= Hertzfort bij Lingen) en
Elanda Sophia van LOë.
Henrica.
Samen met haar man 2 oktober 1696 door de provincie Overijssel beleend met de Wesenberg (Kerspel Wijhe), vermeld als weduwe in 1721.
Overleden,
voor 17 april 1722.
Gehuwd
circa 1690 met
Engelbertus KNOPPERT, geboren
23 mei 1652.
Overleden,
kort voor 16 februari 1708, zoon van
Henricus KNOPPERT tot den VRIJHOF en
Johanna Wilhelmine van UTERWIJCK.
Lambert van EGMOND.
Overleden,
kort voor april 1703, zoon van
Egbert van EGMOND (zie
XXIVk) en
Margaretha BRUIJNS.
Ondertrouwd
26 augustus 1699 Zwolle, gehuwd
19 september 1699 Windesheim met
Anna Catharina BOURRIGTER.
Overleden,
voor 11 april 1721, dochter van
Eilard BOURRIGTER en
Anna Maria WEGHUIS.
Margaretha Maria, gedoopt
11 oktober 1701 Zwolle.
Vermeld 24 december 1703 en 21 februari 1718 (in testament van tante Aleida).
Lambertha, geboren
1703,
tussen april en 24 december 1703, na de dood van haar vader.
Vermeld 21 februari 1718 in het testament van haar tante Aleida van Egmond.
Jacob van EGMOND.
Werd 9 oktober 1497 beleend met 4£ uit de herfstbede van Akersloot en Uitgeest, na overdracht door zijn broer Otto.
Overleden,
voor 27 juli 1537. De naam van zijn vrouw is onbekend, zoon van
Aelbrecht van EGMOND (zie
XVIIIg) en
Haze de BLOOTE van LIEVENBURCH.
Jan van EGMOND.
Werd, na de dood van zijn vader, op 27 juli 1537 beleend met de 4£ uit de herfstbede van Akersloot en Uitgeest, maar droeg het leen onmiddelijk over aan Vincent van Teijlingen. Hij had toen 2 zoons in leven.
Zoon van
Jacob van EGMOND (zie
XIXj).
Jan van EGMOND,
baljuw van Delfland 1458-1460, dijkgraaf 1460-1469.
Kreeg 6 oktober 1466 van zijn broer Aelbrecht het Breedeweer, in de ban van Alphen, in erfleen, bezegelde 15 juli 1469 de verwerving van land in Beverwijk, trad 22 januari 1486 op als hulder voor zijn tweede vrouw, droeg 12 augustus 1487: 2 geersen land te Castricum en nog 8 geersen aldaar op aan Joost van de Hoeve, schonk 15 juli 1493 geld aan zijn dochter.
Overleden,
voor 2 november 1495, zoon van
Otto van EGMOND (van MERENSTEIN) (zie
XVIId) en
Machteld.
Gehuwd (1) met
Jkvr. ....... de BLOOT.
Zus van Haze.
Gehuwd (2) met
Adriana Gijsbrecht Claaszdochter.
Tochtte haar man 9 september 1483 en droeg 18 augustus 1484 land te Dijkshoorn (op die Harmasche, tussen de Hof van Delft en Heer Willem van de Coulster) op aan Otto van Egmond van Kenenburch Az., op 22 januari 1486 werd zij door hem weer met de helft van deze 44 morgen beleend. Zij tochtte 21 oktober 1458 haar eerste man Willem van Oegstgeest aan dit goed.
Otto.
Bezegelde 15 juli 1493 de gift van zijn vader aan zijn zuster, werd 2 november 1495 beleend met het Breedeweer, in de ban van Alphen (na de dood van zijn vader) en droeg als priester 27 mei 1499 het Breedeweer over aan zijn broer Jacob.
Jacob.
Kreeg 27 mei 1499, na overdracht door zijn broer Otto, de belening met het Breedeweer, 36 morgen, te Alphen in erfleen. Op 13 november 1514 droeg hij het Breedeweer over aan Willem Evertsz die er mee werd beleend.
Margriet,
non te Leeuwenhorst.
Kreeg 15 juli 1493 geld uit haar moederlijk erfdeel.
Wouter van EGMOND van MERENSTEIN.
Werd in juni 1359 na de inneming van Delft, door de ruwaard Albrecht verbannen, keerde later terug, droeg 22 september 1376 enig land,genaamd Zuudwijc, te Boskoop over.
Overleden
1392,
na 26 juli 1392, zoon van
Aelbrecht Floris heren Wouterszoon (zie
XIVd).
Gehuwd (1) met
NN NN.
Gehuwd (2) met
Alveraed van der BOECKHORST.
Vermeld 22 september 1372 en 26 juli 1392.
Albrecht.
Vermeld 26 juli 1392.